ECLI:NL:RBMNE:2025:7069

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
604094 HA RK 25-222
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in civiele schadezaak

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen een van de rechters die de hoofdzaak behandelt, waarin zij als gedaagde partij optreedt. De hoofdzaak betreft een schadevordering van de eisende partij wegens niet-nakoming van contractuele verplichtingen. De rechter had als voorzieningenrechter eerder verlof verleend voor conservatoir beslag op verzoek van de eisende partij.

Verzoekster stelde dat de rechter door het verlenen van het beslagverlof al een inhoudelijk oordeel had gegeven over de hoogte van de schadevergoeding, waardoor sprake zou zijn van vooringenomenheid. De rechter ontkende dit en stelde dat het beslagverlof op een lage drempel wordt verleend zonder inhoudelijke toetsing van de schadevordering.

De wrakingskamer oordeelde dat het enkele feit dat een rechter in een eerder stadium betrokken is geweest bij een zaak niet leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Het verlenen van beslagverlof is een summiere toets op basis van het verzoekschrift en onderliggende stukken, zonder inhoudelijke beoordeling van de schade. Daarom is de vrees van verzoekster ongegrond en wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was voor het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen omdat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestaat.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 604094 HA RK 25-222
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van31 december 2025
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: verzoekster,
bijgestaan door mr. Ch.P.A.T. van Goethem en mr. D. Muis, advocaten in Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 12 december 2025 mr. D. Wachter gewraakt. Mr. D. Wachter (hierna: de rechter) is één van de behandelend rechters in de zaak met het zaaknummer C/16/561531 HA-ZA 23-526 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 30 december 2025 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer.
Bij de zitting waren aanwezig:
  • [A] , directeur van verzoekster;
  • mr. Ch.P.A.T. van Goethem en mr. D. Muis, advocaten van verzoekster;
  • de rechter.
1.3.
Daarnaast waren als toehoorder aanwezig: dhr. [B] , eisende partij in de hoofdzaak, met zijn advocaat mr. M. van Nee;
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Voor een goed begrip van deze beslissing is het volgende van belang.
2.2.
In de hoofdzaak is verzoekster de gedaagde partij. Die zaak wordt behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank en de rechter is één van de rechters van die meervoudige kamer (hierna: de rechtbank).
2.3.
Bij tussenvonnis van 17 juli 2024 heeft de rechtbank in de hoofdzaak geoordeeld dat verzoekster de schade moet vergoeden die de eisende partij ( [B] ) heeft geleden omdat, kort gezegd, verzoekster haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen. Bij tussenvonnis van 22 januari 2025 heeft de rechtbank een deskundige benoemd om de hoogte van die schade vast te stellen. Op 2 oktober 2025 is er een definitief deskundigenbericht verschenen.
2.4.
De rechter heeft als voorzieningenrechter op 21 oktober 2025 aan [B] verlof verleend om conservatoir beslag te leggen onder verzoekster.
2.5.
In de hoofdzaak hebben beide partijen in november 2025 een conclusie na deskundigenbericht genomen. De hoofdzaak staat voor vonnis op 21 januari 2026.
2.6.
Op 10 december 2025 heeft mr. Van Goethem vernomen dat de rechter behandelend rechter blijft in de hoofdzaak en daarin dus een eindoordeel zal moeten geven over de hoogte van de schadevergoeding die verzoekster moet betalen aan [B] .
2.7.
Ter onderbouwing van haar wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd. In de beslagprocedure heeft de rechter onder andere een begroting gemaakt van de vordering van [B] . Mede op basis daarvan is het beslagverlof verleend. Hiermee heeft de rechter een voorlopig oordeel gegeven over de deugdelijkheid van de (hoogte van de) vordering van [B] . De rechter heeft dus al een inhoudelijk oordeel gegeven dat rechtstreeks raakt aan de beslissing die in hoofdzaak nog moet worden genomen over de hoogte van de schadevergoeding. De rechter is vooruit gelopen op het eindvonnis in de hoofdzaak. Daarom is er een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter. Dat een rechter in een beslagprocedure maar een summiere toets maakt, doet daar niet aan af. Verzoekster heeft er geen vertrouwen in dat de argumenten die zij naar voren heeft gebracht in haar conclusie na deskundigenbericht, nog serieus door de rechter zullen worden overwogen.
2.8.
