ECLI:NL:RBMNE:2025:7334

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/16/603934 / JE RK 25-1866
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging verblijfplaats van een minderjarige door gecertificeerde instelling zonder toestemming van de kinderrechter

In deze zaak heeft de kinderrechter op 16 december 2025 een beschikking gegeven over de wijziging van de verblijfplaats van een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De gecertificeerde instelling, Samen Veilig Midden-Nederland, had verzocht om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen van een netwerkpleeggezin naar een neutraal pleeggezin. De kinderrechter had eerder op 11 december 2025 toestemming verleend voor deze wijziging, maar na het horen van de belanghebbenden op 16 december bleek dat de GI de kinderrechter niet volledig had geïnformeerd over de situatie van [minderjarige].

De moeder van [minderjarige] had op 10 december 2025 aangegeven naar een afkickkliniek in Zuid-Afrika te vertrekken, maar deze informatie was niet gedeeld met de kinderrechter of de pleegmoeder. De kinderrechter oordeelde dat de GI onterecht had gehandeld door de wijziging van verblijfplaats door te voeren zonder goedkeuring van de kinderrechter, en dat de beslissing op basis van onvolledige informatie was genomen. De kinderrechter heeft de belangen van [minderjarige] gewogen en besloten dat het in haar belang was om weer bij haar meerderjarige zus te verblijven, in plaats van in een neutraal pleeggezin. De kinderrechter heeft de wijziging van verblijfplaats herroepen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/603934 / JE RK 25-1866
Datum uitspraak: 16 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een vervolg toestemming wijziging verblijfplaats met spoed
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
mr. A.L. Witteveen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
(volgens het GBA) verblijvende in [Land] ,
mr. H.H.M. Helleman.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft in deze procedure eerder een beschikking gewezen op 11 december 2025. De kinderrechter heeft in die beschikking toestemming verleend aan de GI tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin naar een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 december 2025 voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 29 januari 2026. Voor het procesverloop tot 11 december 2025 verwijst de kinderrechter naar de beschikking van die datum.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 11 december 2025;
  • de mail van grootmoeder (moederszijde), ontvangen op 11 december 2025;
Onderdeel van de behandeling op de zitting is geweest de inhoud van de mail van grootmoeder (moederszijde) en de mails van de moeder met bijlagen, beide van 16 december 2025. Beide stukken zijn door de rechtbank ontvangen op 16 december 2025 (zittingsdatum), waardoor de kinderrechter voor de zitting hier geen kennis van kon nemen.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat mr. H.H.M. Helleman,
- de moeder (telefonisch) met haar advocaat mr. N. Schiettekatte, waarnemend voor mr. A.L. Witteveen;
- [persoon1] en [persoon2] , vertegenwoordigers van de GI;
- [persoon3] , pleegmoeder van [minderjarige] .
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de grootmoeder (moederszijde), [persoon4] , en aan [persoon5] , oom van [minderjarige] .
1.5.
Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van deze beslissing.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een neutraal pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 oktober 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 29 januari 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin (bij meerderjarige zus [persoon3] , mevrouw [persoon3] ) tot 29 januari 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2025 toestemming aan de GI verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin naar een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 december 2025 voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 29 januari 2026.

3.Wat moet er beoordeeld worden

De kinderrechter moet de belanghebbenden horen op het spoedverzoek van de GI dat door de kinderrechter op 11 december 2025 is toegewezen, waarbij in de beschikking bepaald is dat [minderjarige] niet langer in een netwerkpleeggezin zal verblijven maar in een voorziening voor pleegzorg (neutraal pleeggezin).

