ECLI:NL:RBMNE:2026:1106

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11772490 \ MC EXPL 25-3655
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:57 onder c BWArt. 7:84 BWArt. 7:60 BWArt. 7:60 lid 3 BWArt. 6:193b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging huurkoopovereenkomsten wegens niet-toetsen kredietwaardigheid consument

Tussen 2023 en 2025 kocht eiser vijf auto's bij gedaagde, deels gefinancierd via huurkoopovereenkomsten. Eiser stelde dat gedaagde niet voldeed aan haar informatieverplichtingen en de kredietwaardigheid niet had getoetst, wat volgens hem tot vernietiging van de overeenkomsten moest leiden.

De kantonrechter oordeelde dat gedaagde de precontractuele informatieplicht grotendeels had nageleefd, met overgelegde informatiebladen en overeenkomsten. Het ontbreken van een AFM-vergunning werd niet aan gedaagde toegerekend. De stelling van eiser dat de auto’s gebrekkig waren, werd onvoldoende onderbouwd.

Cruciaal was dat gedaagde niet aannemelijk had gemaakt dat zij de kredietwaardigheid van eiser had getoetst. Dit is een dwingende consumentenbeschermende verplichting. Hierdoor is niet voldaan aan een regel van openbare orde, wat leidt tot vernietiging van de huurkoopovereenkomsten op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro.

De kantonrechter kondigde aan de vernietiging uit te spreken, maar gaf partijen de gelegenheid zich hierover uit te laten, met name over de gevolgen van de vernietiging gezien de gedeeltelijke betaling door eiser. De zaak wordt aangehouden voor verdere besluitvorming na schriftelijke reacties.

Uitkomst: De huurkoopovereenkomsten worden vernietigd wegens het niet toetsen van de kredietwaardigheid, met nadere procedure over de gevolgen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11772490 \ MC EXPL 25-3655
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.R. Yucesan,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: J. Bulder, h.o.d.n. Basic Legal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] heeft tussen 2023 en 2025 vijf auto’s gekocht bij [gedaagde] , waarvan de eerste vier ook weer bij [gedaagde] zijn ingeruild. De vijfde auto heeft [gedaagde] weer onder zich. [eiser] heeft de aankoop van de auto’s deels gefinancierd met huurkoopovereenkomsten. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] daarbij niet voldaan aan haar informatieverplichtingen en heeft [gedaagde] ook de kredietwaardigheid van [eiser] niet getoetst. [gedaagde] is daartoe wel verplicht, omdat [eiser] een consument is. [eiser] vordert op die grond dat de huurkoopovereenkomsten ontbonden worden, en dat [gedaagde] al het door [eiser] betaalde (volgens [eiser] € 25.578,00) aan hem terugbetaald. Ook vordert [eiser] een verklaring voor recht dat [gedaagde] de vijfde auto onrechtmatig onder zich houdt. [gedaagde] is het daarmee niet eens. Voor het geval de overeenkomsten toch ontbonden worden, vordert [gedaagde] dat [eiser] een gebruiksvergoeding betaalt van primair € 24.000,- en subsidiair € 18.643,20.
2.2.
De kantonrechter wijst de ontbinding van de huurkoopovereenkomsten af en ook de verklaringen voor recht, maar kan voor het overige nog geen eindoordeel geven. Partijen moeten reageren op het voornemen van de kantonrechter om de huurkoopovereenkomsten te vernietigen.

3.De beoordeling

Gang van zaken bij de koop van de auto’s
3.1.
Bij de koop van de eerste auto (de Mercedes CLA) heeft [eiser] zijn eigen auto (een Volvo V40) ingeruild, een gedeelte betaald en voor het overige gedeelte een huurkoopfinanciering gesloten. De Mercedes CLA heeft [eiser] kort daarop ingeruild voor de tweede auto (de Golf GTI), waarbij een nieuwe huurkoopovereenkomst is gesloten. De kantonrechter begrijpt dat de tweede huurkoopovereenkomst ongewijzigd is voortgezet toen [eiser] de Golf GTI inruilde voor een Mercedes A (de derde auto), de Mercedes A vervolgens inruilde voor een Golf 8 (de vierde auto) en de Golf 8 inruilde voor een BMW 3.
3.2.
[eiser] stelt hij de auto’s steeds moest inruilen omdat er steeds problemen mee zouden zijn. De kantonrechter hoeft niet te beoordelen of dat zo is, omdat [eiser] daar geen rechtsgevolgen aan verbindt. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat [eiser] zijn stelling onvoldoende nader heeft onderbouwd, dus dat de geleverde auto’s gebrekkig zouden zijn geweest is niet vast komen te staan.
Nakoming van de informatieverplichtingen
3.3.
[eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] op het moment van het sluiten van de huurkoopovereenkomsten niet beschikte over een vergunning van de AFM. [gedaagde] voert aan dat zij voor die tijd wel beschikte over een vergunning, dat zij vergeten is een verlenging aan te vragen en dat nu heeft hersteld. De kantonrechter acht die uitleg redelijk en verbindt geen gevolgen aan het ontbreken van de vergunning.
3.4.
Een huurkoopovereenkomst met een consument is een consumentenkrediet [1] , waarop informatieverplichtingen van toepassing zijn. [gedaagde] heeft een precontractuele informatieplicht [2] , wat betekent dat [gedaagde] een consument ‘geruime’ tijd voor het afsluiten van de kredietovereenkomst informeert over de ins- en outs daarvan. De kantonrechter kan niet vast stellen dat [gedaagde] zich aan die precontractuele informatieplicht heeft gehouden. Volgens [eiser] is dat niet het geval, maar dat kan in het midden blijven. [eiser] stelt wel dat op basis daarvan de huurkoopovereenkomsten te ontbinden zijn, maar dat klopt niet. Een schending op dit punt levert een oneerlijke handelspraktijk op [3] . Dat maakt dat de overeenkomst vernietigbaar is, maar alleen wanneer de overeenkomst onder druk van die oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen [4] . Daarvan blijkt niets en dat legt [eiser] ook niet uit. De kantonrechter wijst de in conventie gevorderde ontbinding op die grond daarom af.
3.5.
[gedaagde] moet alle informatie over de huurkoopovereenkomst op schrift zetten en aan de consument overhandigen [5] . Volgens [eiser] zou [gedaagde] dat niet hebben gedaan. [eiser] baseert daarop dat hij nog een ontbindingsrecht [6] zou hebben, maar dat slaagt niet. [gedaagde] heeft de twee huurkoopovereenkomsten met informatiebladen overgelegd (producties 1 en 5 van [gedaagde] ), waarin alle wettelijk verplichte informatie is opgenomen. [eiser] stelt wel dat hij deze overeenkomsten niet kent, nooit gezien zou hebben en dat de handtekening op de overeenkomsten niet van hem zou zijn. Dat is onaannemelijk. Het zal niet zo zijn dat [gedaagde] bij de huurkoop van de auto’s geen enkel document zou hebben overhandigd. Als het niet de huurkoopovereenkomsten met informatiebladen zouden zijn, had [eiser] moeten uitleggen wat hij dan wel heeft gekregen. Omdat [eiser] dat niet doet, gaat de kantonrechter van de juistheid van wat [gedaagde] stelt uit. Dat betekent dat [gedaagde] voldaan heeft aan haar contractuele informatieplicht en [eiser] naar behoren gewezen is op zijn ontbindingsrecht. [eiser] heeft daar niet tijdig een beroep op gedaan en dat recht is verwerkt. De kantonrechter wijst de in conventie gevorderde ontbinding op die grond daarom af.
