ECLI:NL:RBMNE:2026:1233

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/16/606924 / KG ZA 26-67
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:268 BWArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing executie en opheffing beslag in executiegeschil na onrechtmatige daad

In deze zaak vorderen eisers schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis en opheffing van door gedaagde gelegde beslagen. Het vonnis volgt op een eerdere uitspraak waarin is geoordeeld dat eisers onrechtmatig hebben gehandeld jegens gedaagde, met een schadevergoeding van ruim negen miljoen euro. Tegen dit vonnis loopt nog een hoger beroep.

Eisers stellen dat sprake is van een novum en kennelijke misslagen in eerdere uitspraken, onder meer vanwege nieuwe brieven en een strafvonnis waarin eisers zijn vrijgesproken van meineed en omkoping. De voorzieningenrechter oordeelt dat de brieven geen nieuw feitelijk element bevatten en dat het strafvonnis geen aanleiding geeft tot herziening van de civiele beoordeling.

De voorzieningenrechter benadrukt dat een vonnis in beginsel uitvoerbaar is, ook tijdens hoger beroep, tenzij sprake is van een kennelijke misslag of andere uitzonderlijke omstandigheden. Eisers hebben onvoldoende feiten aangevoerd die een afwijking rechtvaardigen. Ook is geen nieuwe belangenafweging mogelijk vanwege eerdere beoordeling in een eerste executiegeschil.

De vorderingen tot schorsing van de executie en opheffing van het beslag worden daarom afgewezen. Eisers worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt de uitvoerbaarheid van het vonnis en de rechtmatigheid van de executoriale maatregelen van gedaagde.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot schorsing van de executie en opheffing van het beslag af en veroordeelt eisers in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/606924 / KG ZA 26-67
Vonnis in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [plaats] , hierna te noemen: [eiser sub 1]
2.
[eiseres sub 2],
te [plaats] , hierna te noemen: [eiseres sub 2]
3.
[eiseres sub 3] B.V.,
te [plaats] ,
4.
[eiseres sub 4] B.V.,
te [plaats] , hierna te noemen: [eiseres sub 4]
5.
[eiseres sub 5] B.V.,
te [plaats] ,
6.
[eiseres sub 6] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
advocaat: mr. M.F.H. van Delft en mr. T. Novakovski,
tegen
WAALSTEDE VASTGOED B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Waalstede,
advocaat: mr. R.A.D. Blaauw.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 9
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 13
- de aanvullende producties 14 en 15 van Waalstede
- de akte wijziging van eis met productie 10
- de aanvullende producties 12 t/m 14 van [eiser sub 1] c.s.
- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s. met daarin een wijziging van eis
- de pleitnota van Waalstede.
Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 10 maart 2026 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking (die is opgemaakt op 20 maart 2026).

2.De kern van de zaak

2.1.
In een in kracht van gewijsde gegaan arrest is geoordeeld dat [eiser sub 1] c.s. een onrechtmatige daad tegenover Waalstede hebben begaan. In de schadestaatprocedure die daarop volgde is geoordeeld dat [eiser sub 1] c.s. meer dan negen miljoen euro aan Waalstede moeten betalen. Tegen dit vonnis loopt nog een appelprocedure. [eiser sub 1] c.s. vorderen in dit kort geding (opnieuw) schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat er in hoger beroep is beslist en opheffing van de beslagen die Waalstede heeft gelegd. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. af, omdat geen sprake is van een kennelijke misslag in het oordeel van zowel het hof als de rechtbank en er ook geen andere grond bestaat voor toewijzing van de vorderingen.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
Partijen zijn al jaren met elkaar verwikkeld in diverse procedures. Het is allemaal begonnen in 2014 met de verkoop door NS Vastgoed van diverse percelen grond, de zogenaamde GreeNS portefeuille, nabij het spoor. De verkoop is verlopen via een tenderprocedure, waar zeven partijen aan hebben meegedaan. Uiteindelijk is de verkoop gegund aan [eiseres sub 4] tegen een negatieve koopprijs van € 6.750.000,00 (vergoeding van NS Vastgoed voor toekomstige onderhoudsverplichtingen en mogelijke toekomstige saneringsverplichtingen) minus € 1,00 (koopprijs). [eiseres sub 4] heeft de GreeNS portefeuille daarna geleverd aan de speciaal daarvoor opgerichte vennootschap, [eiseres sub 6] B.V. In 2018 heeft [eiseres sub 6] B.V. de GreeNS portefeuille doorverkocht aan ProRail.
