Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:114

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3200
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 2 sub f ParticipatiewetArt. 35 ParticipatiewetArt. 4:6 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 12 lid 1 en 2 Beleidsregels bijzondere bijstand RDWI 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kooktoestel wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eisers hebben bijzondere bijstand gevraagd voor de aanschaf van een kooktoestel, welke door verweerder is afgewezen omdat zij eerder voor dezelfde kosten bijzondere bijstand hebben aangevraagd zonder nieuwe feiten of omstandigheden. Eisers stelden dat de draagkracht verkeerd was berekend en dat er sprake was van bijzondere omstandigheden, waaronder schulden en een laag inkomen.

De rechtbank oordeelt dat een kooktoestel een duurzaam gebruiksgoed is en dat de kosten daarvan tot de incidenteel noodzakelijke kosten van het bestaan behoren, die in principe uit het inkomen moeten worden voldaan. Het feit dat het oude fornuis aan vervanging toe was of dat eisers vanwege energieprijzen willen overstappen op elektrisch, vormt geen bijzondere omstandigheid.

Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet konden reserveren voor de kosten, ondanks hun lage inkomen en schulden. Verweerder heeft bovendien aangetoond dat eisers in voorgaande jaren individuele inkomenstoeslag ontvingen, bedoeld om te reserveren voor duurzame gebruiksgoederen.

De rechtbank wijst de beroepsgronden over de draagkracht af omdat deze niet relevant zijn zolang niet aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand is voldaan. Ook de aangevoerde schendingen van algemene beginselen van behoorlijk bestuur slagen niet, omdat verweerder adequaat heeft gemotiveerd en op de argumenten is ingegaan.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen het griffierecht niet terug omdat zij zich niet door een gemachtigde hebben laten bijstaan.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor een kooktoestel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [woonplaats] ,

gezamenlijk te noemen: eisers
en

het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder

(gemachtigde: A. Hoekerd).

Inleiding

1. Eisers hebben bijzondere bijstand gevraagd voor een kooktoestel (de aanvraag). Deze aanvraag heeft verweerder met het besluit van 31 januari 2025 afgewezen (het primaire besluit). De reden is dat eisers eerder voor dezelfde kosten bijzondere bijstand hebben gevraagd. Ook deze aanvragen zijn afgewezen, terwijl eisers ten behoeve van de onderhavige aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden hebben aangedragen. [1] Eisers hebben bezwaar ingesteld tegen het besluit van 31 januari 2025.
2. Verweerder heeft het bezwaar met het besluit van 9 mei 2025 ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft partijen met de brief van 16 oktober 2025 laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Inhoud bestreden besluit (in essentie)

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het de aanvraag terecht heeft afgewezen. [3] Met het bestreden besluit heeft verweerder wel een nieuwe inhoudelijke beoordeling gemaakt en in die zin is de juridische grondslag voor de afwijzing gewijzigd.
Verweerder neemt niet aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden voor het ontstaan van de kosten voor het vervangen van het kooktoestel. Een kooktoestel is een duurzaam gebruiksgoed en duurzame gebruiksgoederen worden tot de incidenteel
algemeennoodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Dat eisers het vanwege de energieprijzen wenselijk vinden om over te stappen van een gasfornuis op een elektrisch kooktoestel maakt niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Het gegeven dat het fornuis aan vervanging toe was, valt hier ook niet onder.
5. Daarnaast stelt verweerder dat eisers worden geacht de kosten te kunnen voldoen uit het inkomen (de bijstandsnorm). De kosten zijn opgekomen in februari/april 2023. Het inkomen van eiser lag toen boven bijstandsniveau. Ook had eiser tot mei 2024 voldoende reserveringsruimte. Eisers konden dus reserveren voor de kosten. Verder hebben eisers vier keer individuele inkomenstoeslag ontvangen (in de jaren 2021 t/m 2024) voor bedragen van achtereenvolgens € 425,-, € 436,-, € 489,- en € 745,-. Deze toeslag is juist bedoeld voor personen met een laag inkomen die moeilijk kunnen reserveren om duurzame gebruiksgoederen te bekostigen.

