ECLI:NL:RBMNE:2025:7458

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
11521180 \ UC EXPL 25-878
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:754 BWArt. 6:74 BWArt. 6:103 BWArt. 186 RvArt. 187 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en herstel gebreken betonvloer en aanbouw bij woning

Eisers lieten een betonvloer storten door gedaagde sub 1 en een aanbouw plaatsen door gedaagde sub 4. Na oplevering ontstonden lekkageproblemen en werd de geschiktheid van de betonvloer betwist. Eisers vorderen herstel van de betonvloer en de aanbouw, alsmede schadevergoeding.

De kantonrechter stelt vast dat gedaagde sub 4 tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen door het ontbreken van een waterkering en andere gebreken aan de aanbouw, waarvoor hij aansprakelijk is. Gedaagde sub 1 had de eisers moeten waarschuwen dat hij niet kon garanderen dat de betonvloer geschikt was voor een aanbouw, wat hij niet heeft gedaan, waardoor hij zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden.

Het is echter onduidelijk of de betonvloer daadwerkelijk ondeugdelijk is of schade veroorzaakt. Daarom beveelt de kantonrechter een deskundigenonderzoek om de geschiktheid en eventuele verzakking van de vloer te onderzoeken. De kosten van dit onderzoek moeten door eisers worden voorgeschoten. De beslissing over herstel van de betonvloer en de aanbouw wordt aangehouden totdat de onderzoeksresultaten bekend zijn.

Uitkomst: Gedaagde sub 1 schendt waarschuwingsplicht, gedaagde sub 4 aansprakelijk voor lekkage; deskundigenonderzoek bevolen voor betonvloer.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11521180 \ UC EXPL 25-878
Tussenvonnis van 31 december 2025
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,2. [eiser sub 2] ,

beiden woonachtig te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ,
gemachtigde: mr. J. van Dooren,
tegen

1.[gedaagde sub 1 (VOF)] ,

gevestigd te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
3.
[gedaagde sub 3],
beiden in hun hoedanigheid als vennoot van gedaagde sub 1,
beiden woonachtig te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1 (VOF)] (enkelvoud),
gemachtigde: mr. M.J.G. Pennings,
en

4. [gedaagde sub 4 (VOF)] ,

gevestigd te [plaats 3] ,
5.
[gedaagde sub 5],
6.
[gedaagde sub 6],
beiden in hun hoedanigheid als vennoot van gedaagde sub 4,
beiden woonachtig te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 4 (VOF)] (enkelvoud),
gemachtigde: mr. E.J.W. van den Berg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 22;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1 (VOF)] ;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 4 (VOF)] met producties 1 tot en met 7;
- akte van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] met aanvullende producties 23 tot en met 25;
- akte van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] met een transscriptie van productie 24;
- akte van [gedaagde sub 1 (VOF)] ;
- akte uitlaten producties van [gedaagde sub 4 (VOF)] .
1.2.
Op 28 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Na de mondelinge behandeling mocht [gedaagde sub 1 (VOF)] zich nog uitlaten over het rapport dat namens [gedaagde sub 4 (VOF)] is overgelegd (productie 7 van [gedaagde sub 4 (VOF)] ), omdat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] dit rapport tijdens de mondelinge behandeling ook aan hun vorderingen jegens [gedaagde sub 1 (VOF)] ten grondslag hebben gelegd en [gedaagde sub 1 (VOF)] niet eerder in de gelegenheid is geweest om hierop te reageren. Daarnaast mochten zowel [gedaagde sub 1 (VOF)] als [gedaagde sub 4 (VOF)] zich na de mondelinge behandeling nog uitlaten over de namens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] overgelegde producties 23 tot en met 25. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.Kern van de zaak