3.2.
Rail Side B.V. (hierna: Rail Side), een dochtervennootschap van Waalstede, had in 2010 al percelen grond van NS Vastgoed gekocht. Deze percelen werden samen de Groen portefeuille genoemd. Rail Side en Waalstede hebben ook meegedaan aan de tenderprocedure voor de GreeNS portefeuille, maar zij hebben de GreeNS portefeuille dus niet gegund gekregen. Beide hebben bezwaar gemaakt tegen de gunning van de GreeNS portefeuille aan [eiseres sub 4] , omdat volgens hen sprake was van een onrechtmatige samenspanning bij de verwerving van deze portefeuille door [eiseres sub 4] en de heer [A] (hierna: [A] ). Deze zou namelijk een dubbelrol hebben vervuld door als adviseur voor zowel Waalstede als voor [eiser sub 1] c.s. op te treden. Het Gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 30 juli 2024 geoordeeld dat [A] hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Waalstede.
3.3.
Na jarenlang procederen heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) in zijn eindarrest van 28 februari 2023 (hierna: het arrest) geoordeeld dat [eiser sub 1] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld tegenover Waalstede. Het hof heeft daarom [eiser sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de door Waalstede geleden schade als gevolg van het verlies van de kans op de aankoop van de GreeNS portefeuille (45% kanspercentage). Het hof heeft de zaak hiervoor verwezen naar de schadestaatprocedure. In de schadestaatprocedure heeft de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) in een uitspraak van 17 september 2025 (hierna: het vonnis) geoordeeld dat [eiser sub 1] c.s. € 9.121.510,44 aan Waalstede moeten betalen, naast andere bijkomende kosten.
3.4.
[eiser sub 1] c.s. zijn hiertegen in hoger beroep gegaan. Daarnaast zijn [eiser sub 1] c.s. een executiegeschil gestart waarin zij opheffing van de door Waalstede gelegde beslagen vorderen en verder de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat in hoger is beslist (hierna: het eerste executiegeschil). De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 19 december 2025 de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. afgewezen. Ook tegen deze uitspraak hebben [eiser sub 1] c.s. hoger beroep ingesteld. Beide procedures lopen nog.
3.5.
[eiser sub 1] c.s. zijn opnieuw een executiegeschil gestart, deze kort geding procedure, waarin zij stellen dat sprake is van een novum. Mede op basis van dit novum stellen zij dat een deel van het oordeel in het arrest en in het vonnis berusten op andere kennelijke misslagen dan waarover in het eerste executiegeschil al geoordeeld is.

4.De beoordeling

[eiser sub 1] c.s. hebben een spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser sub 1] c.s. ten tijde van dit vonnis bij de voorziening een spoedeisend belang hebben. Dat hebben zij, omdat Waalstede is gestart met het treffen van executoriale maatregelen en er onder andere beslag is gelegd op de woning van [eiser sub 1] c.s. Waalstede heeft het spoedeisend belang ook niet betwist.
De voorzieningenrechter staat de twee eiswijzigingen van [eiser sub 1] c.s. toe
4.2.
De eerste eiswijziging, in de akte wijziging van eis van 4 maart 2026, is een aanvulling op vordering a van [eiser sub 1] c.s. in de dagvaarding. [eiser sub 1] c.s. vorderen de opheffing van de bewaring van twee auto’s waarop beslag gelegd is en opheffing van het gelegde bewijsbeslag. Deze eiswijziging is tijdig ingediend en wordt daarom toegelaten in deze procedure. Deze wijziging wordt betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van vordering a verderop in deze uitspraak.
