ECLI:NL:RBMNE:2026:1151

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/4765
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op bezwaar herbeoordeling kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot 2015. Verweerder had op 27 december 2022 een besluit genomen over de jaren 2012 tot en met 2015, waarna eiseres bezwaar maakte en verzocht ook de jaren vóór 2012 te beoordelen. De rechtbank oordeelt dat dit verzoek moet worden gezien als een bezwaargrond en niet als een nieuwe aanvraag.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar heeft overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en vervolgens tijdig beroep ingesteld. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een aanvullend besluit op bezwaar moet nemen over de jaren vóór 2012.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Ook wordt een dwangsom van €1.442 vastgesteld voor de bezwaarfase. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken een aanvullend besluit te nemen met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4765

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2005 tot 2015.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [2] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [3]
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval geen sprake is van niet-tijdig beslissen op een aanvraag, zoals eiseres stelt. Eiseres heeft op 23 december 2020 een aanvraag om herbeoordeling gedaan. Daarop heeft verweerder met het besluit van 27 december 2022 beslist. In dit besluit heeft verweerder het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met 2015 beoordeeld, omdat dit – volgens verweerder – door eiseres was aangevraagd. Eiseres heeft tegen het besluit van 27 december 2022 bezwaar gemaakt. Zij heeft verweerder verzocht om ook het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren vóór 2012 te beoordelen, maar dit moet (nu) worden gezien als een bezwaargrond gericht tegen het besluit van 27 december 2022 en kan niet worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag om integrale herbeoordeling. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2025 [4] .
4. In haar uitspraken van 16 januari 2026 [5] heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt dat een ‘aanvraag’ om herbeoordeling van niet eerder beoordeelde jaren moet worden gezien als een grond van bezwaar, omdat als uitgangspunt moet worden genomen dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin verweerder een beschikking daarover heeft gegeven en het niet voor de hand ligt dat een ouder de aanvraag beperkt, tenzij dit uitdrukkelijk wel het geval is. Voor dit oordeel heeft de rechtbank van belang geacht dat verweerder heeft toegezegd dat als op een aanvraag is beslist en een ouder daarna om herbeoordeling verzoekt van toeslagjaren die in de besluitvorming niet zijn meegenomen, dit verzoek wordt aangemerkt als een bezwaargrond, ongeacht de stand van de procedure op dat moment. In het nog te nemen besluit op bezwaar wordt dan alsnog een beoordeling gemaakt van de jaren die eerder buiten beschouwing zijn gebleven. In de situatie dat al is beslist op het bezwaar, zal verweerder een aanvullend besluit op bezwaar nemen voor die jaren. Eenzelfde standpunt is in de onderhavige zaak in het verweerschrift ingenomen. De rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval anders over te oordelen.
5. Dit betekent dat er in dit geval geen nieuwe aanvraag is gedaan waarop verweerder nog niet heeft beslist. Een beroep tegen het niet tijdig beslissen op aanvraag, zoals eiseres dat heeft ingediend, kan dus niet inhoudelijk worden beoordeeld.
6. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het beroep tegen niet tijdig beslissen van eiseres op te vatten als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar ‘bezwaar’. Als de rechtbank dit niet zou doen, dan zou eiseres namelijk rechtsbescherming worden onthouden als het gaat om het afdwingen van een aanvullende beslissing op bezwaar over haar aanspraak op compensatie over andere jaren dan die al zijn beoordeeld door verweerder. Daar komt bij dat eiseres door verweerder in eerste instantie is bevestigd in de ‘tweede aanvraagprocedure’. Nadat eiseres in haar gronden van bezwaar van 2 november 2023 naar voren had gebracht dat verweerder ook naar de jaren voor 2012 had moeten kijken, heeft verweerder haar de keuze gegeven om deze bezwaargrond mee te nemen in de bezwaarfase of dit als een nieuwe aanvraag op te vatten. Eiseres heeft er toen voor gekozen om het als nieuwe aanvraag op te laten vatten. Haar kan dan ook niet worden tegengeworpen dat zij geen beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar heeft ingediend en ook daarom vat de rechtbank haar beroep zo op.
7. Eiseres heeft de bezwaargrond over jaren vóór 2012 op 2 november 2023 naar voren gebracht. Uitgaande van deze datum als de datum waarop verweerder het bezwaar over deze jaren heeft ontvangen, stelt de rechtbank vast dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 17 juni 2025, ontvangen door verweerder op 1 juli 2025, is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 19 augustus 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
8. Het beroep is gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
9. Omdat verweerder, na de beslissing op bezwaar van 30 juli 2025, nog geen aanvullend besluit op bezwaar heeft genomen waarin ook de jaren voor 2012 zijn beoordeeld, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [6] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. [7] Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
10. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wettelijke beslistermijn te kort is om een besluit te nemen. Over de vraag welke beslistermijn wel realistisch is, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 26 maart 2025 [8] uitspraak gedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar een nadere beslistermijn van zestig weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, realistisch is. In geval ten tijde van de uitspraak al zestig weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. De rechtbank ziet aanleiding om hierbij ook in gevallen zoals dat van eiseres, aan te sluiten.
11. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Verweerder heeft op 27 december 2022 de definitieve beschikkingen genomen. Het (inhoudelijke) bezwaar van eiseres tegen dit besluit over de jaren vóór 2012 is door verweerder ontvangen op 3 november 2023. De beslistermijn om op dit bezwaar te beslissen is dus aangevangen op 4 november 2023 en verliep op 8 maart 2024. Sindsdien zijn meer dan 60 weken verstreken. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een (aanvullend) besluit op bezwaar bekend moet maken.
11. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde beslistermijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Deze bedragen zijn volgens het beleid van de rechtspraak het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken. De rechtbank volgt op dit punt dus niet het bedrag van € 250,- met een maximum van € 37.500,-, zoals in de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 is voorgesteld, omdat de rechtbank van oordeel is dat het hiervoor genoemde beleid daar niet toe noopt. Bij verweerder is geen sprake van weigerachtigheid, maar – onder meer – een ernstig tekort aan menskracht. Ook het belang van eiseres rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere dwangsom niet. Een sterkere prikkel is daarom niet nodig.
Bestuurlijke dwangsom
13. Eiseres heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat hij bij besluit van 20 juli 2022 de maximale dwangsom van € 1.442,- al heeft toegekend. Deze dwangsom is namelijk toegekend voor de aanvraagfase. Voor de bezwaarfase heeft verweerder de dwangsom nog niet toegekend. De rechtbank stelt daarom op grond van artikel 8:55c van de Awb de dwangsom vast. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds verweerder in gebreke is.
Proceskosten en griffierecht
21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een aanvullend besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
25 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
6.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
7.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.