De heffingsambtenaar van de gemeente IJsselstein legde op 7 augustus 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser. Eiser diende op 27 september 2023 een bezwaarschrift in en stelde de heffingsambtenaar op 5 januari 2024 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Na afwijzing van het verzoek tot uitbetaling van een dwangsom en het bezwaar daartegen, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift en de ingebrekestelling tijdig en correct waren ingediend, ondanks dat deze aan een algemeen e-mailadres waren gestuurd. De gemeente had de stukken doorgezonden naar het bevoegde parkeerbedrijf P1. De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar vanaf 23 januari 2024 in gebreke was en een dwangsom verschuldigd was.
De rechtbank vernietigde het dwangsombesluit van 23 april 2024 en stelde de dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 april 2024. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser, inclusief wettelijke rente bij niet tijdige betaling.
De uitspraak werd mondeling gedaan op 16 februari 2026, waarbij de gemachtigde van eiser aanwezig was en de heffingsambtenaar afwezig. De rechtbank wees tevens op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.