Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 6 februari 2025. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waardoor eiseres op 3 oktober 2025 beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 24 juli 2025 is verstreken en dat verweerder in gebreke is gesteld op 8 september 2025. De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch beschouwt.
De rechtbank draagt verweerder op uiterlijk 17 september 2026 een besluit op bezwaar te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn en uitgesproken op 28 november 2025. De griffier was verhinderd de uitspraak te ondertekenen.