ECLI:NL:RBMNE:2025:7337

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
24/7424, 25/3420
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een ex-werkneemster in het kader van de Wet WIA met betrekking tot loonaanvullingsuitkeringen

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Midden-Nederland het beroep van eiseres tegen de toekenning van een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan de ex-werkneemster. De ex-werkneemster heeft zich op 27 augustus 2018 ziekgemeld en heeft na het doorlopen van de wachttijd op 22 mei 2020 een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft haar een WIA-uitkering toegekend, maar deze is later gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van het Uwv, die de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster heeft vastgesteld op verschillende percentages op verschillende data. De rechtbank heeft de beroepen op 4 september 2025 gelijktijdig behandeld. De rechtbank oordeelt dat het Uwv de besluiten zorgvuldig moet onderbouwen en dat de rapporten van de verzekeringsartsen aan de zorgvuldigheidseisen moeten voldoen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de medische beoordeling van het Uwv in de beroepsfase voldoende is gemotiveerd, maar dat er motiveringsgebreken waren die zijn hersteld. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Eiseres heeft recht op vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/7424 en UTR 25/3420

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaken tussen

[eiseres] , gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: C.J. Loef),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv),
verweerder
(gemachtigde: mr. E.S. Träger),
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[naam]uit [woonplaats] (de ex-werkneemster),
(gemachtigde mr. S. Klomp).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank
- het beroep van eiseres tegen de toekenning van een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan de ex-werkneemster per 30 januari 2024 (UTR 24/7424), en
- het beroep van eiseres tegen de toekenning van een loonaanvullingsuitkering per 24 maart 2022 en de voortzetting van de loonaanvullingsuitkering per 17 februari 2025 (UTR 25/3420).
1.1.
De ex-werkneemster heeft zich op 27 augustus 2018 ziekgemeld voor haar werk als [functie] bij eiseres. Na het doorlopen van de wachttijd heeft zij op 22 mei 2020 een WIA-uitkering aangevraagd. Met ingang van 24 augustus 2020 heeft het Uwv aan de ex-werkneemster een WIA-uitkering toegekend in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering (gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 56,14%). [1] Met het besluit van 13 januari 2022 heeft het Uwv deze uitkering per 24 maart 2022 gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering.
1.2.
Eiseres heeft het Uwv op 1 februari 2024 verzocht om een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster
.Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv met het besluit van 14 juni 2024 de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 januari 2024 vastgesteld op 80-100%. Volgens het Uwv is de ex-werkneemster volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen die beslissing.
1.3.
Met het besluit van 8 oktober 2024 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 juni 2024 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 september 2024 ten grondslag.
1.4.
Daarnaast heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 januari 2022 en in februari 2025 verzocht om herbeoordeling. Een verzekeringsarts heeft vervolgens medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft een functionele mogelijkheden lijst (FML) opgesteld, die geldig is per 24 maart 2022. Ook heeft de verzekeringsarts een FML opgesteld die ziet op de onderzoeksdatum 17 februari 2025.
1.5.
De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de ex-werkneemster haar eigen werk niet meer kan doen en heeft vervolgens verschillende voorbeeldfuncties geduid die zij, met de aangenomen beperkingen, moet kunnen verrichten. Op basis van de geduide voorbeeldfuncties komt de arbeidsdeskundige uit op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 74,1% per 24 maart 2022 en op 86,17% per 17 februari 2025.
1.6.
Op 10 maart 2025 heeft het Uwv aan eiseres een voornemen wijziging beslissing gestuurd. De wijziging houdt in dat de ex-werkneemster per 24 maart 2022 74,1% arbeidsongeschikt wordt geacht en dat deze wijziging ingaat na twee kalendermaanden, dus 1 juni 2022. Daarnaast wordt de ex-werkneemster per 17 februari 2025 86,17% arbeidsongeschikt geacht. Omdat de ex-werkneemster per 30 januari 2024 87,25% arbeidsongeschikt was, wijzigt de WGA-uitkering niet en geldt er geen inkomenseis. Eiseres heeft op 21 maart 2025 haar zienswijze gegeven over de voorgenomen beslissing. Zij is het niet eens met de bevindingen van de verzekeringsarts.
1.7.
De bezwaararts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 31 maart 2025 de beperkingen van de ex-werkneemster per datum 24 maart 2022 genuanceerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 17 april 2025 geconcludeerd dat het arbeidsongeschiktheidspercentage per 24 maart 2022 moet worden vastgesteld op 76,17% en per 17 februari 2025 op 86,21%.
1.8.
Met het bestreden besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 13 januari 2022 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster per 24 maart 2022 vastgesteld op 76,17% en per 17 februari 2025 op 86,21%.
1.9.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II. Het beroep tegen bestreden besluit I is geregistreerd onder zaaknummer UTR 24/7424 en het beroep tegen bestreden besluit II is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/3420.
In het beroep onder zaaknummer UTR 24/7424 heeft eiseres op 15 januari 2025, 23 mei 2025 en 19 augustus 2025 de gronden aangevuld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend op 6 februari 2025 en heeft dat op 31 maart 2025 aangevuld. Het Uwv heeft rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 maart 2025, 31 maart 2025 en 27 juli 2025 overgelegd. De ex-werkneemster heeft op 22 juli 2025 en 21 augustus 2025 gereageerd en een brief van haar behandelaar van 29 juli 2025 overgelegd.
In het beroep onder zaaknummer UTR 25/3420 heeft eiseres op 17 juni 2025, 18 juli 2025 en 19 augustus 2025 nadere gronden ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift van 2 juli 2025 en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 juli 2025 ingediend.
De ex-werkneemster heeft op 22 augustus 2025 gereageerd en de brief van haar behandelaar van 29 juli 2025 overgelegd.
1.10.
De rechtbank heeft de beroepen op 4 september 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [persoon1] , werkzaam bij [bedrijf] , de gemachtigde van het Uwv en de ex-werkneemster, bijgestaan door haar gemachtigde. Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de beroepen gevoegd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De ex-werkneemster heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan eiseres te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van de ex-werkneemster om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, mits die rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Het is aan eiseres om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan die zorgvuldigheidseisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar nodig.
4. In een situatie als deze waarin een werkgever de mate of duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van een (ex)werknemer betwist, brengt de aard van de betrokken belangen mee dat het Uwv het besluit ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert. [2]
5. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. De verzekeringsarts moet bij een claim van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid een inschatting maken van de herstelkansen in het eerste jaar en de periode erna. Die inschatting moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden van de verzekerde. Als de inschatting berust op een medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat van die behandeling daarvan voor de individuele verzekerde. [3]
6. De beroepen hebben betrekking op drie verschillende data in geding. De rechtbank zal de beroepen per deze data in geding in chronische volgorde aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordelen.
Datum in geding 24 maart 2022
7. Eiseres voert aan dat de belastbaarheid van de ex-werkneemster niet juist is vastgesteld. Zij vindt dat er vanwege de stressstoornis een beperking moet worden aangenomen op handelingstempo en dat geen rekening is gehouden met één van de door de behandelaar in de brief van 7 maart 2025 gestelde diagnosen. Verder voert zij aan dat de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster duurzaam is.
8. De rechtbank ziet geen reden voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 31 maart 2025 toegelicht dat een beperking op handelingstempo bij een stressstoornis niet aan de orde is. Eiseres heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat bij de ex-werkneemster sprake is van een aanmerkelijk vertraagd tempo. Verder blijkt uit de brief van de behandelaar niet dat de bedoelde diagnose ook op de datum in geding aan de orde was. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 76,17%, dus lager dan 80%. Dat betekent dat de ex-werkneemster niet volledig arbeidsongeschikt is en dat niet wordt voldaan aan de criteria [4] om in aanmerking voor een IVA-uitkering [5] . Daarom hoeft niet te worden beoordeeld of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is.
