ECLI:NL:RBMNE:2025:7062

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
16.347539-24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een automobilist voor zeer gevaarlijk rijgedrag en het verlaten van de plaats van een ongeval

Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 11 september 2024 als automobilist op de vlucht sloeg voor de politie. De verdachte nam daarbij onaanvaardbare risico's, wat leidde tot een veroordeling voor zeer gevaarlijk rijgedrag volgens artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994, het verlaten van de plaats van een ongeval en het weigeren van een bloedonderzoek. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het weigeren van een ademonderzoek en het rijden zonder geldig rijbewijs. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 weken, een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar. Tijdens de zitting op 17 december 2025 waren de verdachte, de officier van justitie mr. M.L. Kruit en de advocaat mr. T.G.J. Nevels aanwezig. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de bewezen feiten, waarbij de ernst van de gepleegde feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging werden genomen. De rechtbank legde een zwaardere straf op dan door de officier van justitie was geëist, maar deze werd geheel voorwaardelijk opgelegd om de verdachte te stimuleren zijn leven te beteren. De rechtbank benadrukte de noodzaak van normhandhaving en de ernst van de verkeersdelicten, waarbij het roekeloze rijgedrag van de verdachte ernstige gevolgen had kunnen hebben.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.347539-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 december 2025 in de strafzaak van:
[verdachte],
geboren op [2000] te [geboorteplaats] (Ierland),
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 december 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M.L. Kruit;
  • de advocaat van de verdachte: mr. T.G.J. Nevels (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 11 september 2024 op verschillende wegen in Muiden en/of Muiderberg en/of Naarden en/of Bussum en/of Hilversum als bestuurder van een personenauto opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
feit 2
primair: op 11 september 2024 in Hilversum, na betrokken te zijn geweest bij een verkeersongeval, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bij dat ongeval schade aan een ander was toegebracht;
subsidiair: op 11 september 2024 in Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een heg en/of een tuinhuisje, die toebehoorde(n) aan een ander, heeft vernield en/of beschadigd;
feit 3
op 11 september 2024 in Muiden en/of Muiderberg en/of Naarden en/of Bussum en/of Hilversum niet heeft voldaan aan het bevel om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek;
feit 4
op 11 september 2024 in Muiden en/of Muiderberg en/of Naarden en/of Bussum en/of Hilversum niet heeft voldaan aan het bevel om medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek;
feit 5
op 11 september 2024 in Muiden en/of Muiderberg en/of Naarden en/of Bussum en/of Hilversum een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1, feit 3 en feit 4. De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 (primair en subsidiair) en feit 5. De advocaat voert voor deze feiten verschillende verweren over het bewijs. Deze verweren worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 3 en feit 5
De rechtbank oordeelt dat feit 3 en feit 5 niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Ten aanzien van feit 3
Aan de verdachte is als feit 3 ten laste gelegd dat hij op 11 september 2024 niet heeft voldaan aan een bevel om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Uit het dossier volgt echter niet dat de verdachte op die datum is
bevolenom hieraan medewerking te verlenen. In het dossier zit een ‘proces-verbaal rijden onder invloed’. [1] Uit dit proces-verbaal volgt alleen dat de verdachte niet heeft voldaan aan een
vorderingom medewerking te verlenen aan een
voorlopigademonderzoek. Deze vordering is geen bevel zoals bedoeld in artikel 163 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat het feit niet kan worden bewezen.
Ten aanzien van feit 5
Aan de verdachte is als feit 5 ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – op 11 september 2024 heeft gereden in een auto, terwijl hij ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft tijdens de zitting echter ontkend dat hij op 11 september 2024 al wist van de ongeldigverklaring. Volgens de verdachte heeft hij dit voor het eerst gehoord van de politie nadat hij werd aangehouden.
Gelet op deze ontkenning is het de vraag of uit het dossier volgt dat de verdachte al vóór zijn aanhouding – dus tijdens het rijden – wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring. In het dossier zit een brief van het CBR van 30 augustus 2024. [2] Deze brief is geadresseerd aan de verdachte. In de brief staat dat het rijbewijs van de verdachte met ingang van 6 september 2024 ongeldig is verklaard. Verder staat in de brief dat deze is betekend en per aangetekende post is verzonden. Het dossier bevat echter van de betekening en de postbezorging geen stukken. Het is daarom onbekend of, en zo ja wanneer en hoe, de verzending van de brief heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat het dossier ook geen aanwijzing bevat dat de verdachte vóór zijn aanhouding had kennisgenomen van de (inhoud van de) brief. Zo was de verdachte tijdens zijn aanhouding nog steeds in het bezit van zijn rijbewijs. De verdachte had zijn rijbewijs dus nog niet ingeleverd bij het CBR, zoals verzocht in de brief. Ook had de verdachte op dat moment nog niet deelgenomen aan het onderzoek naar zijn alcoholgebruik, zoals voorgeschreven in de brief. En de verdachte had nog niet voldaan aan het daarin opgenomen betalingsverzoek.
Onder deze omstandigheden kan niet worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. [3]
3.3.2.
Bewijsmiddelen feit 1, feit 2 primair en feit 4
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (zeer gevaarlijk rijgedrag), feit 2 primair (verlaten plaats ongeval) en feit 4 (niet voldoen aan bevel bloedonderzoek) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen feit 2 primair
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte van feit 2 primair moet worden vrijgesproken. Volgens de verdediging kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een verkeersongeval waarbij schade is ontstaan. De vermeende schade aan het tuinhuis en de heg volgt niet uit het dossier. Voor zover dit wel het geval is, kan niet worden vastgesteld dat de schade door toedoen van de verdachte is ontstaan. De verdachte zou in dat geval geen wetenschap van de schade hebben gehad en hij had hiervan redelijkerwijs ook geen vermoeden kunnen hebben. De verdediging heeft hiervoor aangevoerd dat het zou kunnen dat de schade is ontstaan nadat de verdachte de plaats van het ongeval had verlaten. De schade zou dan door toedoen van de politie kunnen zijn ontstaan. De politie is namelijk tegen de achterkant van de auto van de verdachte aangereden.
Feiten
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de nacht van 11 september 2024 als bestuurder van een auto heeft geprobeerd om te ontkomen aan de politie. Tijdens zijn vlucht is de verdachte met de auto op een voetpad terechtgekomen ter hoogte van de [adres] in [woonplaats] . De verdachte is vervolgens de heg van de tuin aan dit adres in gereden, waarna de auto tot stilstand kwam. De verdachte is uitgestapt en is het naastgelegen park in gerend. In het park heeft hij zich in de bosjes verstopt voor de politie. Na dit voorval heeft de eigenaar van de heg, [aangever] , zijn camerabeelden teruggekeken. Op die beelden zag hij dat de heg bewoog op het moment dat de auto van de verdachte daar ‘met hogere snelheid’ in terechtkwam en daarbij was een hard geluid te horen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Uit de genoemde feiten volgt dat de verdachte als bestuurder van een auto een verkeersongeval heeft veroorzaakt door de heg van de tuin van [aangever] in te rijden. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte onder de genoemde omstandigheden (de snelheid van de auto, het bewegen van de heg en het harde geluid) redelijkerwijs moest vermoeden dat hierdoor schade aan de heg was ontstaan. Weliswaar is de politie tegen de achterkant van de auto van de verdachte aangereden, maar dat maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Op de camerabeelden in het dossier is namelijk te zien dat de verdachte eerst de heg in reed en dat pas daarna de botsing met de politie plaatsvond.