2.1.
[gedaagde sub 1 (VOF)] heeft in opdracht van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] bij hun woning een betonvloer gestort. [gedaagde sub 4 (VOF)] heeft daarna (ook in opdracht van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ) op die betonvloer een aanbouw geplaatst. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] kregen vervolgens onder andere last van lekkageproblemen in de aanbouw. Volgens hen komt dit doordat zowel de betonvloer als de aanbouw niet voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Primair vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in deze procedure van [gedaagde sub 1 (VOF)] dat hij de betonvloer herstelt en van [gedaagde sub 4 (VOF)] dat hij de aanbouw herstelt. Daarnaast vorderen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ook dat zowel [gedaagde sub 1 (VOF)] als [gedaagde sub 4 (VOF)] de door hen geleden gevolgschade vergoeden, primair in natura en subsidiair in geld (€ 16.920,00).
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde sub 4 (VOF)] aansprakelijk is voor de lekkageproblemen aan de aanbouw. Verder had het op de weg van [gedaagde sub 1 (VOF)] – als professionele partij –gelegen om [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] er op te wijzen dat hij niet wist of de door hem te storten vloer geschikt was voor het bouwen van een aanbouw. Op dit moment kan niet worden vastgesteld of het tot problemen heeft geleid dat [gedaagde sub 1 (VOF)] hier niet voor heeft gewaarschuwd. De kantonrechter is voornemens om een deskundige te benoemen om dat te onderzoeken.

