Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1063

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/2308
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Willemse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 16 DagloonbesluitArt. 15 Dagloonbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling WIA-dagloon door UWV

Eiseres, werkzaam als [functie], meldde zich op 26 oktober 2021 ziek en ontving een IVA-uitkering van het UWV. Na een verzoek tot herziening van het WIA-dagloon stelde het UWV het dagloon opnieuw vast, waarbij het bezwaar van eiseres ongegrond werd verklaard. Eiseres stelde dat het UWV onzorgvuldig was en dat bepaalde maanden ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten bij de dagloonberekening.

De rechtbank oordeelde dat eiseres geen loongegevens had ingebracht tijdens de bezwaarfase en dat het UWV terecht uitging van de polisadministratie. De maanden oktober 2020 en april, mei en juni 2021 werden terecht buiten beschouwing gelaten omdat eiseres onvoldoende onderbouwing leverde. De maand maart 2021 werd correct meegenomen, ondanks dat vakantiegeld in die maand werd uitbetaald.

De rechtbank concludeerde dat het UWV het dagloon conform het Dagloonbesluit en de Beleidsregels correct had vastgesteld en wees het beroep af. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het WIA-dagloon door het UWV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2308

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,(het Uwv)
,verweerder
(gemachtigde: mr. S.N. Westmaas- Kanhai).