De rechtbank is daarom van oordeel dat feit 2 primair wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 11 september 2024 te Muiden en Muiderberg en Naarden en Bussum en Hilversum, als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Zuidpolderweg en de Naardervaart en de Rijksweg en de Keverdijk en de Burgemeester Jur. Visserlaan en de Koningin Wilhelminalaan en de Cort van der Lindenlaan en de Zwarteweg en de Groot Hertoginnelaan en de Hilversumse Meentweg en de Noordermeent en de Rietmeent, terwijl het donker was en de weersomstandigheden het zicht op de weg beperkten, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
- gedurende een langere tijd met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig bij wet vastgestelde maximumsnelheid te rijden,
- meermalen in strijd met artikel 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op een kruispunt niet te stoppen voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,
- meermalen in strijd met artikel 83 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een stopteken te negeren en/of het niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van de daartoe op grond van de Wegenverkeerswet 1994 bevoegde personen,
- meermalen geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod inhield, door de middengeleider met daarop bord D2 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een naar rechts wijzende pijl, niet rechts, maar links voorbij te rijden, en/of met een naar links wijzende pijl, niet links, maar rechts voorbij te rijden en op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg te rijden,
- in strijd met artikel 78 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de richting te volgen die op de voorsorteerstrook waarop hij zich bevond aan werd gegeven en/of op een voorsorteervak met een verplichte rijrichting linksaf, rechtdoor te rijden,
- meermalen een ander voertuig op de weg af te snijden,
- meermalen tegen de verkeersrichting in te rijden,
- meermalen plotseling te remmen terwijl er een ander voertuig achter hem reed, ten gevolge waarvan de bestuurder van het achter hem rijdende voertuig moest remmen, teneinde een aanrijding met de personenauto van hem te voorkomen,
- meermalen te rijden met een geopende portier aan de bestuurderszijde en
- over het voetpad heen te rijden,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
feit 2 primair
als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [woonplaats] op de [straat] op 11 september 2024, de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangever] ) schade was toegebracht;
feit 4
op 11 september 2024 te Naarden, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig, te weten een personenauto, te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2 primair
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 4
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 8 weken, waarvan een gedeelte van 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden;
- een taakstraf van 60 uur;
- een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (hierna: een rijontzegging) van 1 jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten in een zeer lastige periode van zijn leven zat. Hij heeft het nog steeds lastig, maar het gaat inmiddels wel beter met hem. De advocaat verzoekt om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Mocht de rechtbank dat nodig achten, dan kunnen hierbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd. De verdachte is bereid om zich aan die voorwaarden te houden. De advocaat voert aan dat één onderdeel van die voorwaarden, te weten de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname, een brug te ver is en daarom niet opgelegd moet worden. De advocaat verzoekt verder om aan de verdachte geen rijontzegging op te leggen. De verdachte is namelijk al 15 maanden zijn rijbewijs kwijt. Daarbij komt dat de verdachte zijn werk als stratenmaker weer wil oppakken en hiervoor heeft hij een rijbewijs nodig.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De politie zag de verdachte in de nacht van 11 september 2024 rijden in een auto door Muiden. Het rijgedrag van de verdachte viel op omdat hij veel harder reed dan ter plaatse was toegestaan. Nadat de verdachte vervolgens op een kruispunt door rood licht reed, heeft de politie hem een stopteken gegeven. De verdachte heeft dit stopteken genegeerd en is op de vlucht geslagen. Tijdens deze vlucht heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico’s genomen. Zo heeft hij zowel binnen als buiten de bebouwde kom snelheden bereikt waarbij meer dan twee keer de toegestane maximumsnelheid werd overschreden. Ook is hij daarna nogmaals door rood gereden. Verder heeft de verdachte op meerdere stukken op de verkeerde weghelft gereden. Dit deed hij onder andere om te voorkomen dat de politie hem zou inhalen, waarbij de verdachte ook meerdere malen de politie afsneed en hard remde. Hierdoor moest de politie zelf ook hard remmen om een ongeval met de verdachte te voorkomen. Dit alles terwijl de verdachte onder invloed was van alcohol en verdovende middelen. Bovendien was het donker en was sprake van slecht zicht door een hevige regenbui.
De verdachte heeft met zijn rijgedrag zeer onverantwoord gedrag vertoond en daarbij de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank kan tot geen andere conclusie komen dan dat de verdachte op nietsontziende wijze heeft geprobeerd om aan de politie te ontkomen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om te begrijpen dat het roekeloze rijgedrag van de verdachte zeer ernstige gevolgen had kunnen hebben. Er mag dan ook van geluk worden gesproken dat er niemand gewond is geraakt.
De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat hij, nadat zijn auto in de heg van de tuin van [aangever] tot stilstand was gekomen, zijn vlucht te voet heeft voortgezet en dat hij na zijn aanhouding niet heeft meegewerkt aan onderzoeken naar zijn alcoholgebruik en gebruik van verdovende middelen. De verdachte was kennelijk op die momenten nog steeds niet bereid om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn roekeloze rijgedrag en de gevolgen daarvan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennis genomen van:
  • een uittreksel uit de Justitiële Documentatie over de verdachte van 12 mei 2025 (hierna: het strafblad);
  • een reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Inforsa Hilversum van 1 december 2025.
Uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij op 31 augustus 2020 is veroordeeld voor rijden onder invloed van alcohol. Dat betekent dat tijdens het plegen van de onderhavige verkeersdelicten nog geen vijf jaar was verstreken sinds die veroordeling. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte daarom in strafverzwarende zin meewegen.
Uit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden inschat op gemiddeld. De reclassering ziet het middelengebruik van de verdachte, het psychosociaal functioneren en zijn houding als direct delictgerelateerde factoren. De reclassering heeft verder het vermoeden dat bij de verdachte sprake is van psychische kwetsbaarheid. Er spelen volgens de reclassering meerdere problemen in het leven van de verdachte. De reclassering ziet huisvesting, dagbesteding, financiën, relatie met familie en het sociaal netwerk als probleemgebieden. Volgens de reclassering is de verdachte gemotiveerd om zijn leven te beteren, maar lijkt hij zich ook enigszins te verzetten tegen de geboden hulp. De reclassering acht interventies vanuit een forensisch drangkader nodig om tot gedragsverandering te komen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • meewerken met ambulante behandeling (met een mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname);
  • verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • inspannen voor het vinden en behouden van een acceptabele en controleerbare dagbesteding;
  • meewerken aan schuldhulpverlening;
  • meewerken aan middelencontrole.
De reclassering ziet geen zwaarwegende negatieve consequenties bij een gevangenisstraf. Verder behoort ook het opleggen van een taakstraf tot de mogelijkheden. Een financiële sanctie zou volgens de reclassering echter onwenselijk zijn.
Strafkader en straf
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor feit 1 (zeer gevaarlijk rijgedrag) en feit 2 primair (verlaten plaats ongeval) zijn er geen oriëntatiepunten. Voor die feiten worden in andere zaken uiteenlopende taak- en/of gevangenisstraffen opgelegd, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het oriëntatiepunt voor feit 4 (niet voldoen aan bevel bloedonderzoek) is een geldboete van € 1.000,- en een rijontzegging van 9 maanden. De rechtbank merkt hierbij op dat in dit geval voor de strafoplegging het zwaartepunt bij het zeer gevaarlijke rijgedrag ligt.
De rechtbank is van oordeel dat de ernst en de omstandigheden van de gepleegde feiten de oplegging van een gevangenisstraf rechtvaardigen. Mede in verband met een juiste normhandhaving is een zodanige straf passend en geboden. De rechtbank zal een langere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, maar zij legt deze wel geheel voorwaardelijk op. Deze voorwaardelijke straf vormt enerzijds een onderstreping van de ernst van de gepleegde feiten en zorgt anderzijds ervoor dat de verdachte een forse stok achter de deur heeft om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank heeft hierbij ook meegewogen dat de verdachte op de zitting spijt heeft betuigd en opening van zaken heeft gegeven over de door hem gepleegde feiten. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat bij de verdachte sprake is van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden, maar dat hij gemotiveerd lijkt om zijn leven te beteren. Ook lijkt het erop dat de verdachte hiertoe al een aantal stappen heeft gezet. Zo heeft de verdachte inmiddels weer een vaste verblijfplaats en heeft hij opdrachtgevers benaderd om weer als stratenmaker aan de slag te gaan. De op te leggen straf moet daarom mede bijdragen aan deze positieve ontwikkelingen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit kunnen doorkruisen.
