Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1101

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/16/602818 FO RK 25-1459
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vervangende toestemming verhuizing vader; hoofdverblijf bij moeder vastgesteld

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor verhuizing met de minderjarige naar een andere plaats. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit over hun zoon, die momenteel zijn hoofdverblijf bij de vader heeft. De moeder verzocht om het hoofdverblijf bij haar te bepalen en een aangepaste zorgregeling.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de huidige co-ouderschapsregeling te belastend is voor de minderjarige vanwege de grote afstanden tussen de woonplaatsen van de ouders en de school. De rechtbank oordeelde dat het in het belang van het kind is om een stabiele basisplek te hebben waar hij kan wortelen en sociale contacten kan onderhouden. De situatie bij de moeder werd als stabieler beoordeeld dan bij de vader, die recent een instabiele relatie doormaakte.

De rechtbank wijzigde het hoofdverblijf naar de moeder en stelde een zorgregeling vast waarbij de minderjarige één weekend per twee weken bij de vader verblijft, inclusief de helft van de vakanties en feestdagen. Het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor verhuizing werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een brief aan de minderjarige gestuurd waarin de beslissing en de overwegingen worden toegelicht.

Uitkomst: Het hoofdverblijf van de minderjarige wordt bij de moeder vastgesteld en het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor verhuizing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLANDFamilierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/602818 / FO RK 25-1459
Verhuizing, hoofdverblijf, zorgregeling
Beschikking van 24 maart 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonend in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. W. Kok,
tegen
[de moeder],
wonend in [plaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G.R. Dorhout-Tielken.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vader (met bijlagen) ontvangen op 19 november 2025;
  • het verweerschrift van de moeder (met bijlagen) met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 15 januari 2026.
1.2.
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders en hun advocaten;
  • mevrouw [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft aan [minderjarige] , de zoon van partijen, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige] heeft op 6 februari 2026 met (kinder)rechter mr. Dopheide gesproken.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
De ouders zijn in 2019 met elkaar getrouwd. Bij beschikking van [datum echtscheiding] 2025 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [datum echtscheiding] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] . De moeder was minderjarig toen [minderjarige] geboren werd. De vader had het eenhoofdig gezag. Op [datum echtscheiding] 2025 heeft de rechtbank ook de moeder met het gezag belast, waardoor de ouders gezamenlijk met het gezag belast zijn. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vader.
2.3.
In de echtscheidingsbeschikking van [datum echtscheiding] 2025 heeft de rechtbank ook:
  • bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking;
  • voor recht verklaard dat partijen samen het gezag over [minderjarige] uitoefenen;
  • een regeling vastgesteld voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken buiten de vakanties en feestdagen, waarbij [minderjarige] bij de moeder verblijft:
o in de oneven weken van dinsdag uit school tot vrijdag uit school;
o in de even weken van donderdag uit school tot de daaropvolgende maandag uit school;
- bepaald dat de vader huurder is van de woning in [plaats 1] .
2.4.
Zoals hiervoor in punt 2.3. staat, hebben de ouders samen het gezag over [minderjarige] . Dat is van rechtswege zo sinds het huwelijk van partijen. Daarvoor had de vader alleen het gezag over [minderjarige] , omdat de moeder minderjarig was op het moment dat [minderjarige] werd geboren.
2.5.
In het ouderschapsplan hebben de ouders de volgende zorgregeling en vakantie- en feestdagenregeling afgesproken:
  • [minderjarige] verblijft in de oneven weken van dinsdag uit school tot vrijdag uit school bij de moeder en in de even weken van donderdag uit school tot de daaropvolgende maandag uit school;
  • de overige tijd verblijft [minderjarige] bij de vader;
  • tijdens de vakanties van een week zal voornoemde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken worden voortgezet. Het verblijf van [minderjarige] tijdens de overige vakanties en feestdagen wordt in onderling overleg geregeld met als uitgangspunt een verdeling bij helfte;
  • tijdens vakanties en feestdagen en als [minderjarige] op de wisseldagen geen school heeft brengt de ouder bij wie [minderjarige] het laatste verbleef [minderjarige] naar de andere ouder.
2.6.
De vader verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats 3] (gemeente [gemeente] ).
2.7.
De moeder wil dat de rechtbank het verzoek van de vader afwijst. Zij verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
- het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen, en tussen [minderjarige] en de vader een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [minderjarige] één weekend per twee weken, vanaf vrijdag uit school tot maandag naar school, plus de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vader verblijft;
subsidiair
- tussen [minderjarige] en de moeder een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [minderjarige] één weekend per twee weken, vanaf vrijdag uit school tot maandag naar school, plus de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de moeder verblijft.

3.De beoordeling van de verzoeken

De beslissing
3.1.
De rechtbank zal het hoofdverblijf van [minderjarige] wijzigen en bepalen dat hij zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft. Daarnaast zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen die inhoudt dat [minderjarige] één keer in de twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader is, en de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. Het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor de verhuizing naar [plaats 3] zal de rechtbank afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissingen neemt.
Wat staat er in de wet?
3.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat de vader de toestemming van de moeder nodig heeft om met [minderjarige] te kunnen verhuizen. Als de ouders het niet eens worden over de verhuizing, kan het geschil op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de rechtbank worden voorgelegd. Dat geldt ook voor een geschil over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . De rechtbank neemt een beslissing die zij in het belang van [minderjarige] acht.
De moeder verzoekt de rechtbank de zorgregeling te wijzigen. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een door de ouders onderling afgesproken regeling wijzigen als daarna de omstandigheden zijn gewijzigd, of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (artikel 1:253a lid 4 BW jo. 1:377e BW).
De beoordeling
3.3.
De ouders hebben tijdens hun huwelijk met [minderjarige] in een huurwoning in [plaats 1] gewoond. De moeder is in juni 2024, toen zij nog geen gezag over [minderjarige] had, naar [plaats 2] verhuisd. Zij woont daar met haar partner. Zij hebben in augustus 2025 samen een kind gekregen. De vader woont nog steeds met [minderjarige] in [plaats 1] . Sinds april 2025 heeft de vader een relatie. Zijn partner woont in een ruime woning in [plaats 3] met haar twee kinderen (van 10 jaar en 6 jaar) uit een eerdere relatie. [minderjarige] verblijft op de dagen dat hij bij de vader is bijna altijd in [plaats 3] . [minderjarige] volgt speciaal basisonderwijs op een school in [geboorteplaats] . Op maandag gaat hij uit school naar de grootouders vaderszijde in [plaats 1] . Die avond gaat hij in [plaats 1] naar judo.
3.4.
De plaatsen [geboorteplaats] , [plaats 1] , [plaats 3] en [plaats 2] liggen niet allemaal bij elkaar in de buurt en daardoor moet [minderjarige] behoorlijk veel reizen. De vader vindt dat de huidige zorgregeling desondanks uitgevoerd kan blijven worden, maar de moeder wil de zorgregeling wijzigen naar een weekendregeling (één weekend in de twee weken). Ook als de vader geen vervangende toestemming krijgt om met [minderjarige] naar [plaats 3] te verhuizen vindt zij het co-ouderschap te belastend voor [minderjarige] . Zij wil daarom dat [minderjarige] hoe dan ook één vaste woonplek zal hebben, en dat hij van daaruit om het weekend naar de andere ouder zal gaan.
3.5.
De rechtbank vindt de huidige co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] , en zal bepalen dat [minderjarige] één weekend per twee weken bij de ouder is waar hij niet zijn hoofdverblijf heeft. De rechtbank vindt het net als de moeder voor [minderjarige] noodzakelijk dat hij een ‘basisplek’ krijgt. Dat is een plek waar hij het grootste deel van de tijd verblijft, waar hij kan wortelen en een sociaal leven kan opbouwen. Omdat [minderjarige] naar speciaal basisonderwijs gaat, is het voor hem lastiger om met kinderen van school af te spreken. De leerlingen worden namelijk vaak met een taxi gebracht en opgehaald. Het is daarom extra belangrijk dat hij met kinderen in de omgeving waar hij woont kan afspreken. Ook is het met de huidige zorgregeling niet mogelijk gebleken dat [minderjarige] op voetbal gaat, terwijl hij dat wél graag wil. De afstand tussen de woon- dan wel verblijfplaats van de ouders is daarvoor te groot. Als er minder wisselingen zijn en [minderjarige] één basisplek heeft, zal dat naar verwachting ook rust geven voor [minderjarige] . Gebleken is dat hij onrustig kan zijn, ook op school. Hij heeft woede in zich en uit dat. Volgens de moeder is [minderjarige] oververmoeid als hij bij haar komt. In de e-mail van [naam] van 27 november 2025 staat ook dat de verwachting is dat het onrustige gedrag dat wordt ervaren kan verminderen als er meer stabiliteit en rust in de basis komt.
3.6.