De rechter heeft niet berust in de wraking. Dit betekent dat hij het niet eens is met de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Hij heeft aangevoerd dat het verlof om conservatoir beslag te leggen wordt verleend met inachtneming van de wet en aan de hand van de Beslagsyllabus [1] . Voor het verlenen van beslagverlof geldt een lage drempel. Als er voldoende wordt gesteld en onderbouwd, dan wordt het verlof verleend zonder verder onderzoek en zonder dat de wederpartij wordt gehoord. Niet wordt getoetst of de vordering terecht is en of het bedrag waarvoor beslag wordt gelegd, toewijsbaar is. Dat gebeurt nu juist in de bodemzaak (de hoofdzaak). Met de beslissing om verlof te verlenen voor een beslaglegging wordt op geen enkele wijze vooruitgelopen op een (in dit geval) meervoudig te geven oordeel in de hoofdzaak.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
In artikel 36 Rv Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt dus in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat hij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat hij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of hij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.3.
De door verzoekster aangevoerde argumenten houden geen verband met de persoonlijke instelling van de rechter, maar met de vrees voor vooringenomenheid omdat de rechter als beslagrechter een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de schadevordering van [B] en daardoor zijn oordeel in de hoofdzaak ook al heeft gevormd. De wrakingskamer moet beoordelen of de vrees voor vooringenomenheid die verzoekster heeft, objectief gerechtvaardigd is.
3.4.
De wrakingskamer overweegt dat het enkele feit dat een rechter in een eerder stadium van een procedure al bemoeienis heeft gehad met de zaak, op zichzelf niet de vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigt. Dit kan anders zijn als er bijkomende omstandigheden zijn. Bijvoorbeeld als een rechter eerder als voorzieningenrechter een zodanig oordeel over de zaak heeft uitgesproken dat hij al op de einduitspraak in de zaak is vooruitgelopen. [2] Volgens verzoekster heeft de rechter in de beslagzaak al een ‘zodanig oordeel over de zaak uitgesproken’.
3.5.
De wrakingskamer overweegt als volgt. Voor het verkrijgen van verlof om conservatoir beslag te leggen geldt een lage drempel: het verlof wordt verleend als in het beslagrekest een voldoende feitelijke beschrijving wordt gegeven van (a) de vordering en (b) de grondslag daarvan. Het gaat om een zogenaamde ‘ex parte’ beslissing; de beoordeling vindt plaats op basis van alleen het verzoekschrift. Het standpunt van de wederpartij wordt in beginsel niet gevraagd. Er wordt alleen gekeken of in het verzoekschrift de vereiste informatie is verstrekt en of die informatie wordt onderbouwd door de bijgeleverde stukken.
3.6.
In dit geval heeft de onderbouwing bestaan uit het deskundigenbericht. Maar, met de verlening van het verlof heeft de rechter dus alleen geoordeeld dat [B] heeft voldaan aan de stelplicht voor het leggen van conservatoir beslag. Het deskundigenbericht is niet inhoudelijk beoordeeld; er is alleen vastgesteld dat het er is en dat daarin een schadebedrag wordt genoemd. De rechter heeft niet beoordeeld of dat schadebedrag juist is. Dat oordeel wordt gegeven in de hoofdprocedure en daarop wordt bij een beslagverlof niet vooruitgelopen.
3.7.
Dat betekent dat met het verlenen van verlof om conservatoir beslag te leggen niet wordt geoordeeld over een rechtsvraag die in de hoofdzaak aan de orde is. Met andere woorden: waar verzoekster bang voor is, namelijk dat de rechter zich al een eindoordeel heeft gevormd over de hoogte van de schadevergoeding, is niet gebeurd. Daarmee is de vrees voor vooringenomenheid niet objectief gerechtvaardigd. De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek daarom af.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekster, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken(en) (partijen), de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer C/16/561531 HA-ZA 23-526 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. F.C. Burgers, als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N.S. Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Een op www.rechtspraak.nl gepubliceerde handleiding met daarin
2.Vergelijk de uitspraken van het EHRM van 24 mei 1989, ECLI:NL:XX:1989:AD0800, NJ 1990/627, van 10 juni 1996, ECLI:NL:XX:1996:AD4437, NJ 1998/184, en van 15 februari 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA6783, NJ 20007/536 en van de Hoge Raad van 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4004 en van 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4012.