4.3.
De tweede eiswijziging is een reactie op het voornemen van de rechtbank om het verzoekschrift dat [eiser sub 1] c.s. op 2 maart 2026 hebben ingediend niet-ontvankelijk te verklaren. Na dat voornemen te hebben vernomen, hebben [eiser sub 1] c.s. dit verzoek ingetrokken. Het verzoek was om het woon/bedrijfspand met adres [adres] te [plaats] (hierna: het pand), waar door Waalstede beslag op gelegd is, onderhands te mogen verkopen. [eiser sub 1] c.s. willen door een eiswijziging in deze kort geding procedure alsnog de mogelijkheid krijgen het pand onderhands te verkopen. De eiswijziging is een aanvulling op vordering b van [eiser sub 1] c.s. Deze eiswijziging is opgenomen in de pleitaantekeningen van [eiser sub 1] c.s. en (dus) pas tijdens de mondelinge behandeling ingediend. Dit betekent dat de eiswijziging minder dan 24 uur voor de mondelinge behandeling is ingediend en daarom in principe buiten beschouwing wordt gelaten. Waalstede heeft tegen het toelaten van deze eiswijziging bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de eiswijzing toch wordt toegelaten in deze procedure, omdat Waalstede tijdens de mondelinge behandeling een adequaat inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen deze eiswijziging.
De eis die staat in 4.3 wordt afgewezen
4.4.
De voorzieningenrechter zal de eiswijziging op inhoudelijke gronden afwijzen. [eiser sub 1] c.s. hebben hun verzoek gebaseerd op artikel 3:268 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat artikel ziet op de situatie waarin de executieverkoop geregeld wordt door de hypotheekhouder. Die situatie is hier niet van toepassing. De executoriale verkoop wordt namelijk door Waalstede als beslaglegger geregeld. Om die reden heeft de rechtbank aangegeven voornemens te zijn het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren. In het dossier van de voorzieningenrechter zit een verklaring van de hypotheekhouder dat zij de executoriale verkoop niet zal overnemen van Waalstede. Het gaat dus om een eis die, net als het verzoek, is gebaseerd op artikel 3:268 BW Pro. Maar het gaat nog steeds niet om een executoriale verkoop door de hypotheekhouder. Daarom zal de voorzieningenrechter deze vordering afwijzen.
De rechtbank wijst de vordering tot schorsing van de executie af
Juridisch kader
4.5.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijken van dit uitgangspunt kan gerechtvaardigd zijn. Dat is het geval als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ondanks dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. [1]
4.6.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. [2]
4.7.
Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. [3]
4.8.
Bovenstaande uitzonderingsmogelijkheid, geldt voor uitspraken waartegen nog een rechtsmiddel open staat. Als de schorsing van de executie van een uitspraak die al wel in kracht van gewijsde is gegaan wordt gevorderd, kan dit alleen als de voorzieningenrechter tot het oordeel komt dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Voor deze maatstaf wordt aansluiting gezocht bij het leerstuk van misbruik van bevoegdheid, dat is gebaseerd op artikel 3:13 BW Pro. Er kan sprake zijn van misbruik van bevoegdheid als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de uitvoering van het vonnis op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. [4]
De twee kennelijke misslagen die volgens [eiser sub 1] c.s. zijn gemaakt
4.9.
De voorzieningenrechter maakt uit het betoog van [eiser sub 1] c.s. op dat zij menen dat er sprake is van twee kennelijke misslagen. De eerste zou gemaakt zijn in het arrest, waartegen geen rechtsmiddel meer open staat. De tweede zou gemaakt zijn in het vonnis, dat nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.
