Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waarop eiseres een ingebrekestelling stuurde en vervolgens beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder in gebreke is gesteld. De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch beschouwt.
In deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk op 13 juli 2026 een besluit op bezwaar moet nemen. De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter M. van der Knijff en griffier M.A.W.M. Engels op 3 december 2025. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.