Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 december 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
1.5 Eiser heeft daarna een aantal malen gereageerd.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per waardepeildatum 1 januari 2019, gesteld op €368.000, en vordert een lagere waarde van €90.756 op grond van een overeenkomst uit 2002. De rechtbank oordeelt dat eiser onjuist aanneemt dat de heffingsambtenaar gebonden is aan deze oude overeenkomst, omdat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele feiten en omstandigheden.
De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten, waarbij rekening is gehouden met verschillen in ligging, inhoud en perceelgrootte. De rechtbank acht deze onderbouwing voldoende en wijst het beroep af.
Eiser heeft herhaaldelijk dezelfde stellingen zonder nieuwe argumenten ingebracht, ondanks eerdere waarschuwingen en uitspraken van rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad. Daarom veroordeelt de rechtbank eiser in de proceskosten van de heffingsambtenaar, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, tot een bedrag van €148,02.
De rechtbank wijst verzoeken om uitstel van zittingen vanwege medische redenen deels af wegens onvoldoende onderbouwing. De uitspraak is gedaan door rechter G. de Jong en griffier F.B.H. Vermeulen op 27 december 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van €148,02.