1. Volgens [eiser sub 1] c.s. berust de hypothetische situatie waarvan het hof in het arrest uitgaat voor de beoordeling van de omvang van de aansprakelijkheid op een kennelijke misslag. Het hof heeft geoordeeld dat Waalstede in de hypothetische situatie verder met NS Vastgoed over de koopprijs zou hebben onderhandeld en dat Waalstede haar oorspronkelijke bod voor de GreeNS portefeuille substantieel zou hebben verlaagd. Volgens [eiser sub 1] c.s. sluit het hof voor dit oordeel ten onrechte aan bij de wijze waarop de aankoop van de Groen portefeuille door Waalstede in 2010 is verlopen. [eiser sub 1] c.s. baseren dit op een door hen gesteld novum in combinatie met het vonnis van de strafrechter van 31 februari 2023 (hierna: het strafvonnis). In het strafvonnis wordt [eiser sub 1] vrijgesproken van meineed en niet-ambtelijke omkoping en worden de verklaringen de heren [B] en [C] (de [functies] van Waalstede) te wisselend van inhoud gevonden om aan het strafrechtelijk bewijs tegen [eiser sub 1] te mogen bijdragen. Dit vonnis zou niet zijn meegewogen door het hof bij het vaststellen van de hypothetische situatie en is daarop wel wezenlijk van invloed. Het novum wordt hierna genoemd en besproken vanaf 4.10.
2. Volgens [eiser sub 1] c.s. berust het oordeel in het vonnis dat de verkoop van de GreeNS portefeuille aan ProRail in 2018 ten tijde van de tenderprocedure voorzienbaar en toerekenbaar zou zijn geweest op een kennelijke misslag. De rechtbank baseert haar oordeel op de tussen ProRail en Waalstede in 2014 gesloten raamovereenkomst, de vergelijkbare raamovereenkomst tussen ProRail en [eiser sub 1] c.s. uit 2015 en de verkoop aan ProRail in 2018 van de GreeNS portefeuille door [eiser sub 1] c.s. [eiser sub 1] c.s. stellen dat hieruit niet volgt dat de verkoop van de (nagenoeg) gehele GreeNS portefeuille voorzienbaar was ten tijde van de tenderprocedure in 2014.. De raamovereenkomst voorzag juist in de behoefte van ProRail om incidenteel een perceel te kopen of huren als dat nodig was voor aanpassing of uitbreiding van het spoorwegnet. Als ProRail het voornemen had om de gehele portefeuille in één keer te kopen, dan was een raamovereenkomst niet nodig geweest. De schade van Waalstede door het mislopen van de verkoop van de GreeNS portefeuille aan ProRail staat door deze onvoorzienbaarheid niet in zodanig verband tot de onrechtmatige gedraging van [eiser sub 1] c.s. dat zij [eiser sub 1] c.s. kan worden toegerekend, aldus [eiser sub 1] c.s.
Wat staat in 4.9 sub 1 vormt geen kennelijke misslag
4.10.
[eiser sub 1] c.s. stellen dat sprake is van een novum en dat dit novum leidt tot de in overweging 4.9 sub 1 genoteerde misslag. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een novum en (daarom) ook niet van een kennelijke misslag. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.
Er is geen sprake van een novum
4.11.
Volgens [eiser sub 1] c.s. bestaat het novum uit twee brieven:
Een brief van NS Vastgoed B.V. aan Waalstede ter attentie van [A] van 24 september 2010;
Een brief van [onderneming 1] aan NS Vastgoed B.V. van 8 oktober 2010.
In de eerste brief wordt vermeld dat NS Vastgoed heeft besloten de verkoopprocedure (de tender) te beëindigen en twee partijen, namelijk [onderneming 1] en Waalstede, de gelegenheid te geven onder voorwaarden nog één keer een bod te doen. In de tweede brief geeft [onderneming 1] te kennen geen bieding uit te brengen. [eiser sub 1] c.s. stellen dat Waalstede deze brieven bewust heeft achtergehouden. Het was voor [eiser sub 1] c.s. daarom ook niet mogelijk deze stukken eerder in te brengen in de bodemprocedure of als grondslag te gebruiken in het eerdere executiegeschil.
4.12.
