ECLI:NL:RBMNE:2025:7351

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/16/594280 / HA ZA 25-281
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Discriminatie bij bonusuitkering aan werknemers met slapend dienstverband

In deze zaak vorderden Eisers, die een slapend dienstverband hadden, een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig had gehandeld door hen geen bonus toe te kennen. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat artikel 4 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) niet van toepassing was. Eisers waren in 2015 arbeidsongeschikt geraakt en hun dienstverband was slapend geworden. [gedaagde], de voormalig aandeelhouder van de onderneming waar Eisers werkzaam waren, had een bonus uitgekeerd aan werknemers met een actief dienstverband, maar niet aan Eisers. De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] geen zeggenschap had over de arbeidsvoorwaarden van Eisers en dat het handelen van [gedaagde] niet onder de reikwijdte van de Wgbh/cz viel. De vorderingen van Eisers werden afgewezen, en zij werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/594280 / HA ZA 25-281
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Eisers,
advocaat: mr. D.H.J. Roeters van Lennep en mr. M. van der Zande,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P. de Ruiter en mr. C.C. Zweipfenning.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring,
- de conclusie van antwoord in het incident,
- het vonnis in incident van 21 mei 2025, waarin de zaak is verwezen van kanton naar de handelskamer van de rechtbank,
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties 1 tot en met 10,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de aanvullende producties 13 tot en met 17 van Eisers,
- de spreekaantekeningen van Eisers,
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 4 december 2025. Eisers waren aanwezig met hun echtgenoten. Eisers werden bijgestaan door hun advocaten. Namens [gedaagde] was de heer [A] aanwezig, penningmeester van [gedaagde] . Ook [gedaagde] werd bijgestaan door haar advocaten. Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord van de rechter. Van de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt door de griffier. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
Eisers zijn in dienst geweest van [onderneming] B.V. (hierna: ‘ [onderneming] ’). [gedaagde] was enig aandeelhouder van [onderneming] , totdat zij op 17 april 2019 haar aandelen verkocht. [gedaagde] heeft aan de werknemers van [onderneming] een bonus uitgekeerd, maar niet aan Eisers, want zij hadden op 17 april 2019 een ‘slapend’ dienstverband. Alleen werknemers met een actief dienstverband kregen een bonus uitgekeerd. Eisers vorderen een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, want [gedaagde] zou indirect hebben gediscrimineerd door aan Eisers geen bonus toe te kennen. De rechtbank wijst de vorderingen van Eisers af.

3.De beoordeling

Achtergrond: Eisers hadden een ‘slapend’ dienstverband
3.1.
Eisers zijn in 2015 arbeidsongeschikt geraakt. Het dienstverband van Eisers is vervolgens ‘slapend’ geworden. Eisers kwamen in aanmerking voor een WIA-uitkering, waardoor de loondoorbetalingsverplichting van [onderneming] eindigde, maar de arbeidsovereenkomsten zijn op dat moment niet beëindigd. Eisers hebben wel verzocht om beëindiging van hun dienstverband met betaling van een transitievergoeding, maar [onderneming] wilde daar eerst niet aan meewerken. Toen duidelijk werd dat een werkgever verplicht is om mee te werken aan een dergelijk verzoek [1] , zijn partijen opnieuw in gesprek gegaan over de beëindiging van het dienstverband. Eisers en [onderneming] hebben op 20 december 2019 een vaststellingsovereenkomst getekend waarmee de arbeidsovereenkomst werd beëindigd.
Achtergrond: Eisers hadden geen recht op de bonus
3.2.
Op 21 oktober 2019 heeft [gedaagde] aan de werknemers van [onderneming] medegedeeld, dat aan personen die op 17 april 2019 een actief dienstverband hadden met [onderneming] en op dat moment langer dan één jaar in dienst waren, een discretionaire bonus werd toegekend. De toekenning en hoogte van de bonus zijn bepaald door [gedaagde] , maar de bonus werd uitbetaald door [onderneming] . Volgens [gedaagde] was dat laatste praktischer, omdat [onderneming] de loonadministratie beheerde.
3.3.