9. Eiseres heeft geen arbeidskundige gronden aangevoerd. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de geduide functies niet passend zijn voor eiseres.
Datum in geding 30 januari 2024
10. Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alleen dossierstudie heeft verricht, de ex-werkneemster niet op het spreekuur heeft gezien en geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector over het opgestarte langdurige behandeltraject. Op de zitting heeft eiseres verklaard dat deze zorgvuldigheidsgebreken in de beroepsfase zijn hersteld, omdat er alsnog medische informatie van de behandelend sector bij de beoordeling is betrokken en de verzekeringsarts bezwaar en beroep door middel van een videoconsult met de ex-werkneemster heeft gesproken.
11. Het Uwv heeft op de zitting aangegeven van mening te zijn dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, maar dit gebrek te hebben hersteld in de beroepsfase.
12. De ex-werkneemster heeft op zitting gesteld dat zij de zorgvuldigheidsgebreken niet hersteld vindt, maar zij heeft zelf geen beroep ingesteld. De rechtbank zal hierop daarom niet ingaan.
13. Over de medische beoordeling heeft het Uwv op de zitting verklaard dat onvoldoende is gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster per datum in geding 30 januari 2024 niet duurzaam is, omdat geen informatie bij de behandelend sector was opgevraagd. Volgens het Uwv is ook dit motiveringsgebrek hersteld met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 maart 2025 en 27 juli 2025.
14. De rechtbank moet dus beoordelen of het Uwv in de beroepsfase toereikend heeft gemotiveerd dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
15. Eiseres voert aan dat sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Zij wijst erop dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met het feit dat de ex-werkneemster (eind 2020) aan het werk is gegaan (bij een andere werkgever), maar dat ze in januari 2024 weer volledig is uitgevallen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd dat op termijn van een jaar een verbetering van de belastbaarheid tot 20 uur per week kan worden verwacht en dat de ex-werkneemster op termijn van drie jaar (de verwachte behandelduur) haar volledige uren kan werken. Dit standpunt rijmt niet met de informatie uit de brief van de behandelaar van 7 maart 2025. In deze brief staat dat de ex-werkneemster op het persoonlijk vlak van de behandeling kan profiteren, maar dat betekent volgens eiseres niet dat er sprake is van een verbetering van de functionele mogelijkheden. Ook kan op basis van deze brief het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van een stabiel of progressief ziektebeeld niet worden gevolgd. De behandelaar spreekt immers van chroniciteit van de psychische klachten. Volgens eiseres ontbreekt een onderbouwing van het mogelijke resultaat van de (ingezette) medische behandeling.
16. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 27 juli 2025 uitgelegd dat, mede gelet op de brief van de behandelaar van 7 maart 2025, een klachtenvermindering en verbetering in persoonlijk functioneren leidt tot een verbeterde belastbaarheid en een verbetering in het persoonlijk en sociaal functioneren. Een deel van de psychische problematiek is chronisch, maar daarvan is bekend dat dit niet leidt tot blijvend ernstige beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren en/of de duurbelastbaarheid.
Met deze toelichting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat te verwachten is dat de ingezette behandeling tot een verbetering van de belastbaarheid in het persoonlijk en sociaal functioneren leidt.
Dat de ex-werkneemster in januari 2024 (opnieuw) is uitgevallen en niet heeft kunnen hervatten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet dienen als onderbouwing van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. De brief van de behandelaar van 29 juli 2025 geeft geen reden voor twijfel aan de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat uit die brief blijkt dat de ex-werkneemster op de datum in geding nog niet bij de behandelaar in behandeling was en de behandelaar daarom geen informatie kan geven over de situatie rond die datum.
Conclusie en gevolgen
17. De conclusie is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beroepsfase voldoende heeft gemotiveerd dat per datum in geding 30 januari 2024 geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid.