3.De beoordeling

3.1.
Volgens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] lekt de aanbouw op verschillende plaatsen en is de betonvloer ondeugdelijk. De kantonrechter zal eerst ingaan op de problemen aan de vloer en daarna op de problemen aan de aanbouw.
De betonvloer: de stellingen van partijen
3.2.
[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] wilden graag een aanbouw bij hun woning. Voordat de aanbouw kon worden geplaatst, moest eerst een betonvloer worden gestort. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben de betonvloer laten storten door [gedaagde sub 1 (VOF)] . [gedaagde sub 1 (VOF)] had namelijk ook al bij de ouders van [eiseres sub 1] een betonvloer gestort. Volgens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben zij mondeling met [gedaagde sub 1 (VOF)] afgesproken dat hij een betonvloer zou storten waarop een aanbouw kon worden geplaatst. [gedaagde sub 1 (VOF)] was hier volgens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] dus van op de hoogte. De aanneemsom bedroeg € 3.000,00 (inclusief btw). Op de betonvloer is vervolgens door [gedaagde sub 4 (VOF)] een aanbouw gerealiseerd.
3.3.
Volgens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] Zijn er verschillende gebreken aan de betonvloer, te weten:
  • de betonvloer is niet geïsoleerd;
  • er ontbreekt een vorstrand;
  • er ontbreekt een waterkering;
  • de vloer is ongeschikt om te dienen als ondergrond van de aanbouw.
3.4.
[gedaagde sub 1 (VOF)] betwist dat hij met [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] heeft afgesproken dat hij een vloer zou storten waarop een aanbouw kon worden geplaatst. Volgens hem was de afspraak dat hij net zo’n vloer zou storten als bij de vader van [eiseres sub 1] . Dat betekende dat hij, net zoals bij de vader van [eiseres sub 1] , isolatieplaten, bewapening en bekisting zou aanbrengen en vervolgens beton zou storten en egaliseren en dit heeft hij gedaan.
3.5.
Volgens [gedaagde sub 1 (VOF)] hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] nooit gezegd dat er op de vloer een aanbouw zou worden geplaatst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde sub 1 (VOF)] verklaard dat – als ze dat wel hadden gezegd – hij hun zou hebben gezegd dat ze een constructeur moesten inschakelen om te berekenen of een dergelijke vloer sterk genoeg was om een aanbouw te kunnen dragen. Zelf maakt hij dat soort berekeningen namelijk niet. Hij stort alleen beton. [gedaagde sub 1 (VOF)] zegt dat hij uit interesse wel heeft gevraagd waarvoor de vloer zou worden gebruikt, maar volgens hem hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] daarop geantwoord dat dat op dat moment nog niet duidelijk was. Verder stelt [gedaagde sub 1 (VOF)] dat niet is komen vast te staan dat de vloer niet geschikt is voor de aanbouw. Uit de beide deskundigenrapporten die zijn opgesteld is dat niet af te leiden.
De isolatie en de vorstrand zijn aanwezig
3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de isolatie en vorstrand niet ontbreken. De isolatie is namelijk zichtbaar op de door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] overgelegde foto’s. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter deze foto’s met partijen besproken en heeft [eiser sub 2] bevestigd dat de isolatie aanwezig is. Daarnaast ontbreekt ook de vorstrand niet. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat [eiser sub 2] die zelf heeft uitgegraven.
De waterkering
3.7.
Niet in geschil is dat de waterkering ontbreekt. Dit had [gedaagde sub 4 (VOF)] kunnen waarnemen toen hij zijn bouwwerkzaamheden startte. Het had op de weg van [gedaagde sub 4 (VOF)] gelegen om ervoor te zorgen dat er wel een waterkering werd aangebracht. Door dit niet te doen is [gedaagde sub 4 (VOF)] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen. [gedaagde sub 4 (VOF)] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een waterkering kan maken en dat dit kan zonder dat de vloer hoeft te worden verwijderd. Herstel van dit gebrek komt daarom in beginsel voor rekening van [gedaagde sub 4 (VOF)] . De kantonrechter verwijst op dit onderdeel verder naar hetgeen hierna onder 3.27 wordt overwogen.
Op dit moment kan niet vastgesteld worden of de vloer ondeugdelijk is
3.8.
