Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , gemeente [gemeente] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Het geschil met betrekking tot belastingjaar 2022 (UTR 22/5614)
1 januari 2021. Eiser bepleit in beroep een lagere waarde. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 559.000,- voor de woning en € 43.000,- voor de garage.
€ 1.245,- per m². Dit komt neer op een ruimte in de taxatiematrix van € 168.075,-.Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt. De WOZ-waarde van de garage is hetzelfde gewaardeerd als de vrijstaande garage bij referentiewoning [adres 3] . Er zijn door eiser ten aanzien van de waarde van de garage ook geen gronden aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat dit niet juist is.
1 januari 2022. Eiser bepleit in beroep een lagere waarde. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 636.000,- voor de woning en € 38.000,- voor de garage.
1 januari 2023. Eiser bepleit in beroep een lagere waarde. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 618.000,- voor de woning en € 38.000,- voor de garage.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
19 december 2025.