Zoals hiervoor toegelicht, adviseert de reclassering het opleggen van bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal dit advies overnemen en de bijzondere voorwaarden aan de verdachte opleggen. Hiermee wordt beoogd dat de verdachte de voornoemde positieve ontwikkelingen kan doorzetten en verder aan zichzelf kan werken. De rechtbank zal als onderdeel van die voorwaarden ook de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname opleggen, omdat de rechtbank van oordeel is dat ook dat onderdeel in het belang van de verdachte is.
De rechtbank zal de verdachte ook een taakstraf opleggen en die is ruim hoger dan door de officier van justitie is geëist. De reden hiervoor is dat – gelet op de ernst van de gepleegde feiten en de geheel voorwaardelijke gevangenisstraf – er nog wel voldoende vergelding van de straf moet uitgaan.
De rechtbank zal verder – wederom gelet op de ernst van de gepleegde feiten – de rijontzegging opleggen zoals die door de officier van justitie is geëist, maar wel geheel voorwaardelijk. De verdachte heeft namelijk sinds september 2024 geen rijbewijs meer. Sindsdien zijn meer dan 15 maanden verstreken. Het is daarbij niet de verwachting dat de verdachte op korte termijn zijn rijbewijs zal terugkrijgen, omdat hiervoor eerst het onderzoek van het CBR naar zijn alcoholgebruik moet plaatsvinden. De rechtbank weegt verder mee dat het aannemelijk is dat de verdachte, als hij straks weer als stratenmaker aan de slag zal gaan, de beschikking moet hebben over een geldig rijbewijs. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het passend is om de rijontzegging geheel voorwaardelijk op te leggen. Hiermee heeft de verdachte ook een extra stok achter de deur om niet opnieuw in de fout te gaan.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte de volgende straffen op:
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 weken, met een proeftijd van 2 jaar en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden;
  • een taakstraf van 150 uur, te vervangen door 75 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
  • een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar, met een proeftijd van 2 jaar.

6.Beslag

6.1.
De in beslag genomen goederen
Tijdens het onderzoek naar de aan de verdachte ten laste gelegde feiten zijn de volgende goederen in beslag genomen:
  • 2 STK schroevendraaiers (goednummer: PL0900-2024287744-G3403156);
  • 1 STK schroevendraaier (goednummer: PL0900-2024287744-G3403157);
  • 1 STK computer (goednummer: PL0900-2024287744-G3403158);
  • 1 STK gereedschap (goednummer: PL0900-2024287744-G3403160);
  • 1 STK breekijzer (goednummer: PL0900-2024287744-G3403155);
  • 1 STK hamer (goednummer: PL0900-2024287744-G3403159).
6.2.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de in beslag genomen goederen worden teruggegeven aan de verdachte.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal bepalen dat de in beslag genomen goederen worden teruggegeven aan de verdachte. Dit aangezien de goederen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 5a, 7, 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 en feit 5 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1, feit 2 primair en feit 4 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1, feit 2 primair en feit 4 bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn
  • stelt als
o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende
de proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte:
o zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Inforsa op het adres Noorderweg 68 te Hilversum. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
o meewerkt met ambulante begeleiding van E25 of een soortgelijke instelling totdat er een plek is bij een instelling voor beschermd wonen. Het kan ook zijn dat er tijdens de proeftijd wordt beoordeeld dat er sprake is van een andere vorm stabiele huisvesting, waardoor de ambulante begeleiding blijft zo lang de reclassering dit nodig acht;
o meewerkt aan diagnostiek en zich laat behandelen door Forensisch Ambulante Zorg Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of (aanvullende) diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
o verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start bij plaatsing en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
o zich inspant voor het vinden en behouden van acceptabele en controleerbare dagbesteding, met een vaste structuur;
o meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
o meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt de verdachte tot
een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;
  • ontzegtde verdachte de
    bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
    1 (één) jaar;
  • bepaalt dat deze ontzegging in zijn
  • stelt als
beslag
-
gelast de teruggaveaan de verdachte van de volgende goederen:
o 2 STK schroevendraaiers (goednummer: PL0900-2024287744-G3403156);
o 1 STK schroevendraaier (goednummer: PL0900-2024287744-G3403157);
o 1 STK computer (goednummer: PL0900-2024287744-G3403158);
o 1 STK gereedschap (goednummer: PL0900-2024287744-G3403160);
o 1 STK breekijzer (goednummer: PL0900-2024287744-G3403155);
o 1 STK hamer (goednummer: PL0900-2024287744-G3403159).