Eisers kregen geen bonus. Op 17 april 2019 hadden zij namelijk geen actief dienstverband meer. Onder actief dienstverband werd verstaan het hebben van recht op loon. Eisers ontvingen een WIA-uitkering, waardoor de loondoorbetalingverplichting van [onderneming] (al langere tijd) was geëindigd. Eisers waren op 17 april 2019 nog wel in dienst, maar dan op basis van een ‘slapend’ dienstverband.
3.4.
Eisers hebben verzocht om uitbetaling van de bonus, maar dat verzoek is door [gedaagde] geweigerd. Eisers voldeden niet aan de voorwaarden voor toekenning van de bonus. Voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is ook [onderneming] verzocht om betaling van de bonus, maar die verwees naar [gedaagde] als de partij die de bonus heeft toegekend.
3.5.
Eisers hebben vervolgens een klacht ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens (hierna ‘CRM’). Die klacht was gericht tegen zowel [onderneming] als [gedaagde] . Het CRM heeft de klacht tegen [onderneming] niet-ontvankelijk verklaard, want in de vaststellingsovereenkomst hebben partijen elkaar finale kwijting verleend. Met betrekking tot de klacht tegen [gedaagde] oordeelde het CRM dat zij niet bevoegd was daarover te oordelen, omdat het handelen van [gedaagde] niet onder de reikwijdte van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna ook wel ‘Wgbh/cz’) valt.
Eisers hebben wel belang bij hun vorderingen
3.6.
Eisers vorderen een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de criteria voor de toekenning van een bonus dusdanig vast te stellen dat Eisers geen recht hadden op een bonus. Daarnaast vorderen zij inzage in de verdeelsleutel die [gedaagde] heeft gehanteerd in het bepalen van de hoogte van de bonussen.
3.7.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat Eisers geen belang hebben bij hun vorderingen, omdat zij het recht om aanspraak te maken op de bonus zouden hebben prijsgegeven door in te stemmen met een finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst. Finale kwijting (ook wel kwijtschelding genoemd) houdt in dat partijen met elkaar afspreken dat zij na het uitvoeren van de betreffende overeenkomst over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] geen beroep kan doen op de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst.
3.8.
Eisers hebben weliswaar een vaststellingsovereenkomst getekend met een finale kwijtingsbepaling, maar die overeenkomst is getekend tussen Eisers (ieder voor zich) en [onderneming] . [gedaagde] is geen partij bij de vaststellingsovereenkomst, want zij was niet de werkgever van Eisers. Eisers stellen zich op het standpunt dat zowel [onderneming] als [gedaagde] onrechtmatig hebben gehandeld, maar deze procedure is alleen gericht tegen [gedaagde] . Het formele verweer van [gedaagde] slaagt dus niet.
Ook beroep op substantiëringsplicht heeft geen gevolg
3.9.
[gedaagde] beroept zich ook op de substantiëringsplicht die Eisers zouden hebben geschonden. De substantiëringsplicht houdt in dat een procespartij in het inleidende processtuk (in dit geval de dagvaarding) niet alleen het eigen standpunt dient weer te geven. Ook de verweren die de wederpartij daartegen heeft aangevoerd en de gronden daarvoor dienen te worden weergegeven. De rechtbank is het eens met [gedaagde] dat Eisers slechts een summiere dagvaarding hebben ingediend. De stelling in de dagvaarding dat er geen bekende verweren waren klopt niet, want partijen hebben al een inhoudelijke procedure bij het CRM gevoerd. Ook is de dagvaarding onduidelijk over welke rechtsgrond Eisers aan hun vorderingen ten grondslag leggen.
3.10.
Toch is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen gevolgen moeten worden verbonden aan de gebrekkige substantiëring in de dagvaarding. Door de uitgebreide conclusie van antwoord van [gedaagde] en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, is inmiddels voldoende duidelijk waar Eisers hun vorderingen op baseren en wat daartegen de verweren van [gedaagde] zijn. De rechtbank komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van Eisers.
Artikel 4 Wgbh/cz is niet van toepassing
3.10.1.
