ECLI:NL:RBMNE:2025:7341

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/16/602372 / JE RK 25-1697
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling in een gezinssituatie met zorgen over huisvesting en welzijn van minderjarigen

In deze zaak heeft de kinderrechter op 12 december 2025 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland om de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)], te verlengen. De moeder van de kinderen, die belast is met het ouderlijk gezag, is het niet eens met de verlenging. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over de kinderen nog steeds aanwezig zijn, maar dat de verlenging van de ondertoezichtstelling niet doelmatig is. De moeder woont momenteel met de kinderen in een studio bij haar meerderjarige dochter, en er zijn zorgen over de huisvesting van het gezin. De woningcorporatie heeft aangegeven dat zij uiterlijk 23 december 2025 de woning moeten verlaten, wat dreigt te leiden tot dakloosheid. De moeder heeft een urgentieaanvraag ingediend, die eerder was afgewezen, maar recentelijk is het beroep tegen deze afwijzing gegrond verklaard. De kinderrechter heeft geoordeeld dat de GI geen contact heeft gehad met de moeder en de kinderen, waardoor er onvoldoende zicht is op hun situatie. De kinderrechter heeft geconcludeerd dat de ondertoezichtstelling vooral als een last wordt ervaren en dat er op korte termijn een oplossing voor de huisvesting lijkt te komen. Daarom is het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/602372 / JE RK 25-1697
Datum uitspraak: 12 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1 (voornaam)] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2 (voornaam)] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[belanghebbende],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Yildirim.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 11 november 2025;
  • de evaluatie en het vervolgplan van de GI, ontvangen op 29 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] , vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter te praten.
1.4.
Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van deze beslissing.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .
2.2.
[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 4 januari 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] onder toezicht gesteld tot 4 januari 2025. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot 4 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1 (voornaam)] te verlengen voor de duur van zes maanden en om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2 (voornaam)] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid. Daarnaast verzoekt de GI om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] niet meer wordt verlengd, en op 4 januari 2026 afloopt. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
5.2.
Ondanks dat de kinderrechter van oordeel is dat is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW), acht zij een voortzetting van de ondertoezichtstelling niet doelmatig. De kinderrechter stelt voorop dat de zorgen over [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] nog steeds aanwezig zijn. Er is sprake van een precaire situatie. De moeder woont sinds januari 2024 met [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] bij haar meerderjarige dochter [C (voornaam)] in een studio. Deze situatie is noodgedwongen ontstaan nadat de moeder drie keer uit haar woning van de [instelling] is gezet doordat zij overlast had veroorzaakt bij haar buren.
5.3.
Inmiddels heeft de woningcorporatie laten weten dat de moeder en de kinderen de woning van [C (voornaam)] uiterlijk 23 december a.s. moeten verlaten. Vanaf dat moment dreigt de moeder met haar kinderen dakloos te worden. De moeder heeft eerder dit jaar een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op grond van dreigende dakloosheid, maar deze aanvraag is afgewezen. De moeder is in beroep gegaan tegen de afwijzing van haar urgentieaanvraag en heeft aangevoerd dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule, gelet op – kort gezegd – de dakloosheid van de kinderen die daarvan het gevolg is.
5.4.