Het is dan de vraag bij welke ouder [minderjarige] het grootste deel van de tijd zal zijn. De vader heeft verklaard dat hij bij zijn partner in [plaats 3] zal verblijven, ook als de rechtbank zijn verzoek over de verhuizing afwijst. Het is geen optie dat zijn partner in [plaats 1] gaat wonen. De advocaat van de vader heeft verteld dat afwijzing van het verzoek van de vader zal inhouden dat [minderjarige] formeel in [plaats 1] blijft wonen, maar het contact tussen de vader en zijn partner kan niet worden ontzegd en [minderjarige] zal dan in de tijd dat hij bij de vader is ook in [plaats 3] kunnen verblijven. Dit maakt dat het in wezen niet gaat over de vraag of vervangende toestemming voor de verhuizing moet worden verleend, maar over de vraag waar het hoofdverblijf van [minderjarige] moet zijn, in [plaats 3] of in [plaats 2] , en met welke ouder hij een weekendregeling zal hebben.
3.7.
De rechtbank vindt het meer in het belang van [minderjarige] dat zijn hoofdverblijf bij de moeder in [plaats 2] zal zijn, dan bij de vader in [plaats 3] .
De rechtbank vindt de situatie van de vader in [plaats 3] heel kwetsbaar. De vader heeft nog geen jaar een relatie met zijn huidige partner. Zij zijn vrijwel meteen gaan samenwonen, dus ook met [minderjarige] daarbij, en de twee kinderen van de partner van de vader. De vader verblijft in [plaats 3] vanwege de relatie en is niet op een andere manier aan die plaats gebonden. De vader vertrouwt erop dat de relatie duurzaam is. Zijn partner en hij zijn echter kort geleden, in december 2025, uit elkaar gegaan. Er is toen politie betrokken geweest na een escalatie tussen de vader en zijn partner. Volgens de vader is dit uitgepraat en ze zijn nu weer bij elkaar. De vader heeft verteld dat zowel hij als zijn partner een ‘rugzak’ hebben. De rechtbank vindt de situatie te instabiel om [minderjarige] in [plaats 3] zijn hoofdverblijf te laten hebben. De rechtbank vindt het van de vader ook niet verstandig om [minderjarige] letterlijk en figuurlijk mee te nemen in een relatie die nog relatief kort duurt en die kort geleden nog leek te zijn beëindigd. De vader had op de zitting ook geen antwoord op de vraag over een ‘plan B’ voor het geval de relatie toch weer uit zou gaan. Dat betekent dan immers dat hij met [minderjarige] in [plaats 3] woont, waar noch hij, noch [minderjarige] enige binding mee heeft, en dat vader en zoon dan op straat zouden staan.
3.8.
De moeder heeft onderbouwd dat de situatie bij haar thuis stabieler is. Zij is bijna twee jaar samen met haar huidige partner, en zij hebben samen een kind. De vader stelt dat er vorig jaar bij Veilig Thuis een melding over de situatie bij de moeder is gedaan. De moeder heeft daarop verklaard dat de vader achter die melding zat. Er lag een legale luchtbuks onder haar bed en dit heeft volgens haar geen gevolgen gehad. De vader heeft zijn stelling niet onderbouwd. Verder zijn er geen zorgen over de moeder gesteld. [minderjarige] heeft het bij zijn moeder thuis naar zijn zin (net zoals bij zijn vader). De moeder heeft verklaard dat zij de zorg voor [minderjarige] op zich kan nemen. Met de huidige co-ouderschapsregeling is het volgens de moeder na een wisseling soms even lastig de routine weer te vinden, maar dat zal anders zijn als [minderjarige] langer bij haar verblijft. De moeder zal de zorg voor [minderjarige] moeten combineren met de zorg voor haar jongere kind. Indien nodig kan de moeder hulp of ondersteuning vragen.
3.9.
[minderjarige] zal dus zijn hoofdverblijf bij de moeder hebben en één keer in de twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn. Op maandag uit school gaat hij naar de grootouders vaderszijde. De moeder heeft gezegd dat zij dat wil faciliteren en het is belangrijk dat dit gebeurt. De grootouders vaderszijde hebben namelijk vanaf de geboorte van [minderjarige] een belangrijke rol in zijn leven gespeeld. Als [minderjarige] op judo blijft (al dan niet naast voetbal), dan zal hij vanuit zijn grootouders naar judo gaan. Als [minderjarige] op voetbal gaat omdat hij dat graag wil, dan zal de vader dat op de zaterdagen dat [minderjarige] bij hem is moeten faciliteren.
3.10.
Tijdens de zitting is gesproken over de school van [minderjarige] . Hij lijkt in [geboorteplaats] op zijn plek te zitten. De moeder heeft verklaard wellicht in de toekomst te willen kijken naar een school in [plaats 2] . Bij de vraag of [minderjarige] in [geboorteplaats] op school blijft of in [plaats 2] naar een school gaat, moet het belang van [minderjarige] leidend zijn. De rechtbank vindt het daarbij belangrijk dat eerst wordt bekeken hoe het met [minderjarige] gaat als hij het merendeel van de tijd op één plek verblijft.
