ECLI:NL:RBMNE:2025:7450

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3775
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa Zw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking Ziektewetuitkering wegens overschrijding verdiencapaciteit

Eiser was ziekgemeld sinds december 2022 en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde bij de eerstejaarsbeoordeling vast dat eiser met passende functies meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen, waardoor de uitkering per 31 augustus 2024 werd ingetrokken. Eiser maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit en stelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen onjuist waren, onder meer vanwege onvoldoende beperkingen en taalbarrière.

De rechtbank beoordeelde het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zorgvuldig, consistent en goed gemotiveerd. Eiser leverde geen medische gegevens die zijn stellingen ondersteunden. Ook de arbeidskundige beoordeling werd als deugdelijk en passend beoordeeld, waarbij de geduide functies eenvoudig genoeg zijn om ook met beperkte taalvaardigheid te kunnen worden uitgevoerd.

De rechtbank wees het verzoek van eiser af om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen, omdat eiser voldoende gelegenheid had gehad zijn standpunten te onderbouwen en de rechtbank de beoordeling zelf kon toetsen. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het UWV terecht de uitkering introk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht de Ziektewetuitkering ingetrokken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3775

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.D.F.V. Hein),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).

Inleiding

In deze zaak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (Zw) heeft ingetrokken per 31 augustus 2024, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Voorgeschiedenis en bestreden besluit

Eiser heeft zich op 14 december 2022 en opnieuw op 28 maart 2023 ziekgemeld. Daarvoor was eiser via Tempo-Team Uitzenden B.V. werkzaam als [functie] voor gemiddeld 35,04 uur per week. Eiser bereikte op 13 december 2023 het einde van het eerste ziektejaar. In het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) heeft het Uwv vastgesteld dat eiser met passende functies 77,21%, dus meer dan 65%, kan verdienen in vergelijking met het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Met het besluit van 30 juli 2024 heeft het Uwv vastgesteld dat eiser per 31 augustus 2024 niet meer in aanmerking komt voor een ZW-uitkering. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 23 mei 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is het Uwv bij de beëindiging van de ZW-uitkering gebleven. Daarbij is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat eiser met passende functies 73,31% kan verdienen in vergelijking met zijn vorige inkomsten uit loondienst. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Eiser was hierbij in persoon aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en door M. Scelem, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordelingskader

4. Eiser heeft recht op een ZW-uitkering als hij wegens ziekte of gebrek ten hoogste 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. [1] De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat eiser als [functie] verdiende te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is. In deze zaak heeft eiser de rechtbank gevraagd een onafhankelijk deskundige te benoemen.
6. Van belang is verder dat het in deze zaak gaat om de medische situatie van eiser per het einde van het eerste ziektejaar, in dit geval 13 december 2023. Het gaat dus om de medische situatie van eiser op die datum, de zogenoemde datum in geding.

Beoordeling door de rechtbank

De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
7. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de onder 5. genoemde voorwaarden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd. Ook heeft zij de medische informatie in de heroverweging betrokken die tijdens de bezwaarfase verkregen is bij de behandelende sector, te weten de brief van de huisarts van 29 april 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Bovendien heeft eiser geen gronden ingediend tegen de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Het rapport voldoet dus aan de drie voorwaarden. Dat betekent dat het Uwv het bestreden besluit mocht baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De medische beoordeling
8. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 mei 2025 de gezondheidssituatie van eiser in kaart gebracht. Eiser heeft zich vanuit de WW ziekgemeld in verband met belemmerende gezondheidsklachten. Hij is uitgevallen wegens psychische klachten na een verkeersongeluk in 2020 waarbij hij een fietser heeft aangereden. Eiser heeft last van spanningen, moeite met inslapen, harde schokken in zijn lichaam en handtrillingen. Ook wordt incontinentie als een van de gezondheidsklachten genoemd. Daarnaast kampt eiser met psychosociale problemen als schulden en een echtscheiding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat in het rapport uit van de diagnoses: posttraumatische stressstoornis, tremor en hypertensie. Hij ziet daarbij geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts en de door hem opgestelde FML van 10 juli 2024. In die FML zijn vanwege de klachten van eiser een groot aantal beperkingen aangenomen in alle rubrieken.
Eiser stelt dat hij meer beperkt is dan wordt aangenomen door de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiser stelt daarbij dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden en dat daarom de vaststelling van zijn belastbaarheid onjuist is.
9. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de opgestelde FML. Zo heeft eiser geen medische gegevens verstrekt die het aannemen van beperkingen op de items Afleiding door anderen, Handelingstempo en Repetitieve handelingen onderbouwen. Ook ten aanzien van de standpunten met betrekking tot de overige beperkingen van de fysieke aanpassingsmogelijkheden (een adequaat toilet) en overige beperkingen ten aanzien van werktijden (kan ’s nachts niet werken) ziet de rechtbank geen aanleiding om aanvullende beperkingen op te nemen, nu deze standpunten niet door eiser zijn onderbouwd met medische gegevens en hier door de verzekeringsarts al beperkingen op zijn aangenomen.
10. Het is de rechtbank niet gebleken dat op de datum in geding diagnoses zijn gemist of dat de ernst van de klachten verkeerd zijn ingeschat. De beroepsgronden van eiser ten aanzien van de inhoudelijke medische beoordeling slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen reden tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.

Onafhankelijk medisch deskundige

11. De rechtbank ziet geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen. Volgens de Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter in een zaak als deze, is de rechtbank niet verplicht om een medisch deskundige te benoemen als de eisende partij geen financiële middelen heeft om zelf een deskundige in te schakelen. Ook is er geen reden om aan te nemen dat eiser belemmeringen heeft ondervonden bij het onderbouwen van zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beperkingen onjuist heeft beoordeeld. Eiser heeft in de bezwaarprocedure immers medische informatie overgelegd. Verder heeft eiser een toelichting gegeven op de klachten die hij ervaart. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze stukken en eisers toelichting betrokken bij de beoordeling van eisers beperkingen en belastbaarheid. Deze beoordeling kan door de rechtbank worden getoetst en dat heeft de rechtbank hiervoor (zie overweging 12) ook gedaan. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen daarom af.
Arbeidskundige beoordeling
12. Eiser heeft geen gronden ingediend tegen de arbeidskundige beoordeling, anders dan dat hij de geduide functies vanwege zijn medische situatie niet kan verrichten. Daarnaast stelt eiser ook dat hij niet geschikt is voor de geduide functies vanwege de taalbarrière. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt en wijst daarbij op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep [2] waaruit volgt dat dat ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat kan worden geacht eenvoudige productiematige functies te vervullen. Het verrichten van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies zijn naar het oordeel van de rechtbank, zo blijkt ook uit de Resultaat Functiebeoordeling van 26 juli 2024, zo eenvoudig dat dat ook zonder adequaat begrip van de Nederlandse taal mogelijk is.
13. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties inpakker (handmatig) (SBC-code 111190), lader, losser (SBC-code 111220) en medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111161). De arbeidskundige beoordeling is namelijk gebaseerd op de FML van 10 juli 2024 en de rechtbank gaat uit van de juistheid daarvan. In het arbeidsdeskundig rapport van 21 mei 2025 is deugdelijk gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiser, zoals vastgelegd in de FML, niet overschrijden en dus passend zijn. Deze functies heeft het Uwv dan ook aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser ten grondslag mogen leggen. Eiser is 26,69% arbeidsongeschikt.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat eiser op 13 december 2023 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd, waardoor eiser per 31 augustus 2023 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr.T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 19aa van de Zw.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:330.