ECLI:NL:RBMNE:2026:1173

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/16/608101 / KL ZA 26-57
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 EVRMArt. 8 EVRMArt. 7 GrondwetArt. 10 GrondwetArt. 28 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod op voorgenomen publicatie wegens onvoldoende veiligheidsrisico

In deze kortgedingprocedure vorderen eisers een verbod op de voorgenomen publicatie door gedaagde van een artikel waarin de naam en herleidbare gegevens van eiser sub 2 worden genoemd. Eisers stellen dat publicatie leidt tot ernstige veiligheidsrisico’s en een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

De voorzieningenrechter weegt het recht op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid van gedaagde af tegen het recht op privacy en veiligheid van eiser sub 2. Hoewel de vordering een vorm van voorafgaand toezicht betreft, kan een dergelijk verbod worden opgelegd bij uitzonderlijke omstandigheden en onherstelbare schade.

Eisers hebben echter onvoldoende concreet en aannemelijk gemaakt dat de publicatie een acuut en reëel levensgevaar of onherstelbare schade veroorzaakt. Het feit dat eiser sub 2 bestuurder is van een bedrijf dat contracten met Defensie heeft en dat de naam al via openbare bronnen te achterhalen is, ondermijnt het veiligheidsargument.

Ook de stelling dat gedaagde vooringenomen is en geen deugdelijk wederhoor toepast, is niet onderbouwd. De vordering wordt daarom afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot verbod op publicatie wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte veiligheidsrisico’s en onherstelbare schade.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/608101 / KL ZA 26-57
Vonnis in kort geding van 13 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
woonplaats kiezende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
advocaten: mr. H.A.J.M. van Kaam en mr. J.R. van Dorp,
tegen
[gedaagde] BV.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. M.Ch. Kaaks en mr. L.M. van Schuylenburch.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de (niet betekende) dagvaarding met producties (1-16),
- de afwijzing van 10 maart 2026 van de verzoeken van [eisers c.s] om de zaak met
gesloten deuren te behandelen, partijen een mededelingsverbod als bedoeld in artikel
28 Rv. op te leggen en deze procedure buiten de (pers)map te houden. De beslissing op het
verzoek om extra (anonimiserings)waarborgen omtrent dit vonnis te bepalen, is
aangehouden,
- de conclusie van antwoord met producties (1-15),
- de nadere producties van [eisers c.s] (17-24),
1.2.
Op 12 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [gedaagde] is vrijwillig verschenen. Beide partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 13 maart 2026 een zogenaamd kop-staart vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking en is op 27 maart 2026 opgemaakt.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] is van plan om over [eisers c.s] een artikel op haar website te publiceren. [eisers c.s] wil dat het [gedaagde] wordt verboden de naam en andere tot de persoon van [eiser sub 2] te herleiden gegevens te publiceren. Volgens [eisers c.s] zal publicatie van het artikel [eiser sub 2] en zijn familie blootstellen aan reële veiligheidsrisico’s en een ernstige en ook een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer vormen. Om die redenen wil [eisers c.s] ook dat [gedaagde] het conceptartikel voor publicatie aan haar ter beoordeling voorlegt. Bij bezwaar tegen de inhoud kan [eisers c.s] dan het artikel aan de rechter voorleggen.
2.2.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat er geen grondslag is voor de door [eisers c.s] gevraagde voorzieningen. [gedaagde] krijgt gelijk.