Beroepsgronden (sterk verkort en in essentie)

6. Eisers stellen dat verweerder naar een verkeerde periode heeft gekeken voor het beoordelen van de bestedingsruimte die zij hebben. De periode moet volgens hen ingaan op 3 mei 2024 (de peildatum), omdat per deze datum de omstandigheden zijn gewijzigd. Eiseres woont sinds 3 mei 2024 permanent in Nederland bij eiser. Voor de bijstand moeten zij vanaf deze datum als gehuwd worden aangemerkt. Hieruit vloeit voort dat verweerder de hoogte van de draagkracht verkeerd heeft berekend. Verweerder had moeten uitgaan van gehuwden met een gezamenlijk inkomen en vermogen. Ook had de hulpbehoevendentoeslag die eiser bovenop de WIA ontvangt, buiten beschouwing moeten worden gelaten. [4]
7. De aanvraag van 15 januari 2025 voor het gasfornuis komt wel uit bijzondere omstandigheden voort. Het vorige gasfornuis was gevaarlijk, omdat sprake was van een gaslek. Bovendien werkten maar twee van de vier pitten. Ook is sprake van noodzakelijke kosten. De dagelijks kosten lopen op door de afwezigheid van een fornuis. Kant-en-klaarmaaltijden zijn namelijk duurder dan gewone maaltijden.
8. Eisers hadden niet de mogelijkheid om te reserveren of om een lening af te sluiten voor de kosten van het gasfornuis. Zij hebben tezamen slechts het inkomen van eiser tot hun beschikking. Dit betreft 75% van de IVA-uitkering (25% betreft een hulpbehoevendheidstoeslag). Het feitelijk te besteden inkomen ligt daardoor onder het bijstandsniveau. Daar komt bij dat eisers al aanzienlijke schulden hebben, onder andere door zorgkosten die in Tunesië zijn gemaakt.
9. Tot slot stellen eisers dat het bestreden besluit in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Ook stellen eisers dat zij door de handelswijze van verweerder kampen met psychische klachten.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbeslissing door de rechtbank
10. Eisers hebben op 4 juli 2025 een brief gestuurd waarin zij schrijven:
“Bij dezen trekken we het beroep met zaaknummer UTR 25/3200 PW terug.”Zij schrijven in dezelfde brief echter ook:
“(…)Eisers u hierbij verzoeken: Het beroep gegrond te verklaren en het betreden besluit te vernietigen.”Met brieven van 7 juli 2025 heeft de rechtbank de intrekking van het beroep aan partijen bevestigd. Twee dagen later, op 9 juli 2025, heeft de rechtbank het bericht ontvangen van eisers dat zij de onderhavige beroepszaak niet wensen in te trekken. Zij hebben dit herhaald met berichten van 16 juli 2025. De rechtbank heeft met de brief van 4 september 2025 geantwoord dat de beroepszaak niet als ingetrokken wordt beschouwd, omdat de mededeling van de intrekking niet rijmt met het verzoek in hetzelfde document om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. In het verweerschrift van 9 oktober 2025 voert verweerder aan dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat een gedane intrekking niet buiten de beroepstermijn ongedaan gemaakt kan worden. De argumenten van verweerder hebben grotendeels betrekking op de fase nadát is vastgesteld dat daadwerkelijk sprake is van een intrekking. Die argumenten zien dus niet op de procesbeslissing van de rechtbank dat de brief van eisers van 4 juli 2025 niet is aan te merken als intrekking, om de reden dat deze niet eenduidig is geformuleerd. De rechtbank blijft bij de procesbeslissing, zodat het beroep wordt voortgezet.
Omvang van het geding
11. De rechtbank stelt vast dat de omvang van het geding wordt gevormd door de inhoud van het bestreden besluit en de beroepsgronden (argumenten), voor zover deze betrekking hebben op een onderwerp waarop verweerder met het bestreden besluit heeft beslist. Daarnaast zijn er enkele ambtshalve te beoordelen onderwerpen, zoals de ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank zal in het navolgende enkel ingaan op de concreet aangevoerde beroepsgronden die betrekking hebben op het bestreden besluit.
Criteria voor bijzondere bijstand
12. De rechtbank beoordeelt eerst of de kosten waarvoor bijzondere bijstand [5] wordt gevraagd zich voordoen. Vervolgens beoordeelt zij of die kosten in het geval van eisers noodzakelijk zijn. Daarna beoordeelt de rechtbank of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte beantwoordt de rechtbank de vraag of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit méér bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft verweerder een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat eisers al dan niet de mogelijkheid hebben gehad om te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat de rechtbank beoordeelt in het kader van de vraag of de zich voordoende noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. [6] De vaststelling van de draagkracht is pas aan de orde als aan de andere voorwaarden van artikel 35, eerste lid, van de Pw is voldaan. [7]
13. Verweerder heeft beleidsregels vastgesteld. Hierin is specifiek opgenomen dat duurzame gebruikskosten als hoofdregel uit het eigen inkomen of vermogen moeten worden betaald en dat hiervoor gereserveerd moet worden. In beginsel wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor duurzame gebruiksgoederen. Dit is anders indien sprake is van een noodzakelijke verhuizing die niet voorzienbaar was en waarvoor niet gereserveerd kon worden. Een uitzondering is tevens als sprake is van een eerste verhuizing na het verlaten van een azc of als individuele omstandigheden hiertoe aanleiding geven. [8]
14. Het is tussen partijen niet in geschil dat de kosten zich voordoen en dat deze in het geval van eisers noodzakelijk zijn. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat sprake is van algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en niet van kosten die uit bijzondere omstandigheden voortvloeien.
15. De rechtbank stelt vast dat een kooktoestel een duurzaam gebruiksgoed is. De kosten van aanschaf, onderhoud en vervanging van dit soort goederen wordt gerekend tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen daarom in beginsel te worden voldaan uit het inkomen. Dit kan dan door een reservering vooraf of door gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening voor deze kosten is niet mogelijk. Dit is slechts anders als de kosten noodzakelijk zijn door bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Deze omstandigheden moeten er dan toe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. [9]
16. De rechtbank overweegt dat het feit dat een oud gasfornuis gebreken vertoont op zichzelf niet maakt dat de kosten voortkomen uit bijzondere omstandigheden. Een gebruiksgoed zal (afhankelijk van de levensduur) immers altijd op enig moment gebreken gaan vertonen. Als het gaat om de mogelijkheid tot reserveren, dan geldt dat het in de eerste plaats op de weg van eisers ligt om aannemelijk te maken dat zij niet konden reserveren voor de kosten waarvoor zij bijzondere bijstand hebben gevraagd en om onderbouwd uit te leggen wat de oorzaak daarvan was. [10] De algemene stelling van eisers dat zij een laag inkomen en schulden hebben, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat zij niet konden reserveren. Weliswaar hebben zij een aantal losse bankafschriften en medische stukken ingebracht, maar deze documenten bevatten geen exacte onderbouwing. Hier staat tegenover dat verweerder heeft verduidelijkt dat in vier opeenvolgende jaren individuele inkomenstoeslag is toegekend voor bedragen van € 425,-, € 436,-, € 489,- en € 745,-. De rechtbank oordeelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet konden reserveren en/of de individuele inkomenstoeslag konden aanwenden voor de ontstane kosten.
17. In het verweerschrift heeft verweerder verduidelijkt dat de draagkracht van eisers geen rol heeft gespeeld in deze procedure. In dit geval kon verweerder een vaststelling van de draagkracht achterwege laten, omdat niet aan alle voorwaarden is voldaan. De beroepsgronden over een onjuiste berekeningsperiode voor de draagkracht en onjuist vastgestelde hoogte gaan daarom niet op.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
18. De rechtbank overweegt dat eisers zich in algemene bewoordingen beroepen op verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij schrijven:
“De tweede juridische grond is dat zowel het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, de belangenafweging als het motiveringsbeginsel in relevante omstandigheden is geschonden. Dit blijkt duidelijk uit zowel de overtreding van de procedurele waarborgen en voorschriften, als de besluiten in de brieven van 19 juli 2024 als 8 januari 2025 als 15 januari 2025 als 9 mei 2025 (zie bijlagen 8-11). Ook volgt de onjuiste werkwijze uit de manier waarop verweerder de aanvragen herhaaldelijk negatief heeft beoordeeld, zowel op 19 juli 2024, op 8 januari 2025 als 15 januari 2025 / 9 mei 2025.”De rechtbank begrijpt dit argument van eisers zo, dat zij vinden dat in algemene zin onvoldoende duidelijk en gemotiveerd is ingegaan op hun individuele belangen en omstandigheden. Dit volgt de rechtbank echter niet. Zij overweegt daartoe dat verweerder in het nu voorliggende bestreden besluit is ingegaan op de argumenten van eisers, alsmede op de voor bijzondere bijstand geldende criteria. Eisers concretiseren verder niet ten opzichte van welk vergelijkbaar geval zij ongelijk zouden zijn behandeld of waarom het bestreden besluit in hun individuele geval te bezwarend is (los van de financiële situatie die eisers wel noemen). Het enkel noemen van meerdere beginselen, brieven en besluiten, zonder een duidelijke relatie te leggen met het nu voorliggende bestreden besluit, is onvoldoende. Om deze reden slagen de beroepsgronden niet.
19. Tot slot overweegt de rechtbank dat van de gestelde psychische klachten niet is gebleken dat die een duidelijke relatie tot deze procedure hebben of dat die het gevolg zijn van het handelen van verweerder.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond.
21. Eisers krijgen vanwege deze uitkomst het griffierecht niet terug. Er is niet gebleken van proceskosten, omdat eisers zich niet hebben laten bijstaan door een professioneel gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:57 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
3.Verweerder verwijst naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank over hetzelfde onderwerp van 12 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7580.
4.Eiser verwijst naar artikel 31, tweede lid, onder f, van de Participatiewet (Pw).
5.Op grond van artikel 35 van Pro de Pw.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:129.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1704 r.o. 4.6.
8.Artikel 12, eerste lid en tweede lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand RDWI 2021.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:129 r.o. 4.2.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:129 r.o. 4.5.