Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
€ 69.200,- per jaar. De huurwaarde van het object is veel lager dan de gerealiseerde huurtransacties van de drie in Hilversum gelegen vergelijkingsobjecten genoemd in de taxatiematrix. Uit deze huurtransacties volgen huurwaardes van € 82.500,-, € 115.000,- en
€ 124.200,-.
[adres 2]een te lage huurwaarde heeft, wat heeft geleid tot een te hoge kapitalisatiefactor. Ook voert eiseres aan dat de verkopen van de referenties aan de
[adres 3]en
[adres 4]niet op de vrije markt tot stand zijn gekomen en om die reden niet kunnen dienen ter onderbouwing van de vastgestelde kapitalisatiefactor. Deze verkopen hebben volgens eiseres namelijk plaatsgevonden tussen gelieerde partijen. Wanneer deze twee referentieobjecten wegvallen blijven er onvoldoende referenties over om de kapitalisatiefactor zoals gehanteerd te onderbouwen, zo stelt eiseres.
[adres 2]overweegt de rechtbank dat het hier een gerealiseerde huurwaarde betreft. Door de taxateur is op de zitting toegelicht dat dit niet een geïndexeerde huurwaarde is maar een huurwaarde die uit de markt komt. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt en stelt vast dat de referentiewoning aan de
[adres 2]goed bruikbaar is voor het bepalen van de kapitalisatiefactor.
[adres 3]en
[adres 4]neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Door eiseres wordt niet onderbouwd waarom de waardes van deze transacties niet de marktconform zouden zijn. De enkele omstandigheid dat de overeenkomst tussen gelieerde partijen tot stand is gekomen is niet voldoende om aan te nemen dat de overeengekomen transactieprijs niet de marktwaarde vertegenwoordigd. Door de taxateur is toegelicht dat dit soort objecten lang niet altijd via de vrije markt worden aangeboden, maar dat de overeengekomen transactieprijs normaal gesproken wel marktconform is. Tegen die achtergrond heeft de heffingsambtenaar deze referenties naar het oordeel van de rechtbank kunnen gebruiken ter onderbouwing van de gehanteerde kapitalisatiefactor. Bovendien geldt dat, zelfs als de twee referenties aan de
[adres 3]en
[adres 4]zouden komen te vervallen, dan nog steeds de referentie aan de
[adres 2]over blijft. In dit geval acht de rechtbank deze referentie op zichzelf ook al voldoende om de kapitalisatiefactor te onderbouwen. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing