ECLI:NL:RBMNE:2025:845

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
UTR 24/5966
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling proceskosten na intrekking beroep wegens vertraagde herbeoordeling WIA

Verzoekster heeft op 17 september 2024 beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat dit niet tijdig had beslist op haar verzoek tot herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van 6 november 2023.

Nadat het UWV alsnog op 30 oktober 2024 een besluit had genomen, trok verzoekster haar beroep in en verzocht zij om vergoeding van haar proceskosten. Het UWV stelde een lagere wegingsfactor voor bij de berekening van de proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de voorgestelde wegingsfactor van 0,25 niet passend was en stelde de proceskostenvergoeding vast op € 453,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 en een puntwaarde van € 907,-. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 371,- rechtstreeks door het UWV aan verzoekster moet worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens vertraagde herbeoordeling WIA.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5966

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K. Gomes)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingediend op 17 september 2024 omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek van 6 november 2023 om herbeoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia).
Verweerder heeft op 30 oktober 2024 alsnog een besluit genomen op het verzoek van verzoekster. Verzoekster heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft op 15 november 2024 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en is van mening dat een wegingsfactor van 0,25 moet worden toegepast.
4. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt en stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). [1]
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Conform de uitspraak van de Afdeling van bijvoorbeeld 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.