Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,en
[geïntimeerde 2] ,beiden wonende te [woonplaats] (Duitsland),
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/164345/HA ZA 11-689)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met één productie;
- de memorie van antwoord met producties.
3.De beoordeling
“om in zijn algemeenheid iets te moeten afleiden van iets anders, op het moment van daadwerkelijke montage, terwijl er afspraken zijn gemaakt over de uit te voeren werkzaamheden gaat wel ver en gaat een redelijke bedrijfsvoering, werkvoorbereiding, inkoop en planning te boven.”.
maximumwas en dat bij een vloer die hoger dan 12 cm zou worden de druk op de door [geïntimeerden] aangewende isolatieplaten te groot zou worden en dat daardoor die isolatieplaten zouden gaan inklinken en de vloer dus zou gaan verzakken. [geïntimeerden] heeft daarmee onvoldoende gesteld dat tussen partijen zou zijn overeengekomen dat de afwerkvloer niet hoger dan 12 cm zou mogen worden. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat [appellant] door een afwerkvloer van 16 cm te laten storten geen wijziging heeft aangebracht op hetgeen eerder tussen partijen zou zijn overeengekomen omtrent de hoogte van de afwerkvloer, zodat [appellant] [geïntimeerden] hierop ook niet hoefde te wijzen.
maximumwas en dat bij een vloer die hoger dan 12 cm zou worden de druk op de isolatieplaten te groot zou worden en dat daardoor die isolatieplaten zouden gaan inklinken en de vloer dus zou gaan verzakken.