ECLI:NL:RBMNE:2025:7340

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/16/603658 / JE RK 25-1829
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van huiselijk geweld en intieme terreur

In deze beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, uitgesproken op 12 december 2025, wordt de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2017, verlengd. De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de gezaghebbende moeder op een geheime locatie te verlengen tot 5 maart 2026. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige en haar moeder jarenlang slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld en intieme terreur door de vader. De vader heeft eerder een tijdelijk huisverbod gekregen en is veroordeeld voor partnermishandeling en kindermishandeling. De kinderrechter heeft de ouders gescheiden gehoord en de minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter te praten. De kinderrechter oordeelt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, die momenteel op een geheime locatie verblijft. De kinderrechter benadrukt dat de wensen van de vader om contact met de minderjarige te hebben ondergeschikt zijn aan het belang van de minderjarige, die momenteel angst- en traumaklachten vertoont. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de minderjarige rust en stabiliteit kan ervaren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/603658 / JE RK 25-1829
Datum uitspraak: 12 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. T.C. Schouten,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Voor het procesverloop tot 5 december 2025 verwijst de kinderrechter naar de beschikking van die datum. Bij die beschikking is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld en is er een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, waarbij het verzoek over de aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 5 december 2025;
  • het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 5 december 2025.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. De ouders zijn gescheiden gehoord. De kinderrechter heeft om 11:30 uur gehoord:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de advocaat van de vader;
- [A] , een vertegenwoordiger van de Raad;
- [B] en [C] , vertegenwoordigers van de GI.
Daarna heeft de kinderrechter om 12:15 gehoord:
  • de vader met zijn advocaat;
  • [A] , een vertegenwoordiger van de Raad;
  • [B] en [C] , vertegenwoordigers van de GI.
De advocaat van de moeder was correct opgeroepen bij dit deel van de zitting maar is (met bericht) niet verschenen).
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter praten.
1.5.
De kinderrechter heeft niet direct na de zitting uitspraak gedaan. De partijen konden op 12 december 2025 om 14:00 uur bellen naar de griffie van de rechtbank voor het dictum. Deze beslissing is de schriftelijke uitwerking van de uitspraak.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft met haar moeder op een geheime locatie sinds 2 oktober 2025.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 5 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 5 maart 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de gezaghebbende moeder op een geheime locatie voor de duur van vier weken, te weten tot 2 januari 2026, en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.

3.Het verzoek

De kinderrechter moet nog beslissen op het aangehouden deel van het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende moeder op een geheime locatie te verlengen tot 5 maart 2026. De Raad verzoekt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het eens met het verzoek.
4.2.
De vader is het niet eens met het verzoek, en wil zo snel mogelijk contact met zijn dochter.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter heeft de betrokkenen gehoord over de voorlopige
ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en ziet naar
aanleiding daarvan geen reden om anders te beslissen.
5.2.
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende moeder op een geheime locatie voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 5 maart 2026. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.4.
De moeder en [minderjarige] verblijven sinds 2 oktober 2025 op een geheime locatie, nadat de vader eerder door de moeder uit de woning is gezet. Er is toen een inschatting gemaakt door de gemeente in samenwerking met de politie en andere expertteams dat het niet veilig is voor de moeder en [minderjarige] als de vader weet waar zij verblijven. In eerste instantie heeft de vader meegewerkt aan deze geheime plaatsing, maar inmiddels wil hij weten waar [minderjarige] verblijft en wil hij zo snel mogelijk contact met [minderjarige] . Dat is op dit moment nog niet in het belang van [minderjarige] . Daarom is [minderjarige] op 5 december 2025 voorlopig onder toezicht gesteld en is er een machtiging tot uithuisplaatsing verleend.
5.5.
Voor de Raad staat vast dat [minderjarige] en de moeder jarenlang slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld en intieme terreur, gepleegd door de vader. De Raad baseert dat op de gesprekken met de moeder en [minderjarige] , de vele meldingen bij de politie en/of Veilig Thuis die de afgelopen jaren door meerdere instanties zijn gedaan, uit het feit dat aan vader in 2021 een tijdelijk huisverbod is opgelegd en het feit dat de vader in datzelfde jaar is veroordeeld voor partnermishandeling en kindermishandeling. Daarnaast meldt de plek waar [minderjarige] en de moeder nu wonen dat zij bij [minderjarige] tekenen van trauma zien. Voor de Raad staat ook vast dat de moeder afhankelijk is van middelen en dat zij ook zorgelijk gedrag heeft laten zien naar [minderjarige] toe.
5.6.
Op de veilige plek waar moeder en [minderjarige] op dit moment verblijven komen zij tot rust en krijgen zij begeleiding om de gebeurtenissen te verwerken. De moeder erkent haar verslaving en de dingen die zij heeft gedaan die niet goed waren.Zij is nu in behandeling bij Jellinek en aanvaardt hul[verlening. Vader ontkent echter alle zorgen. Dat geldt ook voor de veroordelingen voor partner- en kindermishandeling. De vader zegt dat hij bereid is om alle hulpverlening te accepteren. Hij wil zijn dochter weer zo snel mogelijk zien. De kinderrechter benadrukt dat in het licht daarvan van belang dat de vader zijn problemen gaat erkennen en herkennen en dat hij zijn gedrag gaat veranderen. Als de vader zegt dat hij hulp wil accepteren maar tegelijkertijd ontkent wat er is gebeurd dan heeft hulp vermoedelijk niet veel effect. [minderjarige] laat op dit moment forse angst- en traumaklachten zien, en heeft nog geen behoefte aan contact. Voor [minderjarige] is haar veiligheid, zowel fysiek als mentaal en emotioneel, nu het belangrijkst. Contactherstel kan pas aan de orde zijn als [minderjarige] daar voldoende draagkracht voor heeft en nadat een veiligheidsinschatting is gemaakt waaruit blijkt dat contact op een veilige manier kan. Bij de vraag of contact met de vader in [minderjarige] ’s belang is, moet ook worden meegewogen wat [minderjarige] ’s eigen wens daarin is. [minderjarige] ’s grenzen zijn gedurende lange tijd fors overschreden. Zij moet en mag nu gaan ervaren dat zij haar grenzen mag aangeven en dat die grenzen ook gerespecteerd worden. De wensen en behoeften van de vader om [minderjarige] weer te zien zijn ondergeschikt aan haar belang. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] met haar moeder op de voor vader geheime locatie blijft, en dat zij de hulpverlening krijgt geboden die zij nodig heeft. De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, dus tot 5 maart 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Voor [minderjarige] is nu van belang dat zij rust en stabiliteit kan ervaren. Dat weegt voor de kinderrechter zwaar.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de gezaghebbende moeder op een geheime locatie tot 5 maart 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 19 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.