Verder vindt de rechtbank het belangrijk dat [minderjarige] hulp krijgt. Hij heeft een plek nodig waar hij zijn verhaal kwijt kan. Tot nu toe is het niet gelukt dat in te zetten, ondanks het advies van [naam] om dat wel te doen.
3.11.
De rechtbank zal ook bepalen dat [minderjarige] de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader is. De ouders moeten dat in onderling overleg regelen. Tijdens de zitting kwam aan de orde dat de communicatie tussen de ouders slecht verloopt, en dat er daarom soms geen afspraken worden gemaakt over het verblijf van [minderjarige] tijdens een vakantie. Het is belangrijk dat dit verandert. [naam] heeft de ouders in november 2025 geadviseerd mediation of ouderschapsbemiddeling te volgen. Dat is niet in gang gezet. Tijdens de zitting heeft de Raad de ouders geadviseerd hulp te zoeken voor de onderlinge communicatie. Het zou goed zijn als beide ouders dit (alsnog) oppakken.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.12.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat deze beslissing moet worden uitgevoerd, ook als hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Brief aan [minderjarige]
3.13.
Tegelijk met deze beschikking stuurt de rechtbank een brief aan [minderjarige] waarin wordt uitgelegd wat de beslissing is en waarom die is genomen. In deze brief staat:
“Beste [minderjarige] ,
Het is alweer een tijdje geleden dat wij elkaar spraken bij de rechtbank. Je vertelde toen dat je graag in [plaats 3] wil (blijven) wonen met je vader, [persoon1] , [persoon2] en [persoon3] . Je vindt het daar leuk, want er zijn veel kinderen om buiten te spelen. En er is ook een bos, een grote speeltuin en een geitenboerderij. Daarom wil je daar graag wonen. En ook om papa een beetje gelukkig te maken, want hij vindt het heel fijn in [plaats 3] .
Samen met nog twee rechters heb ik met jouw ouders gesproken. Je ouders hadden allebei een advocaat mee. Er was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming, die veel verstand heeft van kinderen. Veel mensen dus, maar het is ook een belangrijke beslissing, waar jij gaat wonen!
We hebben lang nagedacht wat we voor jou het beste vinden. Ik ga je uitleggen wat onze beslissing is. Onze beslissing is dat jij voortaan meer bij je moeder bent dan bij je vader. Je bent doordeweeks bij je moeder. Om het weekend ga je dan naar je vader, van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend. Op maandag blijf je gewoon naar opa en oma gaan, zoals je nu ook doet. Je moeder haalt je daar dan weer op.
Je bent misschien wel een beetje verbaasd over deze beslissing. Want jij wilde natuurlijk iets heel anders! Jouw wens hebben we ook heel serieus genomen. Maar als rechters moeten wij beslissen wat wij voor jou het beste vinden. En dat is nu dus iets anders dan wat jij zo graag wil.
Wij vinden het voor jou best wel onrustig dat je in één week op veel plekken bent. Je moeder vindt dat ook. Zij wil graag dat je voortaan één echt thuis hebt. Wij vinden dat ook. Dan kan je misschien ook op voetbal, wat nu niet kan. Wij vinden het dan bij jouw moeder rustiger en stabieler voor jou dan bij je vader. Daarom dus de beslissing dat je bij je moeder woont, en dat je om het weekend naar je vader gaat (en de helft van de vakanties en feestdagen).
We hebben het ook gehad met je moeder over dat jij graag wat vaker iets leuks met haar wil doen. Ze snapt dat heel goed. Met je broertje erbij heeft ze soms haar handen vol. Maar je moeder wil haar best doen om wat vaker iets met jou te doen. Dat kan ook makkelijker nu je dus vaker bij haar zal zijn.
[minderjarige] , ik hoop dat je nu een beetje begrijpt wat we hebben besloten, en ook waarom dat iets anders is dan wat jij graag wilde. Ik wens je veel succes met alles!”
Hierna volgt de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt het hoofdverblijf van [minderjarige] en bepaalt dat hij zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft;
4.2.
wijzigt de in de beschikking van [datum echtscheiding] 2025 vastgestelde en in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling en bepaalt dat [minderjarige] één weekend in de twee weken bij de vader is, van vrijdag uit school tot maandag naar school, en de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door (kinder)rechters mr. T. Dopheide (voorzitter), mr. L.A. Banga en mr. A.C. van Waning, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
JR