Allereerst hebben [eiser sub 1] c.s., gelet op de betwisting door Waalstede, onvoldoende onderbouwd gesteld dat Waalstede destijds kennis had van beide brieven. Laat staan dat Waalstede deze brieven in haar bezit had en bewust heeft achtergehouden. De brief van 8 oktober 2010 is niet aan Waalstede gericht of door Waalstede verstuurd. [eiser sub 1] c.s. hebben niet gesteld op welke manier Waalstede kennis van deze brief zou hebben gehad. De brief van 24 september 2010 was weliswaar gericht aan Waalstede, maar dat wil nog niet zeggen dat Waalstede deze brief ooit onder ogen heeft gehad. De brief was namelijk gestuurd ter attentie van [A] , over wie het Gerechtshof Den Haag op 30 juli 2024 juist heeft geoordeeld dat hij tijdens de tenderprocedure van 2014 onrechtmatig gehandeld heeft tegenover Waalstede door in schijn haar belangen te dienen, maar in werkelijkheid die van [eiser sub 1] c.s.
4.13.
Daarentegen zouden juist [eiser sub 1] c.s. wél al bekend moeten zijn geweest met deze brief. De brief van 24 september 2010 was namelijk onderdeel van het strafdossier “ [.] ”. Dit is door [eiser sub 1] c.s. niet ontkend. [eiser sub 1] had als verdachte in deze procedure dus toegang tot deze brief. Dat mr. [D] , de advocaat van [eiser sub 1] in de strafprocedure, deze brief niet heeft opgemerkt, althans (de in de civielrechtelijke zaken optredende advocaten van) [eiser sub 1] c.s. niet over het bestaan van deze brief heeft geïnformeerd, kan niet voor rekening komen van Waalstede.
4.14.
Ook inhoudelijk bevatten de brieven geen nieuwe feiten en omstandigheden en is er dus geen sprake van een novum. Waalstede heeft de stelling van [eiser sub 1] c.s. op dit punt voldoende gemotiveerd betwist. Waalstede voert aan dat het in die brieven beschreven verkoopproces van de Groen portefeuille aan Rail Side in 2010 al bekend was bij het hof. Waalstede verwijst hiervoor naar het PWC rapport [5] dat al in de appelprocedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is ingebracht. Waalstede heeft in diezelfde appelprocedure aan dat rapport gerefereerd in haar memorie na enquête van 18 januari 2022 [6] . Dit wordt als zodanig niet weersproken door [eiser sub 1] c.s. Dat [eiser sub 1] c.s. aanvoeren dat uit het PWC rapport niet het bestaan van die brieven volgt, doet niet ter zake. Of sprake is van een novum hangt af van de vraag of er feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, die nog niet bestonden tijdens de uitspraak van het hof. Dat al bekende informatie in een andere (nog niet bekende) vorm gegoten is, is niet relevant.
De brieven zijn niet relevant voor de beoordeling van het hof over de hypothetische situatie
4.15.
Daar komt nog bij dat de inhoud van de brieven helemaal niet relevant is voor het oordeel van het hof over de hypothetische situatie, zoals door Waalstede aangevoerd. Uit de brieven volgt namelijk niet dat er geen mogelijkheid was tot het voortzetten van de onderhandelingen. Sterker nog, Waalstede heeft wel degelijk verder onderhandeld met NS Vastgoed over de verkoop van de Groen portefeuille, wat staat beschreven in het PWC rapport in hoofdstuk 5.4.1 [7] . Bovendien maakt het wel of niet verder onderhandelen in de verkoopprocedure van de Groen portefeuille geen onderdeel uit van de beoordeling van de hypothetische situatie door het hof. Het hof haakt alleen aan bij de verkoopprocedure van de Groen portefeuille voor de veronderstelling dat Waalstede bereid was in 2014 in prijs te zakken bij de GreeNS portefeuille. Waalstede is in 2010 namelijk gezakt tot een bedrag van 40,2% van haar openingsbod [8] . In de brieven staat niets dat strijdig is met het oordeel van het hof op dit punt. Tot slot het argument van [eiser sub 1] c.s. dat het oordeel van de strafrechter dat de verklaringen van [B] en [C] onbetrouwbaar zijn (in combinatie met het gestelde novum) tot een ander oordeel over de hypothetische situatie zou moeten leiden. Gelet op de motivering van het hof, ziet de voorzieningenrechter niet hoe dit argument zou moeten leiden tot een kennelijke misslag op dit punt. Daarom wordt voorbij gegaan aan deze stelling.