Op 10 december 2025 is het beroep van de moeder gegrond verklaard, omdat het college van B&W het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank overweegt in die uitspraak: “Tegelijkertijd moet het college de situatie waarin de kinderen van eiseres zich als gevolg daarvan bevinden ook kenbaar meewegen. Dat heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gedaan door ten aanzien van hen er alleen op te wijzen dat zij een dak boven hun hoofd hebben. De aanzegging van de verhuurder dat eiseres en haar kinderen de woning op 23 december 2025 moeten verlaten
was er weliswaar ten tijde van het bestreden besluit nog niet, maar eiseres heeft in bezwaar
reeds gewezen op de negatieve gevolgen voor de ontwikkeling en gezondheid van haar
kinderen, zoals ook is omschreven in de beschikking van de kinderrechter van 11 december
2024 en het huisartsen journaal van 24 april 2025. Eiseres heeft daarnaast ook de
beschikking van de kinderrechter van 3 juni 2025 overgelegd waarin expliciet is vermeld dat
de huidige woonsituatie van de kinderen die met hun moeder en halfzus in een studio wonen
niet in hun belang is. De enige reden dat de kinderrechter de toen verzochte verlenging
machtiging tot uithuisplaatsing toch heeft afgewezen, is omdat er geen zicht was op een
andere plek voor de kinderen. De voorzieningenrechter vindt dat het college op deze
omstandigheden in had moeten gaan en uit had moeten leggen waarom de gevolgen voor de
kinderen geen aanleiding zijn om, ondanks het verwijtbaar handelen van eiseres, toch de
hardheidsclausule toe te passen.” Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd wat maakt dat in dit geval het weigeren van een urgentieverklaring niet in strijd komt met de positieve verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8 EVRM [1] . Vanuit de gemeente wordt nu naar een oplossing gezocht. De advocaat van de moeder heeft verteld dat de kans aanzienlijk is dat de moeder toch binnenkort zal beschikken over een woning die ook geschikt is voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .
5.5.
De GI heeft in het afgelopen half jaar geen contact gehad met de moeder en de kinderen. Er is niet gereageerd op verschillende uitnodigingen tot contact vanuit de GI. De jeugdbeschermer heeft in de afgelopen periode alleen contact gehad met de meerderjarige dochter van de moeder, [C (voornaam)] . De GI heeft daardoor nauwelijks zicht op hoe het met de kinderen gaat. De GI maakt zich zorgen dat moeder in de toekomst wederom overlast gaat veroorzaken met huisuitzetting als gevolg. Daarom wil de GI zicht houden om te bestendigen dat het deze keer wel goed verloopt. Daarnaast is het voor de GI onduidelijk hoe onder andere de schoolgang van de kinderen verloopt.
5.6.
De moeder zegt dat zij inziet dat zij het anders moet gaan doen, en dat zij voortaan met respect met haar buren moet omgaan. De moeder heeft tijdens de zitting verteld dat het huisvestingsprobleem voor veel stress zorgt bij [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] , en dat dit ook invloed heeft op de schoolprestaties. Het huisvestingsprobleem zal echter op korte termijn worden opgelost. Verder stelt de moeder dat zij erg betrokken is bij haar kinderen. De moeder doet zoveel mogelijk haar best om haar kinderen te motiveren en te begeleiden. Zo staat de moeder in goed contact met de school van [minderjarige 1 (voornaam)] . Vanuit school is er nu een verlengde schooldag voor [minderjarige 1 (voornaam)] ingezet, zodat zij extra tijd krijgt om haar schoolwerk af te maken. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is volgens de moeder niet langer noodzakelijk.
5.7.
Hoewel er nog zorgen bestaan over de kinderen, is een verlenging van de ondertoezichtstelling naar het oordeel niet doelmatig en niet in het belang van de kinderen. De kinderrechter begrijpt uit het verhaal van de moeder dat de ondertoezichtstelling zwaar drukt op de schouders van de moeder en de kinderen. De ondertoezichtstelling wordt vooral ervaren als een last, die weinig oplevert voor de moeder en de kinderen. In de afgelopen periode is er nauwelijks uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstelling, doordat het de GI niet lukt om met het gezin in contact te komen. Nu het beroep van de moeder over de urgentieverklaring daarnaast gegrond is verklaard, lijkt er op korte termijn een nieuwe woning voor het gezin te komen. Daarmee lijkt de grootste zorg, namelijk het huisvestingsprobleem, opgelost te worden. De kinderrechter hoopt dat het de moeder lukt om deze woning te behouden en om keuzes te maken in het belang van haar kinderen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2 (voornaam)] en [minderjarige 1 (voornaam)] af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 19 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden.