Verzoekster heeft op 17 september 2024 beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat dit niet tijdig had beslist op haar verzoek tot herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van 6 november 2023.
Nadat het UWV alsnog op 30 oktober 2024 een besluit had genomen, trok verzoekster haar beroep in en verzocht zij om vergoeding van haar proceskosten. Het UWV stelde een lagere wegingsfactor voor bij de berekening van de proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de voorgestelde wegingsfactor van 0,25 niet passend was en stelde de proceskostenvergoeding vast op € 453,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 en een puntwaarde van € 907,-. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 371,- rechtstreeks door het UWV aan verzoekster moet worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen.