ECLI:NL:RBMNE:2026:1126

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11858401 UC EXPL 25-6962 CFd/63200
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BWArt. 7:625 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ex-werknemer krijgt recht op uitbetaling van bonus over 2025

De ex-werknemer was sinds 1999 in dienst bij de werkgever en had jaarlijks aanspraak op een bonus. Na zijn opzegging vorderde hij betaling van een bonus over het fiscale jaar 2025, gebaseerd op de doelstellingen van 2024, omdat geen nieuwe regeling was overeengekomen.

De werkgever weigerde de bonus te betalen met het argument dat er geen nieuwe bonusregeling of doelstellingen waren vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het gebruikelijk was binnen de organisatie dat de bonusregeling van het voorgaande jaar werd voortgezet bij het ontbreken van nieuwe afspraken. De werkgever kon dit niet tegenwerpen.

De werkgever beriep zich ook op een discretionaire bevoegdheid om de bonus niet toe te kennen, maar dit werd verworpen omdat deze bevoegdheid beperkt is door het goed werkgeverschap en de werkgever geen objectieve criteria had aangetoond.

De werknemer had voldaan aan 50% van de doelstellingen en recht op een bonus van €52.390,50 bruto. De wettelijke rente werd toegewezen wegens te late betaling, maar de gevorderde wettelijke verhoging werd afgewezen vanwege het principiële geschil. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan de werknemer toegekend.

Uitkomst: De ex-werknemer krijgt recht op betaling van een bonus van €52.390,50 over 2025, inclusief wettelijke rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11858401 UC EXPL 25-6962 CFd/63200
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
verder ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. Th. H.P. van den Kieboom,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
verder ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.S. van der Landen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 19 augustus 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de brief van [eiser] van 27 januari 2026, met bijlagen;
  • de brief van [gedaagde] van 1 februari 2026, met één bijlage;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] .
1.2.
Op 11 februari 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [eiser] was aanwezig met de gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen, de heer [A] (Managing Director) met de gemachtigde.
1.3.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] is op 15 februari 1999 in dienst getreden bij [gedaagde] . [gedaagde] richt zich op de werving, selectie en terbeschikkingstelling van leidinggevend personeel aan derden. [eiser] was bij [gedaagde] voor het laatst werkzaam in de functie van Head of Sales en verdiende een salaris van € 8.731,71 bruto per maand exclusief emolumenten. [eiser] heeft de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] opgezegd. [eiser] heeft in de 26 jaar dat hij voor [gedaagde] werkzaam was ieder jaar aanspraak gemaakt op een bonus of commissie. Over het fiscale jaar 2025 wil [gedaagde] geen bonus betalen. De redenen die [gedaagde] daarvoor aanvoert zijn ongegrond en niet rechtsgeldig. [gedaagde] moet de bonus van € 52.390,50 aan [eiser] betalen. De door [eiser] gevorderde wettelijke verhoging wordt afgewezen. De beslissing wordt hierna toegelicht.