[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] stellen dat de vloer ondeugdelijk is om te dienen als ondergrond voor de aanbouw. Zij wijzen op de gebreken die [onderneming 1] constateert in het door [gedaagde sub 4 (VOF)] overgelegde rapport. Volgens [onderneming 1] voldoet de betonvloer niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. In de betonvloer is geen steensponning aangelegd, de vloer steekt aan de rechterkant 8 centimeter uit en is er een koudebrug aanwezig. Door het ontbreken van de steensponning kan het regenwater over de betonvloer aan de binnenzijde komen. Naar de kantonrechter begrijpt hangen de problemen over de steensponning, waterkering en koudebrug met elkaar samen. Voor wat betreft het ontbreken van de steensponning/waterkering verwijst de kantonrechter naar hetgeen hiervoor is overwogen. Verder blijkt uit het rapport niet dat het feit dat de vloer aan één zijde 8 centimeter uitsteekt tot problemen leidt. Daarnaast constateert [onderneming 1] in haar rapport dat de betonvloer aan het verzakken is. [onderneming 1] suggereert dat dit komt doordat er geen gebruik is gemaakt van heipalen, maar dit weet zij kennelijk niet zeker. In het rapport staat namelijk:
“Tevens adviseren wij om een constructietekening en – berekening te laten maken, waaruit naar onze inschatting ook het toepassen van heipalen zal blijken.”
3.9.
Voor wat betreft het verzakken van de vloer komt [onderneming 1] dus niet tot de conclusie dat de betonvloer op dat onderdeel ondeugdelijk is, maar zij sluit die mogelijkheid ook niet uit. Verder is in de rapporten van [onderneming 2] en [onderneming 3] niets opgenomen over het verzakken van de vloer. Op basis van deze informatie kan de kantonrechter op dit moment niet vaststellen dat de betonvloer op dit onderdeel ondeugdelijk is. De kantonrechter is voornemens een deskundige te benoemen om hier nader onderzoek naar te doen. Maar het heeft alleen zin om dat te doen, als [gedaagde sub 1 (VOF)] en/of [gedaagde sub 4 (VOF)] aansprakelijk zijn tegenover [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] als zou blijken dat er sprake is van een gebrek aan de vloer. Daarom zal de kantonrechter dat eerst beoordelen.
[gedaagde sub 1 (VOF)] heeft zijn waarschuwingsplicht geschonden
3.10.
De kantonrechter begrijpt dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vinden dat [gedaagde sub 1 (VOF)] zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser sub 2] namelijk gezegd dat [gedaagde sub 1 (VOF)] een professional is die de juiste vragen had moeten stellen en niet zomaar een vloer mocht storten. Welke vragen [eiser sub 2] precies bedoelt, heeft hij niet toegelicht, maar de kantonrechter begrijpt deze opmerking van [eiser sub 2] zo dat hij vindt dat er een waarschuwingsplicht op [gedaagde sub 1 (VOF)] rustte en dat hij die heeft geschonden, omdat hij hen er niet op heeft gewezen dat zij een constructeur hadden moeten inschakelen. De kantonrechter zal dit daarom beoordelen.
3.11.
In artikel 7:754 van Pro het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat een aannemer verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijze behoorde te kennen. De aannemer moet dus de risico’s die het leveren van deugdelijk werk bedreigen, onderkennen en doorgeven aan de opdrachtgever. De bedoeling van deze waarschuwingsplicht is dat de opdrachtgever zich realiseert welke risico’s hij loopt en aan de hand van de relevante informatie een beslissing kan nemen. In dit geval lag het des te meer voor de hand dat [gedaagde sub 1 (VOF)] [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] waarschuwde voor eventuele onjuistheden omdat [gedaagde sub 1 (VOF)] een professionele aannemer is en [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] niet-deskundige particulieren zijn en dat zij niet werden bijgestaan door een deskundige (zie bijvoorbeeld ook de uitspraak met vindplaats ECLI:NL:GHSHE:2016:862).
3.12.
De volgende omstandigheden zijn in dit geval van belang:
  • [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hadden [gedaagde sub 1 (VOF)] in het najaar van 2021 gevraagd een betonnen vloer te storten achter hun huis;
  • ze hadden [gedaagde sub 1 (VOF)] gevraagd eenzelfde vloer te storten als hij ook had gestort bij de vader van [eiseres sub 1] . Bij haar vader was een vloer gestort waarop een aanbouw was gerealiseerd;
  • het ging om een vloer achter een nieuwe woning die in 2020 was gebouwd;
  • de beide buurpanden waren voorzien van een aanbouw, waar de te storten vloer tussen in werd aangelegd.
3.13.
Vanwege de hiervoor opgesomde omstandigheden lag het voor de hand dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de vloer wilden gebruiken om er een aanbouw op te realiseren. Het ligt bovendien niet voor de hand dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] op een vraag van [gedaagde sub 1 (VOF)] zouden hebben geantwoord dat ze niet wisten waarvoor ze de aanbouw zouden gaan gebruiken. Het laten storten van een betonvloer wordt in de regel gedaan met een van tevoren uitgedacht plan. In dit geval staat vast dat dat plan er al lag omdat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] al in contact waren met [gedaagde sub 4 (VOF)] voor het bouwen van de aanbouw en [gedaagde sub 4 (VOF)] hier ook al een offerte voor had uitgebracht. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hadden op 27 mei 2021 ook al een aanbetaling gedaan aan [gedaagde sub 4 (VOF)] . [gedaagde sub 1 (VOF)] heeft de betonvloer pas vijf maanden daarna gestort op 28 oktober 2021. Het is dan ook zeer onaannemelijk dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gezegd zouden hebben dat ze nog niet wisten waarvoor ze de betonvloer zouden gaan gebruiken. Het ligt veel meer voor de hand dat [gedaagde sub 1 (VOF)] wist dat er een aanbouw op de betonvloer gerealiseerd zou worden (wat volgens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ook het geval was). Van [gedaagde sub 1 (VOF)] had daarom verwacht mogen worden dat hij [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ervoor waarschuwde dat hij niet wist of de vloer geschikt zou zijn om de aanbouw op te realiseren. Kennelijk was [gedaagde sub 1 (VOF)] daar zelf ook niet van overtuigd. Zoals hiervoor al is overwogen heeft hij tijdens de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat hij [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zou hebben geadviseerd een constructeur in te schakelen als hij had geweten dat ze een aanbouw op de betonvloer wilden gaan bouwen.
3.14.
Het voorgaande wordt niet anders als [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] inderdaad gezegd zouden hebben dat ze nog niet wisten waarvoor ze de aanbouw zouden gaan gebruiken, zoals [gedaagde sub 1 (VOF)] stelt. Ook in dat geval had [gedaagde sub 1 (VOF)] moeten waarschuwen. Hij vond namelijk dat de betonvloer voor sommige soorten gebruik (zoals een terras) zonder meer geschikt was, maar voor een ander soort gebruik (een aanbouw) nader advies van een deskundige nodig was. Als professionele aannemer had hij deze informatie moeten delen met [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] . Het staat vast dat hij dat niet heeft gedaan.
3.15.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde sub 1 (VOF)] tekort is geschoten in zijn waarschuwingsplicht.
[gedaagde sub 4 (VOF)] is niet aansprakelijk voor gebreken aan de vloer
3.16.
Volgens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] heeft [gedaagde sub 4 (VOF)] (ook) zijn waarschuwingsplicht geschonden. Volgens hen had [gedaagde sub 4 (VOF)] hun moeten waarschuwen voor de ondeugdelijke vloer. [gedaagde sub 4 (VOF)] stelt dat hij geen fouten in de betonvloer heeft geconstateerd voordat hij begon met bouwen. Volgens [gedaagde sub 4 (VOF)] heeft hij wel aangegeven dat hij niet kon instaan voor de deugdelijkheid van de betonvloer omdat hij die niet zelf heeft gelegd.
3.17.
Nog los van de vraag of de vloer inderdaad ondeugdelijk is zoals [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] stellen, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde sub 4 (VOF)] [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] niet had hoeven waarschuwen. Het staat namelijk vast dat [gedaagde sub 4 (VOF)] niet betrokken was bij de opdracht om de vloer te storten en hij kon ook aan de buitenkant, op de steensponning/waterkering na, niet zien of de vloer ondeugdelijk was. Hij mocht er daarom op vertrouwen dat de vloer correct was gestort.
3.18.
[gedaagde sub 4 (VOF)] is dus niet aansprakelijk is voor eventuele fouten aan de betonvloer.
Conclusie over de betonvloer
3.19.
De conclusie is dat [gedaagde sub 1 (VOF)] tekort is geschoten in zijn waarschuwingsplicht naar [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] . Het is echter de vraag of dat tot schade heeft geleid. Het staat namelijk niet vast dat de betonvloer ondeugdelijk is. Als dat niet het geval is, hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] geen vordering op [gedaagde sub 1 (VOF)] . Maar als blijkt dat de vloer niet geschikt is om een aanbouw op te plaatsen, dan moet [gedaagde sub 1 (VOF)] in beginsel de schade die daardoor is ontstaan herstellen (op grond van artikel 6:74 in Pro combinatie met artikel 6:103 van Pro het Burgerlijk Wetboek). In dat geval zal nog moeten worden vastgesteld hoe hoog de schade is die [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] als gevolg daarvan hebben geleden. Zo is het de vraag of de extra kosten voor het laten aanleggen van een fundering (als de huidige vloer is weggehaald) daaronder vallen. Die kosten hadden [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] namelijk ook moeten maken als zij van aanvang af hadden geweten dat het aanleggen van een fundering nodig was. Over de hoogte van de schade moet daarom later in deze procedure nog worden geoordeeld.
