ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum bijstandsuitkering en terugwerkende verblijfsvergunning
Appellant vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf de datum waarop hem een verblijfsvergunning was verleend. De gemeente stelde de ingangsdatum van de bijstandsuitkering op de datum van melding bij het CWI, 9 januari 2002. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was gebleken dat hij eerder een aanvraag had ingediend of dat hij eerder niet in zijn bestaanskosten kon voorzien.
In hoger beroep betoogde appellant dat de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 2 juni 2000, de datum van de verblijfsvergunning, had moeten worden toegekend. De Raad overwoog dat volgens de Algemene bijstandswet en het Besluit SUWI de bijstand wordt toegekend vanaf de meldingsdatum bij het CWI, tenzij bijzondere omstandigheden anders rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat het enkele feit van een met terugwerkende kracht verleende verblijfsvergunning geen bijzondere omstandigheid vormt om de ingangsdatum van bijstand te vervroegen. Omdat appellant niet had aangetoond dat hij vóór de meldingsdatum niet in zijn noodzakelijke bestaanskosten kon voorzien, werd het beroep afgewezen en de ingangsdatum bevestigd op 9 januari 2002.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt bevestigd op de meldingsdatum 9 januari 2002; geen terugwerkende kracht naar datum verblijfsvergunning.