3.Beoordeling

De bonusregeling over het fiscale jaar 2024 geldt als uitgangspunt
3.1.
[eiser] vordert in deze procedure betaling van een bonus over het fiscale jaar 2025. Die bonus baseert hij op tussen partijen overeengekomen doelstellingen voor het fiscale jaar 2024 (1 februari 2023 tot en met 31 januari 2024). Met [eiser] is geen nieuwe bonusregeling overeengekomen en evenmin zijn nieuwe doelstellingen vastgesteld. Volgens [gedaagde] is zij daarom geen bonus verschuldigd aan [eiser] .
3.2.
Het feit dat er geen nieuwe doestellingen zijn vastgesteld en/of geen nieuwe bonusregeling is overeengekomen kan [gedaagde] niet aan [eiser] tegenwerpen. [eiser] heeft in de 26 jaar dat hij voor [gedaagde] werkzaam was ieder jaar aanspraak gemaakt op een bonus of commissie. Binnen [gedaagde] was het gebruikelijk dat in het geval geen nieuwe bonusregeling werd vastgesteld, de bonusregeling van het jaar daardoor werd voortgezet. Dat volgt uit verklaringen van twee ex-werknemers, de heer [B] (voormalig finance director) en de heer [C] (voormalig CEO) die [eiser] heeft overgelegd en die door [gedaagde] niet zijn weersproken.
3.3.
Voor [eiser] zijn geen nieuwe criteria vastgesteld en evenmin is aan [eiser] aangegeven dat de bonusregeling zou komen te vervallen. Indien [gedaagde] voor het fiscale jaar 2025 andere voorwaarden had willen overeenkomen lag het op haar weg om dit tijdig met [eiser] te bespreken. Een dergelijk gesprek heeft niet plaatsgevonden. [eiser] mocht er dus van uitgaan dat zijn bonusregeling voor het fiscale jaar 2024 zou worden voortgezet.
[gedaagde] kan geen beroep doen op discretionaire bevoegdheid
3.4.
[gedaagde] doet een beroep op de discretionaire bevoegdheid, zoals in de bonusregeling van 2024 is opgenomen. Daarin staat onder meer:
“All [gedaagde] Squared bonus and commissions are paid at the discretion of line management and [gedaagde] Squared Directors. Without respect to specific scheme rules, [gedaagde] Squared may use its absolute discretion as to whether a payment is to be made.”
3.5.
Ook dat beroep slaagt niet. Het gebruik van de discretionaire bevoegdheid is niet onbegrensd. Die bevoegdheid is onder meer onderworpen aan de norm van het goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW Pro. De bonusregeling geeft zelf geen (duidelijke) criteria voor matiging of het niet toekennen van een bonus. [gedaagde] heeft ook niet inzichtelijk gemaakt welke objectieve criteria zij hiervoor hanteert. Zij voert slechts aan dat er sprake is van een slechte financiële situatie en dat aan niemand van de directie (waartoe ook [eiser] behoorde) een bonus over 2025 is uitgekeerd. Voor zover dat al juist zou zijn, [eiser] heeft dat gemotiveerd betwist, dan betekent dat niet dat [gedaagde] zomaar kan besluiten dat zij aan [eiser] (ook) geen bonus uitkeert. Dat is onzorgvuldig en in strijd met het goed werkgeverschap.
[eiser] heeft voldaan aan de voorwaarden voor een bonus
3.6.
Volgens het bonusschema kan [eiser] een bedrag van € 104.781,00 bruto aan bonus ontvangen indien hij 100% van de overeengekomen doelstellingen behaalt. [eiser] heeft voor het fiscale jaar 2025 voldaan aan 50% van de doelstellingen. [eiser] heeft in dat jaar twee raamovereenkomsten gesloten met klanten die staan vermeld staan op een zogenaamde
“fix prospect list”. Dat geeft [eiser] recht op 20% bonus. Dat [gedaagde] de door [eiser] aangeleverde lijst met klanten niet kan controleren komt voor haar rekening en risico. Het is immers aan haar als werkgever om een deugdelijke administratie bij te houden. Dat [gedaagde] niet meer over de prospect lijst beschikt kan zij dus niet aan [eiser] tegenwerpen. Verder is door [eiser] in het fiscale jaar 2025 een seminar verzorgd. Dat de voorbereiding daarvan in het fiscale jaar 2024 zou hebben plaatsgevonden is niet relevant voor de aanspraak op dat bonusonderdeel. [gedaagde] heeft verder niet betwist dat aan het seminar ten minste 100 deelnemers hebben deelgenomen en dat het seminar door ten minste 15 respondenten is beoordeeld met een gemiddelde score van 7. Voor dat bonusonderdeel heeft [eiser] recht op 30% bonus.
[gedaagde] moet aan [eiser] een bonus betalen van € 52.390,50 bruto
3.7.
In totaal heeft [eiser] recht op een bonus van 50% van € 104.781,00. De conclusie is dat [gedaagde] aan [eiser] een bonus moet betalen van € 52.390,50 bruto. De wettelijke rente wordt toegewezen, omdat [gedaagde] te laat is met betaling.
[eiser] heeft geen recht op wettelijke verhoging
3.8.
Ten aanzien van de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW Pro) ziet de kantonrechter gelet op de omstandigheden van het geval aanleiding tot matiging over te gaan. Het gaat hier niet om uitkering van het reguliere (maandelijks uit te betalen) loon, maar om een fors bonusbedrag dat in één keer wordt uitbetaald. Bovendien komt de non-betaling voort uit een principieel verschil van mening tussen partijen. De gevorderde wettelijke verhoging wordt daarom afgewezen.
[eiser] heeft recht op buitengerechtelijke incassokosten
3.9.
De buitengerechtelijke incassokosten van € 1.298,91 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.10.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
kosten van de dagvaarding
148,04
griffierecht
732,00
salaris gemachtigde
1.732,00
(2 punten × € 866,00)
nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.756,04
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 52.390,50 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 april 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.298,91 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.756,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.