In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 9 december 2025 uitspraak gedaan op het verzet van de opposant tegen een eerdere uitspraak van 7 mei 2025, waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. De opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, dat op 25 maart 2024 was genomen en op 25 april 2024 was verzonden. De rechtbank oordeelde dat er geen twijfel was over de uitkomst van de zaak, waardoor een zitting niet nodig was, conform artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In zijn verzetschrift stelde de opposant dat hij problemen had met de ontvangst van zowel aangetekende als niet aangetekende post, wat zou hebben geleid tot een termijnoverschrijding die als verschoonbaar zou moeten worden beschouwd. Hij verwees naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en meldde dat hij sinds november 2024 lijdt aan een ernstige hernia, wat zijn fysieke mogelijkheden zou beperken.
De rechtbank concludeerde echter dat de opposant niet had aangetoond dat het verzuim niet aan hem kon worden toegerekend. De rechtbank had eerder op 27 november 2024 een aangetekende brief gestuurd waarin de opposant werd geïnformeerd over de betaling van het griffierecht. De track & trace gegevens toonden aan dat deze brief op 29 november 2024 was bezorgd. De rechtbank oordeelde dat de regels voor het voldoen van het griffierecht strikt zijn en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de opposant vrijstelden van zijn verplichtingen.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en bleef de eerdere uitspraak van 7 mei 2025 in stand. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 9 december 2025.