Tussenconclusie
4.16.
Uit bovenstaande volgt dat niet geconcludeerd kan worden dat sprake is van een kennelijke misslag door het hof in zijn oordeel over de hypothetische situatie. Daardoor kan op basis hiervan ook niet de conclusie getrokken worden dat Waalstede geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan.
Wat staat in 4.9 onder 2 vormt geen kennelijke misslag
4.17.
De voorzieningenrechter oordeelt dat ook de stelling van [eiser sub 1] c.s. in overweging 4.9 sub 2 geen kennelijke misslag is. Allereerst is in het vonnis geoordeeld dat bij de vaststelling van de schade ook rekening wordt gehouden met de feiten en ontwikkelingen die zich na 2014 daadwerkelijk hebben voorgedaan [9] . Dat de verkoop van de GreeNS portefeuille aan ProRail in 2018
ten tijdevan de tenderprocedure in 2014 niet voorzienbaar was, doet dus niet ter zake. Daarnaast stellen [eiser sub 1] c.s. op dit punt eigenlijk dat Waalstede, de partij die zij onrechtmatig benadeeld hebben, niet mag profiteren van het onvoorzienbaar grote voordeel dat [eiser sub 1] c.s. als plegers van de onrechtmatige daad hebben genoten door de verkoop van de GreeNS portefeuille aan ProRail. Dat is te vergelijken met een dief die een armband steelt en dacht dat de armband een waarde had van € 1.000,00. En als deze daarna € 10.000,00 euro opbrengt, zegt de dief dat haar alleen een schade ter hoogte van € 1.000,00 kan worden toegerekend, omdat die extra € 9.000,00 niet was te voorzien. Dat is de wereld op zijn kop en daar gaat de voorzieningenrechter niet in mee. Bovendien is het feit dat ProRail met Waalstede een raamovereenkomst heeft gesloten die vergelijkbaar is met de raamovereenkomst die ProRail later met [eiser sub 1] c.s. heeft gesloten, juist een argument vóór de toerekenbaarheid van de schade door het mislopen van de verkoop van de GreeNS portefeuille aan ProRail door Waalstede. Het ligt dan namelijk voor de hand dat ook Waalstede de GreeNS portefeuille aan ProRail had verkocht op basis van de raamovereenkomst.
Tussenconclusie
4.18.
Het oordeel van de rechtbank in het vonnis dat in voldoende mate vaststaat dat ProRail ook van Waalstede de GreeNS portefeuille in eigendom zou hebben verworven of gehuurd in verband met de aanpassing of uitbreiding van het spoorwegnet berust dus niet op een kennelijke misslag. Dit vormt daarom geen grond om de vordering tot schorsing van de executie te kunnen toewijzen.
Geen ruimte voor belangenafweging
4.19.
Als de schorsing van de executie ziet op een vonnis waartegen nog een rechtsmiddel open staat (in dit geval: het vonnis), bestaat in principe ruimte voor een belangenafweging. Ware het niet dat de voorzieningenrechter deze belangenafweging al in het eerste executiegeschil heeft beoordeeld en het belang van [eiser sub 1] c.s. ondergeschikt vond aan dat van Waalstede. Hierover opnieuw oordelen, zou in strijd zijn met de goede procesorde, zoals terecht door Waalstede betoogd. [eiser sub 1] c.s. hebben niet, althans niet duidelijk, aangevoerd dat door hen in dit kort geding andere omstandigheden zijn benoemd, dan zij al in het eerste executiegeschil naar voren hebben gebracht. Daarom kan geen nieuwe belangenafweging plaatsvinden door de voorzieningenrechter in dit kort geding.