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen, voorzitter, mrs. V.A. Groeneveld en B.F. Hammerle, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
De oudste rechter, jongste rechter en griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 11 september 2024 te Muiden, gemeente Gooise Meren en/of te
Muiderberg en/of te Naarden en/of te Bussum en/of te Hilversum, althans in
Nederland, als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende
op de weg, de Zuidpolderweg en/of de Naardervaart en/of de Rijksweg en/of de
Keverdijk en/of de Burgemeester Jur. Visserlaan en/of de Koningin Wilhelminalaan
en/of de Cort van der Lindenlaan en/of de Zwarteweg en/of de Groot
Hertoginnelaan en/of Hilversumse Meentweg en/of de Noordermeent en/of de
Rietmeent, terwijl het donker was en/of terwijl de weersomstandigheden het zicht
op de weg beperkten, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels
in ernstige mate werden geschonden door,
- gedurende een langere tijd met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse
voor dat voertuig bij wet vastgestelde maximumsnelheid, in elk geval met een
aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer, mede gezien de
weersomstandigheden, ter plaatse geboden was, te rijden,
- meermalen, althans eenmaal, in strijdt met artikel 68 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 op een kruispunt niet te stoppen voor een
voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde,
- meermalen, althans eenmaal, in strijdt met artikel 83 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990 een stopteken te negeren en/of het niet
opvolgen van verkeersaanwijzingen van de daartoe op grond van de
Wegenverkeerswet 1994 bevoegde personen,
- meermalen, althans eenmaal, geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een
gebod of een verbod inhield, door de middengeleider met daarop bord D2 van de
bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een naar
rechts wijzende pijl, niet rechts, maar links voorbij te rijden, en/of met een naar
links wijzende pijl, niet links, maar rechts voorbij te rijden en/of geheel of
gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg
te rijden,
- in strijdt met artikel 78 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
niet de richting te volgen die op de voorsorteerstrook waarop hij zich bevond aan
werd gegeven en/of op een voorsorteer vak met een verplichte rijrichting linksaf,
rechtdoor te rijden,
- meermalen, althans eenmaal, andere voertuigen op de weg af te snijden,
- meermalen, althans eenmaal, tegen de verkeersrichting in te rijden,
- meermalen, althans eenmaal, plotseling te remmen terwijl er een ander voertuig
achter hem reed en/of anderszins snelheid heeft geminderd, tengevolge waarvan de
bestuurder van het achter hem rijdende voertuig moest remmen en/of uitwijken,
teneinde een aanrijding met de personenauto van hem te voorkomen,
- meermalen, althans eenmaal, te rijden met een geopende portier aan de
bestuurderszijde en/of
- over het voetpad heen te rijden,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
2
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was
geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [woonplaats] op de
[straat] ,
op of omstreeks 11 september 2024
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een
ander (te weten [aangever] ) schade was toegebracht;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 september 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk een heg en/of een tuinhuisje, in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander
toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of
weggemaakt;
3
hij op of omstreeks 11 september 2024 te Muiden, gemeente Gooise Meren en/of te
Muiderberg en/of te Naarden en/of te Bussum en/of te Hilversum, in elk geval in
Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een
voertuig, te weten een personenauto, te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van
de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen
medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de
verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat
en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar
ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;
4
hij op of omstreeks 11 september 2024 te Muiden, gemeente Gooise Meren en/of te
Muiderberg en/of te Naarden en/of te Bussum en/of te Hilversum, in elk geval in
Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een
