De werknemer meldde zich in november 2006 ziek en vroeg in juli 2008 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde in oktober 2008 vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna bezwaar en beroep volgden. In maart 2010 stelde het UWV alsnog een WGA-uitkering vast op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Vanaf 2010 droeg de werkgever (appellante) zelf het risico voor de WGA-uitkering. Het UWV nam diverse besluiten over toerekening en terugbetaling van de uitkering aan appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees de beroepen tegen latere besluiten af. De Centrale Raad vernietigt deze uitspraak omdat het eerste besluit niet correct bekend is gemaakt volgens de Awb, waardoor het beroep ontvankelijk is. De Raad oordeelt dat het eerste besluit onvoldoende is gemotiveerd, met name de medische grondslag berust op een rapport dat de beperkingen van de werknemer onvoldoende onderbouwt.
Daarom worden het eerste besluit en de daarop steunende besluiten vernietigd. Het UWV moet nieuwe besluiten nemen met een zorgvuldige en inzichtelijke motivering van zowel de medische als arbeidskundige beoordeling. Tegen deze nieuwe besluiten kan alleen bij de Raad beroep worden ingesteld. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellante.