Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en stelde dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. Verweerder werd op 13 augustus 2025 in gebreke gesteld en eiseres diende op 16 september 2025 een beroepschrift in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen. Gezien de complexiteit van de zaak acht de rechtbank een termijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn realistisch, conform een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De uiterste datum voor het nemen van het besluit is vastgesteld op 4 september 2026. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.