Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, waarop verweerder niet tijdig heeft beslist. Na ingebrekestelling op 24 maart 2025 en het verstrijken van de wettelijke beslistermijn, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn realistisch, wat in deze zaak betekent dat verweerder uiterlijk 24 april 2026 een besluit moet nemen.
De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter P.J. Blok op 5 december 2025.