voertuig, te weten een personenauto, te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van
de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven
bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de
Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een
bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
5
hij op of omstreeks 11 september 2024 te Muiden, gemeente Gooise Meren en/of te
Muiderberg en/of te Naarden en/of te Bussum en/of te Hilversum, althans in
Nederland, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam
gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten
categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor
het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was
afgegeven, op de weg, de Zuidpolderweg en/of de Naardervaart en/of de Rijksweg
en/of de Keverdijk en/of de Burgemeester Jur. Visserlaan en/of de Koningin
Wilhelminalaan en/of de Cort van der Lindenlaan en/of de Zwarteweg en/of de
Groot Hertoginnelaan en/of Hilversumse Meentweg en/of de Noordermeent en/of
de Rietmeent, als bestuurder een motorrijtuig, (een personenauto), van die
categorie of categorieën heeft bestuurd;
Bijlage II: Bewijsmiddelen [4]
Feit 1 en feit 4
De verdachte bekent dat hij feit 1 (zeer gevaarlijk rijgedrag) en feit 4 (niet voldoen aan bevel bloedonderzoek) heeft gepleegd, zodat deze feiten bewezen zijn verklaard. Door hem of zijn advocaat is ook niet om vrijspraak van de feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
feit 1
- de bekennende verklaring van de verdachte tijdens de zitting van 17 december 2025;
- een proces-verbaal van bevindingen van 12 september 2024, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , houdende een verklaring van voornoemde verbalisanten; [5]
feit 4
- de bekennende verklaring van de verdachte tijdens de zitting van 17 december 2025;
- een proces-verbaal rijden onder invloed van 4 november 2024, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 2] , houdende een verklaring van voornoemde verbalisanten. [6]
Feit 2 primair
Een
proces-verbaal van bevindingenvan verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 12 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 11 september 2024, omstreeks 01:40 uur, zagen wij een wit voertuig rijden. Na een achtervolging van dit voertuig zagen wij dat het voertuig een voetpad opreed ter hoogte van de [adres] in [woonplaats] . Wij zagen dat het voertuig tot stilstand kwam in de struiken van de tuin van dit adres. Wij zagen dat de verdachte uitstapte en over het voetpad het park in rende. Wij zagen dat er verder geen personen in het voertuig aanwezig waren. Ik, [verbalisant 2] , riep met een luide stem dat de verdachte was aangehouden en moest stoppen. De verdachte gaf hier geen gehoor aan. Wij zagen dat de verdachte doorrende. Ik, [verbalisant 2] , zag dat de verdachte op zijn hurken in de bosjes zat. [7]
Na zijn aanhouding kon de verdachte zichzelf identificeren als: [voornamen](de rechtbank begrijpt: [verdachte] )
. [8]
Een
proces-verbaal van aangiftevan [aangever] van 26 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 11 september 2024, om 01:47 uur, was ik in mijn woning die is gelegen aan de [adres] in [woonplaats] . Ik schrok wakker van een hard geluid. Ik besloot de videobeelden van mijn beveiligingscamera terug te kijken. Ik zag op de videobeelden dat een wit voertuig, met hogere snelheid, mijn heg in reed. Ik zag dat de heg bewoon(de rechtbank begrijpt: bewoog)
op het moment dat het voertuig in kwam rijden. Ik hoorde op de videobeelden een hard geluid op het moment dat het voertuig mijn tuin in kwam rijden. [9]

Voetnoten

1.Het ‘proces-verbaal rijden onder invloed’ van 4 november 2024, genummerd PL0900-2024287762-1, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 2] (pagina’s 72 en 73 van het proces-verbaal met nummer PL0900-2024287781).
2.De brief is gevoegd als bijlage bij het ‘proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994’ van 19 september 2024, genummerd PL0900-2024287781-13, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 86 tot en met 90 van het proces-verbaal met nummer PL0900-2024287781).
3.Hoge Raad 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146.
4.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024287781, doorgenummerd pagina 1 tot en met 106. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
5.Pagina 51 tot en met 54.
6.Pagina’s 72 en 73.
7.Pagina 51 tot en met 53.
8.Pagina 54.
9.Pagina 24.