18. Het beroep met zaaknummer UTR 24/7424 is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het zorgvuldigheids- en het motiveringsgebrek in de beroepsfase zijn hersteld, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
19. Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Datum in geding 17 februari 2025
20. Ook ten aanzien van deze datum in geding voert eiseres aan dat sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gemotiveerd waarop de verwachting is gebaseerd van een (gedeeltelijke) werkhervatting van 20 uur binnen een jaar en een volledige werkhervatting binnen drie jaar. Uit de brief van de behandelaar van 7 maart 2025 blijkt een dergelijke verwachting niet. De prognose van het resultaat van de ingezette behandeling is onvoldoende gemotiveerd. Uit de brief van de behandelaar blijkt dat sprake is van chroniciteit van de psychische problematiek. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat geen sprake is van een stabiel of progressief ziektebeeld is daarom niet te volgen.
21. Verzekeringsarts [persoon2] heeft in zijn rapporten van 17 februari 2025 en 10 maart 2025 aangegeven dat de verwachting is dat het komende jaar verbetering van de functionele mogelijkheden zal optreden in de urenbelasting, waarbij beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren aan de orde zullen blijven. Hij heeft echter niet onderbouwd waarop die verwachting is gebaseerd. Bezwaararts bezwaar en beroep [persoon3] geeft in zijn rapport van 31 maart 2025 aan de verwachting van de primaire verzekeringsarts te delen en uit te gaan van een (gedeeltelijke) werkhervatting binnen een jaar. Hij motiveert niet welk effect de ingezette behandeling gaat hebben op de belastbaarheid van de ex-werkneemster. De motivering van de (verzekerings)artsen (bezwaar en beroep) voldoet daarom niet aan de eerdergenoemde strenge criteria die de CRvB hanteert voor de beoordeling van de duurzaamheid.
22. Dit motiveringsgebrek is naar het oordeel van de rechtbank echter hersteld met het rapport van 27 juli 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat zij onder 16. in de eerste alinea heeft overwogen.
23. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat de behandelaar in haar brief van 29 juli 2025 aangeeft dat de ex-werkneemster op persoonlijk vlak kan profiteren van de behandeling, maar dat dit geen afbreuk doet aan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 27 juli 2025 over de verbetering van de belastbaarheid in persoonlijk en sociaal functioneren. De rechtbank ziet daarom geen reden voor een nadere reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op deze brief van de behandelaar.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep met zaaknummer UTR 25/3420 is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster per datum in geding 17 februari 2025. Omdat het motiveringsgebrek in de beroepsfase is hersteld laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand.
25. Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- voor het indienen van een beroepschrift. Voor het bijwonen van de zitting wordt geen vergoeding toegekend, omdat het beroep gelijktijdig met het beroep onder zaaknummer UTR 24/7424 op zitting is behandeld en de gemachtigde van eiseres in die zaak al een vergoeding ontvangt voor deelname aan de zitting.
Tot slot
26. Eiseres heeft de rechtbank verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. Omdat de rechtbank geen twijfel heeft over de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ten aanzien van alle drie de data in geding wijst de rechtbank dit verzoek af.
27. Eiseres heeft nog aangevoerd dat zij door de wijze van besluitvorming in het beroep met zaaknummer UTR 25/3420 niet de mogelijkheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen de beslissing op het verzoek om herbeoordeling van februari 2025. Zij vindt dat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
28. Het Uwv heeft het verzoek om herbeoordeling van 1 februari 2024 meegenomen in de bezwaarprocedure over de beslissing met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster per datum in geding per 24 maart 2022. Het Uwv heeft eiseres een voornemen wijziging beslissing gestuurd en haar in de gelegenheid gesteld daarop een zienswijze te geven. Eiseres heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom ze door deze gang van zaken is benadeeld.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2024;
  • vernietigt het bestreden besluit van 22 april 2025, voor zover dat besluit betrekking heeft op de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster per datum in geding 17 februari 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van in totaal € 756,- (€ 371,- en € 385,-) aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.WGA staat voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
2.CRvB van 6 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4292.
3.CRvB 4 februari 2009, ECLI:NLCRVB:2009:BH1896.
4.Zie artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA.
5.Een uitkering Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten op basis van de Wet WIA.