3.De beoordeling

[eisers c.s] heeft een spoedeisend belang
3.1.
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eisers c.s] in de aard van de zaak besloten ligt. [eisers c.s] stelt namelijk dat [eiser sub 2] door de door [gedaagde] voorgenomen publicatie ernstige en onherstelbare schade zal lijden.
Het toetsingskader
3.3.
De vorderingen zien op de vermelding van [eiser sub 2] in een voorgenomen publicatie en het ter beoordeling voorleggen van het concept van die publicatie aan eisers. Deze vorderingen kwalificeren als een vorm van voorafgaand toezicht. Dat botst met het censuurverbod van artikel 10 EVRM Pro en artikel 7 Grondwet Pro. De toepasselijkheid van deze bepalingen betekent echter niet zonder meer dat een publicatie niet van tevoren mag worden verboden. Als de onrechtmatigheid daarvan voldoende is gebleken, kan ter voorkoming van onherstelbare schade een verbod vooraf worden uitgesproken. Voorafgaande beperkingen van de publicatie brengen echter zulke risico’s op ontoelaatbare inperking van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid met zich, dat de noodzaak daarvan zorgvuldig en kritisch moet worden onderzocht. Een dergelijke inperking moet gerechtvaardigd worden door uitzonderlijke omstandigheden.
3.4.
Zoals hiervoor is aangegeven houden de vorderingen een beperking in van het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in artikel 10 Grondwet Pro en artikel 8 EVRM Pro. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is, moeten de wederzijdse belangen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eisers c.s] ligt in de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [eiser sub 2] en van zijn eer en goede naam, en dat van [gedaagde] in de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder de persvrijheid. Die uitingsvrijheid brengt mee dat [gedaagde] zich kritisch en waarschuwend moet kunnen uitlaten over zaken en/of misstanden die de samenleving raken. Bij afweging van deze - op zichzelf gelijkwaardige - belangen moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daarnaast dient een eventuele beperking proportioneel te zijn.
3.5.
Omstandigheden die een rol kunnen spelen zijn onder meer de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, de inkleding van de verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie de verdenkingen betrekking hebben.
Introductie partijen
3.6.
[eiser sub 2] is indirect bestuurder van [eiser sub 1] . [eiser sub 1] en enkele andere bedrijven van [eiser sub 2] bewegen zich in de defensie- en justitie-industrie en zijn betrokken bij miljoenendeals die met het Ministerie van Defensie zijn afgesloten.
3.7.
[gedaagde] is een onafhankelijke nieuwswebsite dat zich richt op onderzoeksjournalistiek. Een van de onderwerpen waar [gedaagde] zich mee bezighoudt is het dossier Veiligheid en Defensie. In dit dossier wordt onder meer geschreven over de miljarden die geïnvesteerd worden in nieuwe wapens en personeel.
Onherstelbare schade met betrekking tot de veiligheid van [eiser sub 2] en zijn familie bij publicatie van het artikel met de vermelding van de naam [naam] . is niet aannemelijk gemaakt
3.8.
[gedaagde] heeft meegedeeld in het kader van het dossier Veiligheid en Defensie een artikel te gaan publiceren over [eisers c.s] . [eiser sub 2] zal in het artikel worden aangeduid als [naam] .
3.9.
[eisers c.s] heeft aangegeven geen bezwaar te hebben dat in het artikel [eiser sub 1] bij naam wordt genoemd. Wel verzet [eisers c.s] zich ertegen dat [eiser sub 2] bij naam genoemd wordt. Dit geldt ook voor de aanduiding [naam] .. Dit laatste werkt niet alleen criminaliserend, maar is ook dan gemakkelijk te herleiden tot [eiser sub 2] zelf. Volgens [eisers c.s] leidt het (herleidbaar) noemen van de naam [eiser sub 2] tot een acuut en reëel levensgevaar voor hem en zijn familie vanwege de uiterst gevoelige en vertrouwelijke aard van de defensie-industrie. [1]
3.10.
[eisers c.s] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het in de publicatie vermelden van de naam [naam] . tot een acuut en reëel levensgevaar voor hem en zijn familie kan leiden. De volgende punten zijn daarbij van belang geacht.
3.11.
Een voor de mondelinge behandeling ingediend verzoek met de aanduiding “ZEER URGENT - VERZOEKEN OP VOORHAND IVM VEILIGHEID”, waarbij onder meer verzocht is om de zaak met gesloten deuren te behandelen, partijen een mededelingsverbod als bedoeld in artikel 28 Rv Pro. op te leggen en deze procedure buiten de (pers)map te houden, is op 10 maart 2026 afgewezen. De voorzieningenrechter heeft deze beslissing onderbouwd door er op te wijzen dat in het verzoek weliswaar wordt gewezen op een “acuut en reëel levensgevaar” en “onherstelbare schade”, maar dat het hier blijft bij algemene bewoordingen en dat enige inhoudelijke en meer gedetailleerde onderbouwing van de stelling dat sprake is van acuut en reëel levensgevaar en/of onherstelbare schade volledig ontbreekt. [2] Ook het nadien op dezelfde dag ingediende “urgente verzoek” om de zaak toch niet in de persmap te plaatsen, dan wel te verwijderen, is afgewezen omdat er geen enkele nadere onderbouwing is gegeven.
