Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 10 maart 2025 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 en 2019. Verweerder stelde dat dit verzoek moet worden gezien als een bezwaargrond tegen het eerdere besluit van 13 december 2021, waarop reeds een beslissing was genomen over andere jaren. De rechtbank volgt dit standpunt en oordeelt dat er geen nieuwe aanvraag is gedaan waarop nog niet is beslist.
De rechtbank vat het beroep daarom op als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 10 maart 2025. Omdat verweerder nog geen besluit op dit bezwaar heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en gegrond. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen een realistische termijn, gesteld op uiterlijk 14 september 2026, een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €467 en het betaalde griffierecht van €53 aan eiseres. De rechtbank volgt hiermee haar eerdere uitspraken en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.