Uitspraak
1.De procedure
- het verzoekschrift van de vader (met bijlagen) ontvangen op 19 november 2025;
- het verweerschrift van de moeder (met bijlagen) met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 15 januari 2026.
- de ouders en hun advocaten;
- mevrouw [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2.Waar de procedure over gaat
- bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking;
- voor recht verklaard dat partijen samen het gezag over [minderjarige] uitoefenen;
- een regeling vastgesteld voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken buiten de vakanties en feestdagen, waarbij [minderjarige] bij de moeder verblijft:
- [minderjarige] verblijft in de oneven weken van dinsdag uit school tot vrijdag uit school bij de moeder en in de even weken van donderdag uit school tot de daaropvolgende maandag uit school;
- de overige tijd verblijft [minderjarige] bij de vader;
- tijdens de vakanties van een week zal voornoemde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken worden voortgezet. Het verblijf van [minderjarige] tijdens de overige vakanties en feestdagen wordt in onderling overleg geregeld met als uitgangspunt een verdeling bij helfte;
- tijdens vakanties en feestdagen en als [minderjarige] op de wisseldagen geen school heeft brengt de ouder bij wie [minderjarige] het laatste verbleef [minderjarige] naar de andere ouder.
3.De beoordeling van de verzoeken
De rechtbank vindt de situatie van de vader in [plaats 3] heel kwetsbaar. De vader heeft nog geen jaar een relatie met zijn huidige partner. Zij zijn vrijwel meteen gaan samenwonen, dus ook met [minderjarige] daarbij, en de twee kinderen van de partner van de vader. De vader verblijft in [plaats 3] vanwege de relatie en is niet op een andere manier aan die plaats gebonden. De vader vertrouwt erop dat de relatie duurzaam is. Zijn partner en hij zijn echter kort geleden, in december 2025, uit elkaar gegaan. Er is toen politie betrokken geweest na een escalatie tussen de vader en zijn partner. Volgens de vader is dit uitgepraat en ze zijn nu weer bij elkaar. De vader heeft verteld dat zowel hij als zijn partner een ‘rugzak’ hebben. De rechtbank vindt de situatie te instabiel om [minderjarige] in [plaats 3] zijn hoofdverblijf te laten hebben. De rechtbank vindt het van de vader ook niet verstandig om [minderjarige] letterlijk en figuurlijk mee te nemen in een relatie die nog relatief kort duurt en die kort geleden nog leek te zijn beëindigd. De vader had op de zitting ook geen antwoord op de vraag over een ‘plan B’ voor het geval de relatie toch weer uit zou gaan. Dat betekent dan immers dat hij met [minderjarige] in [plaats 3] woont, waar noch hij, noch [minderjarige] enige binding mee heeft, en dat vader en zoon dan op straat zouden staan.