[gedaagde] houdt de BMW 3 niet onrechtmatig onder zich
3.6.
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] de BMW 3 onrechtmatig onder zich heeft. Dat wordt afgewezen. [eiser] erkent dat de BMW 3 voor hem te duur werd en hij deze daarom heeft teruggegeven aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft vervolgens de BMW 3 gevrijwaard en [eiser] was daarmee akkoord. Zie de WhatsApp communicatie van 26 maart 2025 (productie 11 van [eiser] ). Van onrechtmatig bezit door [gedaagde] blijkt niets. Dat [eiser] de afspraak zou hebben gemaakt dat [gedaagde] een andere auto zou aanbieden, maakt dat niet anders. [eiser] maakt geen aanspraak op teruggave van de BMW 3 en [gedaagde] maakt geen aanspraak op de resterende huurkooptermijnen. Feitelijk is de huurkoopovereenkomst voor de BMW 3 dan beëindigd.
[gedaagde] moest kredietwaardigheid van [eiser] toetsen
3.7.
[gedaagde] was bij het aangaan van de huurkoopovereenkomsten verplicht om de kredietwaardigheid van [eiser] te toetsen [7] . Die verplichting wordt zodanig van belang geacht in het kader van consumentenbescherming [8] dat de kantonrechter de nakoming daarvan altijd ambtshalve moet controleren. In deze zaak heeft [eiser] ook concreet gesteld dat [gedaagde] zijn kredietwaardigheid voorafgaand aan de huurkoop niet heeft getoetst. Het had zonder meer op de weg van [gedaagde] gelegen om naar behoren te stellen dat zij dat wel heeft gedaan, en daarbij concreet de stukken over te leggen waarop zij zich heeft gebaseerd (loonstroken en/of inkomensgegevens, BKR gegevens, etc). Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Zij stelt alleen - zonder enige uitleg - dat de kredietwaardigheid van [eiser] wel heeft getoetst en dat zij zich zou hebben gebaseerd op de ‘door [eiser] gegeven informatie’. Dat is volstrekt onvoldoende. De kantonrechter oordeelt dat niet vast is komen te staan dat [gedaagde] de kredietwaardigheid van [eiser] naar behoren heeft getoetst.
3.8.
Dat leidt tot het volgende. Consumentenbeschermende bepalingen zoals de verplichting tot het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets zijn naar vaste rechtspraak van openbare orde [9] . Als die verplichtingen niet zijn nagekomen (of dat, zoals in dit geval, niet kan worden vastgesteld), is niet voldaan aan een regel van openbare orde, zodat op grond van artikel 3:40 lid 1 BW Pro vernietiging van de kredietovereenkomst het gevolg moet zijn.
3.9.
De kantonrechter is daarom van plan om tot vernietiging van de huurkoopovereenkomsten over te gaan. Omdat dit punt geen onderwerp van het debat tussen partijen is geweest, kunnen partijen zich nog hierover bij akte uitlaten. Eerst kan [eiser] een akte nemen. In die akte moet [eiser] ook een standpunt innemen welke gevolgen de vernietiging zou moeten hebben, gezien het feit dat hij de auto’s steeds deels direct heeft betaald en slechts voor een gedeelte heeft gefinancierd door de huurkoop. [gedaagde] mag vervolgens op de akte van [eiser] reageren. Na de aktes is de kantonrechter van plan een eindvonnis uit te spreken.
3.10.
Iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 11 maart 2026 te 11:00 uurvoor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 3.9, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
RW1368

Voetnoten

1.Artikel 7:57 onder Pro c BW jo. artikel 7:84 BW Pro
2.Artikel 7:60 BW Pro
3.Artikel 7:60 lid 3 BW Pro jo. artikel 6:193b BW
4.Artikel 7:193j lid 3 BW
5.Artikel 7:61 BW Pro
6.Op basis van artikel 7:66 lid 1 sub b BW Pro
7.Artikel 4:34 Wft Pro
8.Zie Richtlijn 2008/48 EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten