ECLI:NL:RBMNE:2025:7191

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
25/4322
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak tussen een verzoeker en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De zaak betreft een verzoek om proceskostenvergoeding na het intrekken van een beroep. Verzoeker had in eerste instantie beroep ingesteld omdat het Uwv niet tijdig had beslist op zijn bezwaar van 13 november 2024 tegen een besluit van 30 oktober 2024. Na een beslissing van het Uwv op 11 november 2025, trok verzoeker zijn beroep in en vroeg om vergoeding van de proceskosten. Het Uwv weigerde deze vergoeding, omdat verzoeker geen ingebrekestelling had ingediend.

De rechtbank oordeelde dat het niet nodig was om partijen uit te nodigen voor een zitting. De rechtbank stelde vast dat verzoeker geen ingebrekestelling had verstuurd voordat hij beroep instelde, wat een voorwaarde is voor het indienen van beroep volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker had op 29 mei 2025 per e-mail een ingebrekestelling gestuurd, maar het Uwv had geen kennisgeving gedaan dat elektronische indiening was toegestaan. Hierdoor kon de rechtbank niet vaststellen dat verzoeker aan de voorwaarden voor het indienen van beroep had voldaan.

De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk was en dat het verzoek om proceskostenvergoeding daarom werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink en griffier I. van Ittersum, en is openbaar uitgesproken op 5 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. U. Özcan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een proceskostenvergoeding van verzoeker. Verzoeker heeft in eerste instantie beroep ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 13 november 2024 tegen het besluit van 30 oktober 2024. Verweerder heeft op 11 november 2025 een beslissing genomen op het bezwaar van verzoeker. Verzoeker heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
Op verzoek van de rechtbank om een reactie hierop, heeft verweerder schriftelijk meegedeeld dat geen aanleiding wordt gezien om de proceskosten te vergoeden omdat geen ingebrekestelling is ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift, kan de betrokkene beroep instellen. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit volgt uit artikel 6:12 van de Awb.
4. Verzoeker stelt op 29 mei 2025 per e-mail een ingebrekestelling te hebben gestuurd aan verweerder. Verweerder stelt geen ingebrekestelling te hebben ontvangen en wijst er bovendien op dat de elektronische weg niet is opengesteld voor ingebrekestellingen.
5. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. Vaststaat dat het Uwv niet kenbaar heeft gemaakt dat de mogelijkheid van elektronische verzending van berichten aan het Uwv is opengesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoeker geen ingebrekestelling heeft verstuurd vóór het indienen van het beroepschrift van 23 juli 2025. Verzoeker wijst nog op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 januari 2017 [2] , maar anders dan in die uitspraak zijn er in deze procedure geen mededelingen gedaan door verweerder waardoor verzoeker er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat hij de ingebrekestelling toch per e-mail mocht versturen.
6. Nu verzoeker niet kan onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van aangetekende verzending, dat voorafgaand aan het beroep niet tijdig beslissen een ingebrekestelling is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Nu geen ingebrekestelling aan het beroep niet tijdig beslissen ten grondslag ligt was het beroep niet-ontvankelijk. Doordat het beroep is ingetrokken, komt de rechtbank niet toe aan een niet-ontvankelijkverklaring. Het betekent wel dat een verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).