De gevorderde verklaring voor recht, dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld, baseren Eisers op artikel 4 van de Wgbh/ch. In de dagvaarding hebben Eisers ook artikel 1 Grondwet aangehaald, maar tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht dat het gelijkheidsbeginsel uit artikel 1 Grondwet zijn neerslag heeft gekregen in onder andere de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en dat Eisers op deze wet een beroep doen. Maar, dat beroep slaagt niet. Het handelen van [gedaagde] valt namelijk niet onder de reikwijdte van de Wgbh/ch. De rechtbank zal dit toelichten.
3.11.
In artikel 4 van de Wgbh/ch staat dat onderscheid verboden is bij:
de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking;
het aangaan en het beëindigen van een arbeidsverhouding;
het aanstellen of ontslaan van personen, op wie artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 van toepassing is;
e arbeidsbemiddeling;
arbeidsvoorwaarden;
het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding;
bevordering;
arbeidsomstandigheden.
3.12.
Onder onderscheid wordt verstaan: direct en indirect onderscheid, alsmede de opdracht daartoe (artikel 1 Wgbh/ch). Van direct onderscheid is sprake indien een persoon op grond van handicap op chronische ziekte op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. Van indirect onderscheid is sprake indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen bijzonder treft.
3.13.
Eisers stellen dat zij een chronische ziekte hebben. Volgens Eisers heeft [gedaagde] indirect onderscheid gemaakt, als bedoeld in artikel 4 Wgbh/ch, door werknemers met een slapend dienstverband, zoals Eisers, uit te sluiten van de bonus.
3.14.
Echter, net als het CRM, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van [gedaagde] niet valt onder de reikwijdte van de Wgbh/ch. De betrokkenheid van [gedaagde] bij het bepalen van de arbeidsvoorwaarden is bijvoorbeeld niet gebleken. [gedaagde] was weliswaar tot 17 april 2019 de aandeelhouder van [onderneming] , de werkgever van Eisers, maar dat is onvoldoende. De aandeelhouder kan niet worden vereenzelvigd met de werkgever. Ook niet nu de heer [A] zowel in het bestuur van [gedaagde] zat als bestuurder was van [onderneming] . Toen [gedaagde] haar besluit over toekenning van de eenmalige bonus communiceerde, was zij bovendien geen aandeelhouder meer. [gedaagde] had geen zeggenschap over de individuele arbeidsverhouding en/of arbeidsvoorwaarden van Eisers, anders dan dat zij als buitenstaander de werknemers van [onderneming] met een actief dienstverband een eenmalige bonus heeft toegekend.
3.15.
Het is ook niet gebleken dat de eenmalige bonus kan worden aangemerkt als arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 4 onder e Wgbh/ch. Het is naar het oordeel van de rechtbank geen recht, maar een gift. Het gaat om een schenking van de voormalig aandeelhouder. Dat is iets anders dan een arbeidsvoorwaarde waar een werknemer recht op heeft richting zijn werkgever als tegenprestatie voor de geleverde arbeid en waarvoor geldt dat geen onderscheid mag worden gemaakt als bedoeld in artikel 4 Wgbh/ch. Bijvoorbeeld een aanspraak op een beëindigingsvergoeding uit een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) of Sociaal Plan of een bindingspremie, zijn voorbeelden van arbeidsvoorwaarden. [2] De eenmalige discretionaire bonus, toegekend door de voormalig aandeelhouder van werkgever, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet.
3.16.
Dat de werkgever als doorgeefluik heeft gefungeerd door de bonussen namens [gedaagde] te betalen, maakt het voorgaande niet anders. Daarmee is de eenmalige bonus niet toch een arbeidsvoorwaarde geworden.
3.17.
Daar komt bij dat niet is gebleken dat [gedaagde] gezag uitoefende over Eisers. In de Memorie van Toelichting bij de Wgbh/ch [3] is toegelicht dat artikel 4 de uitwerking bevat van het verbod tot het maken van onderscheid in het kader van de privaatrechtelijke en publiekrechtelijke arbeidsverhouding. Het artikel noemt de te onderscheiden terreinen waarop het verbod van onderscheid op grond van handicap en chronische ziekte van toepassing is. Voor de omschrijving van de toepasselijke terreinen is aangesloten bij de Algemene wet gelijke behandeling (‘Awgb’). Het begrip arbeidsverhouding heeft dezelfde betekenis als in de Awgb. Het voorgestelde verbod van onderscheid naar handicap of chronische ziekte geldt dus voor die arbeidsrelaties waarin onder het gezag van een ander arbeid wordt verricht, zoals de arbeidsovereenkomst of andere arbeidsverhoudingen waarin sprake is van ‘onder gezag werken’. [gedaagde] , als voormalig aandeelhouder van [onderneming] , oefende geen gezag uit.