Er zal een deskundigenonderzoek worden bevolen
3.20.
De kantonrechter is dus van oordeel dat een deskundigenonderzoek nodig is om een eindbeslissing te kunnen nemen in deze zaak. Op grond van artikel 186 lid 1 en Pro lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) heeft de kantonrechter de mogelijkheid om te bevelen dat er een deskundigenonderzoek wordt gedaan en de kantonrechter is voornemens om dat te doen. Partijen krijgen de gelegenheid om zich daarover uit te laten.
Punten waarover partijen zich kunnen uitlaten
3.21.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zou kunnen worden volstaan met de benoeming van één deskundige. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de volgende vragen aan de deskundige zouden kunnen worden gesteld:
is de door [gedaagde sub 1 (VOF)] gestorte vloer geschikt is om te dienen als ondergrond voor de door [gedaagde sub 4 (VOF)] gebouwde aanbouw? Kunt u dit toelichten?
is de vloer aan het verzakken? Zo ja, kunt u dan aangeven wat hiervan de oorzaak is?
is de door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gewenste aanbouw te verwezenlijken zonder de nu aanwezige vloer te vervangen door een nieuwe vloer? Is het daarvoor nodig dat een onderheide vloer wordt aangelegd? Kunt u dit toelichten?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de kantonrechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
3.22.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De kantonrechter zal de zaak daarvoor naar de rol verwijzen. In het belang van de voortgang van de zaak wordt partijen verzocht tegelijkertijd op de hierna te noemen roldatum de akte te nemen.
[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] moeten het voorschot van de deskundige betalen
3.23.
Het wettelijke uitgangspunt is dat de eisende partij de kosten van een deskundigenonderzoek moet voorschieten (artikel 187 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De kantonrechter ziet in dit geval geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zullen daarom het voorschot moeten betalen. De hoogte van het voorschot zal na overleg met de te benoemen deskundige door de kantonrechter op een later moment worden vastgesteld. In het eindvonnis zal worden bepaald voor wiens rekening de definitieve kosten uiteindelijk zullen komen. In beginsel is dat de partij die (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld.
De aanbouw: [gedaagde sub 4 (VOF)] moet de gebreken herstellen
3.24.
[gedaagde sub 4 (VOF)] zou voor [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een aanbouw realiseren voor een aanneemsom van € 13.800,00 (inclusief btw). Volgens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] is [gedaagde sub 4 (VOF)] tekortgeschoten in de nakoming van die afspraak, omdat:
  • i) de dakbedekking gebrekkig is;
  • ii) de dakopstand van de lichtstraat te laag is, en;
  • iii) [gedaagde sub 4 (VOF)] het lood onjuist zou hebben aangebracht bij de aansluiting van de aanbouw.
3.25.
Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] eerst [onderneming 2] B.V. ingeschakeld die (samengevat) heeft vastgesteld dat het dak “
in geheel in zeer slecht” is. Daarna hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] [onderneming 3] ( [onderneming 3] ) ingeschakeld. [onderneming 3] heeft haar bevindingen toegelicht in een rapport (die door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] is overgelegd).
3.26.
De tekortkomingen worden niet betwist door [gedaagde sub 4 (VOF)] . In het namens [gedaagde sub 4 (VOF)] overgelegde rapport van [onderneming 1] worden deze tekortkomingen namelijk óók genoemd. Dit betekent concreet dat [gedaagde sub 4 (VOF)] de door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gestelde gebreken moet herstellen. Daarnaast heeft de kantonrechter hiervoor al overwogen dat [gedaagde sub 4 (VOF)] er ook voor moet zorgen dat een waterkering wordt aangebracht.
3.27.
De kantonrechter merkt op dat het niet zinvol is dat [gedaagde sub 4 (VOF)] tot herstel overgaat zolang nog niet vaststaat of de vloer aan het verzakken is. Als dat het geval is, is het namelijk mogelijk dat de hele aanbouw eerst zal moeten worden verwijderd om de vloer te herstellen. Daarna zal de opbouw opnieuw moeten worden opgebouwd op de herstelde betonvloer. Daarom houdt de kantonrechter beslissing ten aanzien van [gedaagde sub 4 (VOF)] aan totdat hierover duidelijkheid is.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 14 januari 2026voor het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder 3.22;
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
EM 62935