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het niet eens met de wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] . Namens de moeder is verweer gevoerd tegen deze beslissing.
4.2.
De vader is het ook niet eens met de wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] . Namens de vader is verweer gevoerd tegen deze beslissing.
5.
De beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter heeft de betrokkenen gehoord over het spoedverzoek tot wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] , van een netwerkpleeggezin naar een neutraal pleeggezin. De kinderrechter ziet reden om de beslissing van 11 december 2025 te wijzigen. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
5.2.
In de beschikking van 11 november 2025 is de reikwijdte van de machtiging tot uithuisplaatsing beperkt tot het netwerkpleeggezin van de meerderjarige zus van [minderjarige] , [persoon3] (hierna: pleegmoeder). De GI zag hierna reden om de machtiging tot uithuisplaatsing met spoed te wijzigen naar een neutraal pleeggezin. De veiligheid van [minderjarige] kon niet worden gewaarborgd, doordat de moeder grensoverschrijdend gedrag richting de pleegouders liet zien en continu conflicten veroorzaakte. Door dit gedrag van de moeder is de draagkracht van de pleegouders uitgeput geraakt en gaven zij bij de GI aan dat zij [minderjarige] niet langer meer konden opvangen. Ook liet [minderjarige] zorgelijke signalen zien die volgens de GI vanuit de neutraliteit van een ander pleeggezin verder onderzocht dienden te worden.
5.3.
Om de verblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen, heeft de GI een verzoek gedaan op grond van artikel 1:265i Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Uit deze bepaling volgt dat de GI toestemming van de kinderrechter nodig heeft voor wijziging in het verblijf van een minderjarige
die ten minste een jaardoor een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Die situatie is niet aan de orde. [minderjarige] verblijft immers pas sinds 11 november 2025 bij haar meerderjarige zus. De GI heeft daarnaast ook verzocht om op grond van artikel 1:265b BW een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Hoewel in de beschikking van 11 december 2025 artikel 1:265i BW is toegepast, grondt de kinderrechter de huidige beslissing op artikel 1:265b BW, omdat dit de juiste grondslag is voor onderhavig verzoek.
5.4.
De kinderrechter stelt vast dat op basis van de op 11 december 2025 bij de kinderrechter bekende gegevens een terechte beslissing is genomen. Tijdens de zitting is echter gebleken dat de schriftelijke informatie die de GI aan de rechter heeft verstrekt voor de beoordeling van het spoedverzoek niet volledig was ten tijde van het verzoek. Zo blijkt dat [minderjarige] al op 10 december 2025 in een neutraal pleeggezin is geplaatst, terwijl de GI pas op 11 december een schriftelijk spoedverzoek bij de rechtbank heeft ingediend. De GI heeft aldus gehandeld zonder goedkeuring van de kinderrechter. Verder blijkt tijdens de zitting dat de moeder op donderdagochtend 11 december naar een afkickkliniek in Zuid-Afrika is vertrokken. De moeder heeft dit voornemen op woensdag 10 december kenbaar gemaakt bij de GI door een bewijs van haar betaalde vliegticket te sturen. Ook deze informatie heeft de GI niet gedeeld met de kinderrechter op het moment van het spoedverzoek op 11 december. Uit het voorgaande volgt dat de kinderrechter door de handelswijze van de GI een beslissing heeft moeten nemen die gebaseerd was op onvolledige informatie. Een beslissing die wellicht anders was genomen als alle informatie bekend was geweest.
5.5.
Bovendien is gebleken dat de GI deze informatie over het vertrek van de moeder naar Zuid-Afrika niet heeft gedeeld met de pleegmoeder. De pleegmoeder heeft op de zitting verteld dat zij [minderjarige] niet langer kon opvangen door de onveiligheid die de moeder veroorzaakte. Omdat de moeder in Zuid-Afrika verblijft, is deze direct onveiligheid komen te vervallen en geeft de pleegmoeder aan dat zij [minderjarige] wel weer kan opvangen. Als de GI de pleegmoeder volledig had geïnformeerd dan had de GI daarom wellicht geen spoedverzoek tot wijziging verblijf hoeven in te dienen.
5.6.
De kinderrechter heeft bij haar beslissing het risico voor [minderjarige] meegewogen dat haar moeder, die de onveiligheid heeft veroorzaakt, mogelijk weer terugkomt. Maar vooralsnog ziet het er niet zo uit. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij echt van plan is om het traject af te maken en dat zij zelfs om een verlenging van enkele weken van het traject in Zuid-Afrika heeft verzocht. Dit risico van de terugkeer van de moeder weegt daarom volgens de kinderrechter niet op tegen de voordelen van de fijne en voor haar vertrouwde plek waar [minderjarige] kan verblijven bij haar pleegmoeder. Er zijn immers geen zorgen over de opvoedsituatie bij de pleegmoeder. De kinderrechter heeft wel met de pleegmoeder besproken dat deze beslissing van haar en haar partner vraagt dat zij de zorg voor [minderjarige] blijven volhouden. Het is niet in het belang van [minderjarige] om op korte termijn weer van pleeggezin te moeten wisselen. Eerder hebben pleegmoeder en haar partner de samenwerking met de GI niet als prettig ervaren waardoor met name twijfel bij de partner van de pleegmoeder ontstond over de plaatsing van [minderjarige] in zijn gezin. Op de zitting heeft de pleegmoeder aangegeven dat zij dit kunnen volhouden. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij zorg draagt voor een fijne samenwerking en dat zij de pleegouders ondersteunt waar nodig.
5.7.
De kinderrechter herroept met ingang van 16 december 2025 de wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin. Dat betekent dat [minderjarige] vanaf de dag van de beslissing weer bij haar meerderjarige zus hoort te verblijven. De kinderrechter acht het van belang dat de GI aan de Raad vraagt om de situatie, zoals hierboven geschetst, mee te nemen in het beschermingsonderzoek dat op dit moment plaatsvindt, zodat dit op de volgende zitting besproken kan worden. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat zij tot die tijd bij haar zus verblijft.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
herroept met ingang van 16 december 2025 de wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin, afgegeven bij beschikking van 11 december 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.