3.18.
Het CRM is de instantie die deskundig is. Het CRM heeft in de klacht van Eisers tegen [gedaagde] op 13 januari 2023 het volgende geoordeeld [4] :
“6.2 Het is verboden om onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte te maken bij de arbeidsvoorwaarden (artikel 4, eerste lid, onderdeel e, WGBH/CH, in samenhang met artikel 1 WGBH/CH). De vraag die voorligt, is, of het handelen van verweerster binnen dit wettelijk kader valt. Artikel 4 WGBH/CH kent, net als het equivalente artikel uit de Algemene wet gelijke behandeling, een open normadressaat. Dit houdt in dat ook andere betrokkenen bij de arbeidsverhouding dan de werkgever of bevoegd gezag, onder de werkingssfeer ervan vallen (zie Kamerstukken II 2001/02, 28 170, nr. 3, p.19). in het hierna volgende zal het College beoordelen in hoeverre verweerster betrokken was bij de arbeidsverhouding en of het handelen van verweerster onder de reikwijdte van artikel 4 WGBH/CZ valt.
6.3
Het College kan vaststellen dat verzoeker in dienst was bij het cateringbedrijf en dat verweerster tot 17 april 2019 daar aandeelhouder van was. Toen verweerster op 21 oktober 2019 haar besluit over toekenning van de bonus aan medewerkers van het cateringbedrijf communiceerde was zij geen aandeelhouder meer. Verder is het College niet op basis van de stukken of de verklaringen ter zitting gebleken dat verweerster betrokken is geweest bij de tussen het cateringbedrijf en verzoekster gesloten arbeidsovereenkomst en de daarin overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Ook is het College niet gebleken dat verweerster zeggenschap had over de wijze van uitoefening van de functie door verzoeker en dat zij een rol had bij het beoordelen van het functioneren van verzoeker.
6.4
Op grond van het voorgaande is het College van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die enige betrokkenheid van verweerster bij de arbeidsverhouding met verzoeker doen blijken en die het handelen van verweerster onder de reikwijdte van artikel 4 WGBH/CH kunnen brengen. Dit betekent dat het College niet bevoegd is te oordelen over de vraag of verweerster jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt.”
3.19.
De rechtbank heeft geen argumenten of stellingen gelezen diehaar ertoe brengen om anders te beslissen dan het CRM. Eisers hebben ook niet gemotiveerd waarom het oordeel van het CRM niet juist was en waarom de rechtbank dus anders zou moeten beslissen dan het CRM.
De vorderingen worden afgewezen
3.20.
Omdat het handelen van [gedaagde] niet onder de reikwijdte van artikel 4 Wgbh/ch valt, hoeft de vraag of sprake was van verboden onderscheid, en/of daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestond, niet meer te worden besproken. Het is verder niet gebleken dat er anderszins onrechtmatig is gehandeld door [gedaagde] . De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld wordt daarom afgewezen.
3.21.
Ook de gevorderde inzage in de verdeelsleutel die [gedaagde] heeft gehanteerd bij de vaststelling van de bonus, wordt afgewezen. Eisers hebben daar immers geen belang bij, nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld richting Eisers.
Eisers moeten de proceskosten betalen
3.22.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom (hoofdelijk) de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.120,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen van Eisers af,
4.2.
veroordeelt Eisers (hoofdelijk) in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
SB5790

Voetnoten

1.Hoge Raad 8 november 2019 ECLI:NL:HR:2019:1734 (Xella).
2.Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 12 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3779, en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7624.
3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 169, nr. 3, p. 33.
4.CRM 2023-2 en CRM 2023-3.