Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1215

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/6725
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J. van Niejenhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 ParticipatiewetArt. 44 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum aanvullende algemene bijstand en terugwerkende kracht

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de ingangsdatum van aanvullende algemene bijstand toegekend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht. Eiser stelt dat de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2021 had moeten worden toegekend, terwijl het college de bijstand heeft toegekend vanaf 4 april 2025.

Eiser voert aan dat hij zich al in 2020 of begin 2021 telefonisch bij de gemeente heeft gemeld en dat hij eerder digitaal een aanvraag heeft gedaan, ondersteund door screenshots. De rechtbank stelt vast dat op grond van de Participatiewet bijstand in beginsel wordt toegekend vanaf de datum van melding en dat alleen onder bijzondere omstandigheden hiervan kan worden afgeweken.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich eerder heeft gemeld, mede omdat het college een registratie van meldingen bijhoudt en een dergelijke registratie ontbreekt. De screenshots betreffen een aanvraag voor bijzondere bijstand, niet voor algemene bijstand. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die een terugwerkende kracht rechtvaardigen, aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat was zich eerder te melden of dat hij door het college is afgehouden.

Daarom blijft het besluit van het college in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvullende algemene bijstand wordt toegekend met ingang van 4 april 2025 zonder terugwerkende kracht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6725

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, het college
(gemachtigde: mr. P.S. Teunissen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van aan eiser toegekende aanvullende algemene bijstand. Het college heeft deze bijstand toegekend met ingang van 4 april 2025. Eiser is het daarmee niet eens. Hij vindt dat de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2021 had moeten worden toegekend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de bijstand terecht heeft toegekend met ingang van 4 april 2025. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Eiser heeft zich op 4 april 2025 gemeld voor aanvullende algemene bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Met het besluit van 18 april 2025 heeft het college de bijstand toegekend met ingang van die datum. Bij besluit van 22 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

5. Niet in geschil zijn de hoogte van de bijstand en de gehanteerde norm. In geschil is of eiser recht heeft op aanvullende bijstand met ingang van een eerdere datum dan 4 april 2025.
6. Eiser stelt dat hij zich al in 2020 of begin 2021 (telefonisch) bij de gemeente heeft gemeld met de vraag of hij in aanmerking kwam voor aanvullende bijstand. Volgens hem is aan hem toen meegedeeld dat een dergelijke regeling niet bestond. Verder voert hij aan dat het college hem, gelet op zijn inkomenssituatie en eerdere contacten (onder meer in het kader van bijzondere bijstand), had moeten wijzen op de mogelijkheid van aanvullende algemene bijstand. Ter onderbouwing verwijst eiser naar overgelegde screenshots van 22 maart 2021, waaruit volgens hem blijkt dat hij eerder digitaal een aanvraag heeft gedaan.
7. Deze grond slaagt niet. De rechtbank overweegt als volgt.
8. Op grond van de PW wordt bijstand in beginsel toegekend vanaf de datum waarop de belanghebbende zich meldt om bijstand aan te vragen. [1] Alleen onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan om daarvan af te wijken. Daarvan kan sprake zijn als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld of een aanvraag heeft ingediend, bijvoorbeeld omdat hij daartoe niet in staat was of daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat zich dergelijke omstandigheden voordoen. [2]
Is een eerdere melding aannemelijk?
9. Vaststaat dat eiser zich op 4 april 2025 heeft gemeld voor algemene bijstand. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich eerder heeft gemeld voor algemene bijstand. Het college heeft toegelicht dat een melding steeds wordt vastgelegd in een werkproces. Een dergelijke registratie ontbreekt in dit geval. Dat vormt een belangrijk aanknopingspunt voor de beoordeling. De enkele verklaring van eiser dat hij in 2020 of 2021 telefonisch contact heeft gehad met de gemeente is onvoldoende concreet om te kunnen aannemen dat sprake is geweest van een melding in de zin van de wet. Objectieve aanknopingspunten, zoals gegevens over het moment van contact of de inhoud daarvan, ontbreken. De door eiser overgelegde screenshots leiden niet tot een ander oordeel. Daaruit blijkt dat een aanvraag voor bijzondere bijstand is gestart. Dat is iets anders dan een aanvraag om algemene bijstand. De rechtbank gaat daarom uit van 4 april 2025 als meldingsdatum.
Is er sprake van bijzondere omstandigheden?
10. Vervolgens is de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld onder 8 die maken dat het college de bijstand met terugwerkende kracht had moeten toekennen. De rechtbank ziet daarvoor geen grond. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de relevante periode niet in staat was om zich eerder te melden of een aanvraag in te dienen. De rechtbank weegt daarbij mee wat eiser op zitting heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden en de problemen in de afgelopen jaren. Die maken zijn situatie invoelbaar, maar zijn niet dusdanig dat hij zich niet eerder kon melden. Ook is niet gebleken dat eiser door de gemeente is afgehouden van het indienen van een aanvraag. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat tegen hem is gezegd dat aanvullende bijstand niet mogelijk was. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Daarbij weegt mee dat eiser bekend was met de PW, omdat hij eerder bijstand heeft ontvangen en aanvragen heeft ingediend.
10. Gelet op het voorgaande heeft het college de aanvullende algemene bijstand terecht toegekend met ingang van 4 april 2025.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiser geen recht heeft op bijstand met terugwerkende kracht. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van
mr.P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de artikelen 43 en 44 van de PW.
2.Zie onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209, en van 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2348.