3.12.
Op de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 is in de eerste termijn door [eisers c.s] (opnieuw) niets concreets gesteld over een mogelijk acuut en reëel levensgevaar voor [eiser sub 2] en zijn familie. Wel is gesteld dat naast de veiligheid van [eiser sub 2] ook de nationale veiligheid in het geding is. Dit nieuw gestelde veiligheidsrisico is verder niet toegelicht. [eisers c.s] heeft aan het einde van de eerste termijn nog aangeboden om de eerste pagina van de door [eiser sub 1] met het Ministerie van Defensie gesloten contracten te tonen, maar niet is aangegeven waarom daaruit het gestelde acute en reëel levensgevaar voor [eiser sub 2] en zijn familie zou blijken. In de tweede termijn is desgevraagd nog gesteld dat als veiligheidsrisico gedacht moet worden aan de “Russische Staat”.
3.13.
Aan het gestelde veiligheidsrisico vanwege de ‘Russische Staat’ wordt voorbijgegaan. [eisers c.s] heeft er geen bezwaar tegen dat [gedaagde] een artikel over [eiser sub 1] publiceert. De ‘Russische Staat’ kan vervolgens simpel door het raadplegen van het register van de Kamer van Koophandel achterhalen wie de bestuurders van [eiser sub 1] zijn. [3] De ‘Russische Staat’ heeft de publicatie van [gedaagde] , waarin de naam [eiser sub 2] of [naam] . genoemd wordt, dus niet nodig om [eiser sub 2] te linken aan [eiser sub 1] .
3.14.
Verder staat de stelling van [eisers c.s] dat [eiser sub 2] uit veiligheidsoverwegingen niet in de publiciteit treedt maar bewust de anonimiteit kiest haaks op de door [gedaagde] in de conclusie van antwoord gegeven voorbeelden uit de praktijk. Daaruit volgt namelijk dat [eiser sub 2] op sociale media (o.a. LinkedIn) zichzelf afficheert als iemand die (via zijn bij naam genoemde bedrijven) actief samenwerkt met het Ministerie van Defensie en ook actief de pers zoekt wanneer er een conflict is met bijvoorbeeld een overheidsinstantie. [4]
De overige gestelde (onherstelbare) schade voor van [eiser sub 2] bij publicatie van het artikel met de vermelding van de naam [naam] . leidt ook niet tot toewijzing van de vorderingen
3.15.
Aangenomen mag worden dat de nog te verschijnen publicatie ingaat op de kwestie dat een wapenhandelaar, zijnde [eiser sub 2] , zaken doet met het Ministerie van Defensie terwijl zijn bedrijf verdacht wordt van fraude - illegale wapenhandel - en de vergunning voor wapenhandel daarom is ingetrokken en bovendien ook nog zelf verdachte is in een slepende faillissementsfraude zaak. [5] Dit is een onderwerp van groot publiek belang.
3.16.
Volgens [eisers c.s] werpt [gedaagde] met het artikel een rookgordijn op met zogenaamde verdachtmakingen die betrekking hebben op [eiser sub 2] in privé en wordt volledig uit het oog verloren dat, om samen te werken met het Ministerie van Defensie, [eiser sub 2] aan talrijke voorschriften dient te voldoen. Niet alleen de goede naam van [eiser sub 2] wordt met de voorgenomen publicatie in diskrediet gebracht, te vrezen valt dat het voor [eisers c.s] onmogelijk wordt gemaakt nog opdrachten van het Ministerie van Defensie te vervullen. [eisers c.s] stelt dat [gedaagde] ook vooringenomen is en dat van een deugdelijk toegepast wederhoor geen sprake is geweest. Deze argumenten leiden niet tot toewijzing van de vorderingen. Hieronder wordt dit toegelicht.
3.17.
Journalisten hebben de vrijheid om te beslissen welke details zij willen publiceren om de geloofwaardigheid van een artikel te waarborgen, op voorwaarde dat de gemaakte keuzes zijn gebaseerd op binnen de journalistiek geldende ethische regels en gedragscodes. [6] Het noemen van iemands naam ziet het EHRM ook als een keuze die in principe onder de journalistieke vrijheid valt. [7] [gedaagde] heeft aangegeven zich in dit geval te beperken tot de naamsvermelding [naam] ., maar het wel belangrijk te vinden deze naam te noemen om transparant te zijn. Daarnaast wijst zij erop dat bij zaken van algemeen belang het noemen van de naam bijdraagt aan de zeggingskracht en de controleerbaarheid van de publicatie. De voorzieningenrechter is het hiermee eens.
3.18.