4.20.
Bovendien geldt in dit geval voor de belangenafweging het extra vereiste dat genoemd is in overweging 4.7, omdat in het vonnis de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd [10] . [eiser sub 1] c.s. hebben in het geheel geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zich pas na de datum van het vonnis hebben voorgedaan. Laat staan dat deze kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing in het vonnis wordt afgeweken. Linksom of rechtsom leiden de door [eiser sub 1] c.s. aangevoerde belangenafweging niet tot het oordeel dat vordering tot schorsing van de executie moet worden toegewezen.
Geen zekerheidsstelling door Waalstede
4.21.
De voorzieningenrechter van het eerste executiegeschil heeft ook de vordering over de zekerheidsstelling al beoordeeld [11] . De voorzieningenrechter is het met Waalstede eens dat het in strijd is met de goede procesorde om hierover opnieuw te oordelen. Voor zover [eiser sub 1] c.s. deze vordering onderbouwen door te stellen dat de brief van 24 september 2010 een novum is en deze gestelde nieuwe informatie erop wijst dat Waalstede niet te vertrouwen is in haar toezegging [12] , slagen zij hier niet in. Er is immers (zowel in vorm als in inhoud) geen sprake van een novum [13] en dus blijkt uit niets dat de toezegging van Waalstede onbetrouwbaar is.
De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van het beslag af
4.22.
Nu de voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke misslag en dat er ook geen andere redenen zijn om de executie door Waalstede te schorsen, bestaat ook geen grond voor het opheffen van (bepaalde) al gelegde beslagen.
Waalstede hoeft geen rekening en verantwoording af te leggen over de geïncasseerde bedragen
4.23.
[eiser sub 1] c.s. willen dat de voorzieningenrechter bepaalt dat Waalstede na afloop van elke maand, onder opgave van het periodiek en het totaal geïncasseerde bedrag, rekening en verantwoording aflegt over de geïncasseerde huuropbrengsten en alle onderliggende bescheiden, waaronder exploten en rekeningafschrift van de onlangs getroffen en nog te treffen executoriale maatregelen. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwezen wegens gebrek aan belang. Waalstede heeft namelijk onweersproken aangevoerd dat zij op gezette tijden rekening en verantwoording aflegt over de door haar geïncasseerde huurinkomsten. Waalstede stuurt periodiek de bijgewerkte vordering toe aan [eiser sub 1] c.s. Dit doet zij op dit moment zelfs meerdere keren per maand waarbij zij ook de specificaties van de onroerend goed beheerder [onderneming 2] meestuurt. Ook betekent de deurwaarder automatisch alle stukken die betekend moeten worden aan [eiser sub 1] c.s. Er bestaat dus geen grond voor toewijzing van deze vordering. Daar komt bij dat de omvang van huuropbrengsten die Waalstede incasseert bij [eiser sub 1] c.s. bekend zijn.
[eiser sub 1] c.s. moeten de proceskosten betalen
4.24.
[eiser sub 1] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Waalstede worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.25.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. af,
5.2.
veroordeelt [eiser sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en door mr. J.G. van Ommeren in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
LMT 5629

Voetnoten

4.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, r.o. 3.2 ( [achternaam 1] / [achternaam 2] )
5.productie 11 conclusie van antwoord
6.productie 10 conclusie van antwoord
7.productie 11 conclusie van antwoord
8.Hof Arnhem-Leeuwarden 28 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1702, r.o. 2.35 en 2.36
9.Rechtbank Midden-Nederland 17 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6670, r.o. 5.36 en 5.49
10.Rechtbank Midden-Nederland 17 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6670, r.o. 5.66 t/m 5.68
11.Rechtbank Midden-Nederland 19 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7049, r.o. 4.19
12.Rechtbank Midden-Nederland 19 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7049, r.o. 4.19: dat Waalstede minimaal 80% van de bedragen binnen de B.V. (Waalstede) zal houden.
13.r.o. 4.10 t/m 4.15