Inleiding

1. Eiseres werkte gemiddeld 24 uur per week als [functie] en zij heeft zich op 26 oktober 2021 ziekgemeld. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Met het besluit van 23 oktober 2023 heeft het Uwv aan eiseres een IVA-uitkering toegekend.
1.1.
Eiseres heeft op 31 juli 2024 een verzoek om herziening van het WIA-dagloon ingediend. Met het besluit van 28 augustus 2024 (primaire besluit) heeft het Uwv het dagloon van eiseres opnieuw vastgesteld. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 6 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres de gelegenheid te geven nader te onderbouwen dat zij in de periode april, mei en juni 2021 heeft gewerkt en de relevante loongegevens toe te sturen. Eiseres heeft hierop gereageerd met de brief van 27 oktober 2025. Het Uwv heeft vervolgens gereageerd op 20 november 2025 en eiseres heeft hierop gereageerd met de brief van 8 december 2025.
1.4.
De rechtbank heeft partijen meegedeeld dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij daarmee instemmen. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank op 22 januari 2026 het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen de vaststelling van haar dagloon door het Uwv. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Eiseres heeft ter zitting de beroepsgrond die ziet op het laatstverdiende loon bij [bedrijf] en de beroepsgrond die ziet op indexering van het dagloon ingetrokken.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Schending zorgvuldigheid
3. Eiseres stelt dat het Uwv onzorgvuldig is geweest in de besluitvorming omdat het Uwv bij de dagloonberekening niet is ingegaan op de door eiseres in bezwaar ingebrachte loongegevens.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen loongegevens heeft ingebracht in de bezwaarfase. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Dagloonberekening
4. Eiseres stelt dat het Uwv haar dagloon niet juist heeft vastgesteld. Bij de dagloonberekening heeft het Uwv de maanden oktober 2020 en april, mei en juni 2021 onterecht buiten beschouwing gelaten terwijl eiseres die maanden wel heeft gewerkt. Het ten onrechte uitsluiten van gewerkte maanden heeft geleid tot een lager dagloon. Eiseres stelt daarnaast dat het Uwv bij de dagloonberekening de maand maart dan wel april 2021 ten onrechte heeft betrokken bij de dagloonberekening terwijl zij die maanden juist niet heeft gewerkt. Uit de brief van eiseres van 2 december 2025 blijkt zij zich inmiddels ook op het standpunt stelt dat de maand april 2021 een loonloze periode betreft en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiseres op de betaling in maart 2021 doelt. Eiseres onderbouwt dit met salarisspecificaties van Young Capital, waarbij eiseres €31,03 aan vakantiegeld krijgt uitbetaald in maart 2021 terwijl zij in februari 2021 heeft gewerkt. Volgens eiseres zou het loon toegerekend moeten worden aan februari 2021. Ter onderbouwing hiervan wijst eiseres naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). [2]
4.1.
Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het dagloon juist is vastgesteld. Het dagloon wordt berekend over de periode van één jaar voor ziekte eindigend op de laatste dag van de voorlaatste maand voor iemand ziek werd. In de situatie van eiseres wordt het loon berekend over de periode 11 oktober 2020 tot en met 10 oktober 2021. Het loon van eiseres is vervolgens toewezen aan de maand waarop zij het loon volgens de polisgegevens heeft ontvangen. Volgens het Uwv is bij de berekening van het dagloon rekening gehouden met de loonloze periodes, in lijn met de uitspraak van de CRvB waar eiseres naar verwijst. Bij eiseres zijn de maanden oktober 2020, april 2021 en mei 2021 buiten beschouwing gelaten en is het aantal dagloondagen vastgesteld op 202 dagen.
4.2.
De rechtbank overweegt dat voor de berekening van het WIA-dagloon als hoofdregel geldt dat volgens het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit) [3] het dagloon wordt vastgesteld door het totale loon in de referteperiode te delen door 261 dagen. In zijn uitspraak van 30 juli 2024 heeft de CRvB geoordeeld dat de dagloonregels voor de Wet WIA gedeeltelijk wegens strijd met het verbod van discriminatie buiten toepassing moeten blijven. Bij de berekening van het dagloon voor de Wet WIA worden op grond van artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit zogeheten loonloze periodes meegeteld. Voor de berekening van het dagloon voor de Werkloosheidswet worden op grond van artikel 5 van Pro het Dagloonbesluit deze loonloze periodes niet meegeteld. De CRvB oordeelde dat de regeling van artikel 5, vijfde lid, van het Dagloonbesluit ook moet gelden voor de berekening van het dagloon voor de Wet WIA.
4.3.
Op grond van het Dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. [4] Gelet op het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de ‘Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018’ (de Beleidsregels) gaat het Uwv daarbij uit van de polisadministratie, tenzij hij vaststelt dat de gegevens uit de polisadministratie niet gebruikt kunnen worden. In dat geval gebruikt het Uwv gegevens uit een andere bron. In de toelichting bij artikel 3 van Pro de Beleidsregels is vermeld dat de gegevens uit de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt onder meer als de werknemer aantoont dat die gegevens onjuist zijn. Uit vaste rechtspraak van de CRvB [5] volgt ook dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon mag uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij de verzekerde aantoont dat deze gegevens onjuist zijn.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de maanden oktober 2020 en april, mei en juni 2021 terecht buiten beschouwing heeft gelaten. Eiseres heeft gesteld dat zij in die maanden heeft gewerkt maar dit heeft zij niet nader onderbouwd met (loon)gegevens. Omdat eiseres geen (loon)gegevens heeft aangebracht om haar standpunt te onderbouwen mocht het Uwv uitgaan van de juistheid van de loongegevens uit de polisadministratie, conform het Dagloonbesluit en de Beleidsregels. Het Uwv heeft de loonloze tijdvakken in de referteperiode vervolgens overeenkomstig de uitspraak van de CRvB van 30 juli 2024 buiten beschouwing gelaten. De beroepsgrond slaagt niet.
4.5.
De rechtbank overweegt vervolgens dat het Uwv de maand maart 2021 op een juiste manier heeft betrokken bij de vaststelling van het dagloon van eiseres. Eiseres stelt dat zij in de maand februari 2021 heeft gewerkt en dat de uitbetaling van haar vakantiegeld in maart 2021 aan februari 2021 moet worden toegekend. Uit de hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het Uwv bij de vaststelling van het dagloon mag uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij de verzekerde aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. De salarisspecificaties waar eiseres op wijst tonen aan dat zij in februari 2021 heeft gewerkt maar dat zij in maart 2021 haar vakantiegeld heeft uitbetaald gekregen. Dat is aan te merken als loon uit arbeid, niet is vereist dat eiseres daadwerkelijk heeft gewerkt die maand. De rechtbank oordeelt dat het Uwv de hoogte van de WIA-uitkering heeft berekend conform het Dagloonbesluit en de Beleidsregels en de hiervoor aangehaalde uitspraak van de CRvB. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv het dagloon op een juiste wijze heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van 30 juli 2024 ECLI:NL:CRVB:2024:1523.
3.Zie artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit.
4.Zie artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 17 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1456) en 28 februari 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:437).