Uit de door [gedaagde] overgelegde transcripties van de telefoongesprekken van de journalist van [gedaagde] met [eiser sub 2] en de onderlinge e-mailwisseling blijkt dat partijen veelvuldig met elkaar hebben gesproken en dat [gedaagde] ook op diverse momenten (aanvullende) vragen aan [eiser sub 2] heeft gesteld. [8] [eisers c.s] stelt dat [gedaagde] vooringenomen is en niet naar de argumenten van [eiser sub 2] wil luisteren. Dit moet dan blijken uit de publicatie, maar die is er nog niet. Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] (volledig) voorbij zal gaan aan datgene wat [eiser sub 2] in het kader van hoor en wederhoor naar voren heeft gebracht.
3.19.
Onder 3.13. is al aangeven dat [eisers c.s] geen bezwaar heeft tegen de vermelding van de naam [eiser sub 1] in het door [gedaagde] nog te publiceren artikel. Het Ministerie van Defensie heeft diverse contracten met [eiser sub 1] gesloten. Dus ook als [eiser sub 2] in dat artikel, niet met zijn naam, maar alleen wordt aangeduid als (een van de) bestuurders van [eiser sub 1] , is het aannemelijk dat het Ministerie van Defensie de in de publicatie genoemde informatie zal kunnen linken aan [eiser sub 2] . Met andere woorden, ook als de naam van [eiser sub 2] volledig uit het artikel wordt gehaald, is het zeer de vraag in hoeverre het door [eisers c.s] gevreesde effect dat er na publicatie geen opdrachten meer met het Ministerie van Defensie zullen worden afgesloten, daadwerkelijk wordt voorkomen.
3.20.
Mogelijk heeft [eiser sub 2] na publicatie van het artikel het Ministerie van Defensie wat uit te leggen, maar volgens [eisers c.s] gaat het om verdachtmakingen die aantoonbaar onjuist zijn en ook eenvoudig te weerleggen zijn. [eisers c.s] heeft verder zelf nadrukkelijk gesteld dat [eiser sub 2] in het kader van de leveringen van militair materiaal aan Defensie volledig is gescreend en dat een screening niet lichtzinnig ter zijde kan worden geschoven. [9] Volgens [eisers c.s] weet het Ministerie van Defensie dus al precies met wie zij zaken doet. Dat [eisers c.s] schade zal lijden wanneer naast de naam [eiser sub 1] ook de naam [naam] . in de publicatie wordt vermeld, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien leidt het mogelijk ontstaan van schade naar aanleiding van een voorgenomen publicatie niet automatisch tot toewijzing van de vordering.
3.21.
En als [eiser sub 2] daadwerkelijk schade lijdt door de publicatie met de naamsvermelding [naam] .
én[gedaagde] daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden, is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van onherstelbare schade. De eventuele nadelige gevolgen kunnen door middel van een uit te spreken veroordeling tot schadevergoeding zo goed als mogelijk worden hersteld.
Conclusie
3.22.
Al het vorenstaande leidt ertoe dat er voor de door [gedaagde] voorgenomen publicatie over [eisers c.s] geen noodzaak bestaat om de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid te beperken. De vorderingen komen dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.
Geen extra (anonimiserings)waarborgen
3.23.
Het verzoek om aanvullende (anonimiserings)waarborgen te treffen en het vonnis niet te publiceren wordt afgewezen. Deze verzoeken zijn ook gebaseerd op de door [eisers c.s] gestelde veiligheidsrisico’s voor [eiser sub 2] en zijn familie. Zoals hiervoor al is overwogen, is daarvoor geen voldoende concrete onderbouwing gegeven.
De proceskosten komen voor rekening van [eisers c.s]
3.24.
[eisers c.s] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
3.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eisers c.s] af,
4.2.
veroordeelt [eisers c.s] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eisers c.s] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
4428

Voetnoten

1.In de e-mail van 4 maart 2026 van [eiser sub 2] (productie 10 van [eisers c.s] ) en in de sommatiebrief van 6 maart 2026 van de advocaten van [eiser sub 2] (productie 12 van [eisers c.s] ) is ook gesproken over een acuut en reëel risico voor de veiligheid van de vrienden van [eiser sub 2] en zijn medewerkers.
2.In de afwijzing is verder meegedeeld dat, voor zover op de zitting een of meerdere onderwerpen aan de orde komen waarbij blijkt dat de openbaarheid van zitting een goede rechtspleging schaadt, niet is uitgesloten dat alsnog tot gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren wordt besloten.
3.Zie de als productie 3 en 4 van [gedaagde] overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel
4.Zie ook de producties 6, 13A en 13B van [gedaagde]
5.Zie onder 1.15 van de pleitnota van [gedaagde]
7.EHRM 28 juni 2018, nrs. 60798/10 en 655599/10
8.Producties 9 en 10 van [gedaagde]
9.Zie onder 14. van de pleitnotitie van [eisers c.s]