Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1318

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
UTR 24/4581
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:87 AwbArt. 6:15 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar parkeerbelasting

De heffingsambtenaar van de gemeente IJsselstein legde op 7 augustus 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser. Eiser diende op 27 september 2023 een bezwaarschrift in en stelde de heffingsambtenaar op 5 januari 2024 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Na afwijzing van het verzoek tot uitbetaling van een dwangsom en het bezwaar daartegen, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift en de ingebrekestelling tijdig en correct waren ingediend, ondanks dat deze aan een algemeen e-mailadres waren gestuurd. De gemeente had de stukken doorgezonden naar het bevoegde parkeerbedrijf P1. De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar vanaf 23 januari 2024 in gebreke was en een dwangsom verschuldigd was.

De rechtbank vernietigde het dwangsombesluit van 23 april 2024 en stelde de dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 april 2024. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser, inclusief wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 16 februari 2026, waarbij de gemachtigde van eiser aanwezig was en de heffingsambtenaar afwezig. De rechtbank wees tevens op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank stelde de dwangsom van €1.442,- plus wettelijke rente vast wegens niet tijdig beslissen op bezwaar parkeerbelasting en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4581

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: [gemachtigde] )
en

de heffingsambtenaar van de gemeente IJsselstein, verweerder

Procesverloop

1.1
De heffingsambtenaar heeft op 7 augustus 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2
Eiser heeft op 27 september 2023 zijn bezwaarschrift gemaild naar het e-mailadres info@ijsselstein.nl. Op 5 januari 2024 heeft eiser naar hetzelfde e-mailadres een ingebrekestelling aan de heffingsambtenaar gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
1.3
Eiser heeft op 16 april 2024 om uitbetaling van de dwangsom verzocht via een mail naar de e-mailadressen info@ijsselstein.nl en parkeerserviceijsselstein@p1.nl. Met het dwangsombesluit van 23 april 2024 is het verzoek door de heffingsambtenaar afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser op 23 mei 2024 bezwaar gemaakt.
1.4
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 5 juli 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.5
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 16 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.6
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en na afloop van de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond;
  • verklaart het beroep, voor zover deze ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting, ongegrond;
  • vernietigt het dwangsombesluit van 23 april 2024 en verklaart dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde dwangsombesluit;
  • stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 800,- aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar over het griffierecht en de proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, vanaf het moment dat vier weken zijn verstreken na de dag van verzending van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Overwegingen

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. In geschil is of de heffingsambtenaar een dwangsom is verschuldigd. Bepalend daarvoor is of, en zo ja wanneer, eiser bezwaar heeft ingediend en de heffingsambtenaar in gebreke heeft gesteld.
4. Eiser stelt dat het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat het bezwaarschrift in goede orde was ontvangen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een screenshot van de e-mail overgelegd met als afzender info@ijsselstein.nl, met daarin de terugkoppeling op het ingestuurde bezwaarschrift. In de e-mail is de volgende tekst opgenomen:
“Uw brief/mail geregistreerd d.d. 30 september 2023, onder zaaknummer: 129422, hebben wij in goede orde ontvangen.
Uw brief met als onderwerp: Bezwaarschrift namens [eiser] ( [eiser] 3443), is ter afhandeling doorgestuurd naar P1: Postadres: [adres] , [plaats] .
Zij behandelen namens de gemeente IJsselstein alle vragen en verzoeken omtrent parkeren/parkeerboetes.”
5. Eiser stelt verder dat de heffingsambtenaar in gebreke is gesteld op 5 januari 2024, toen eiser een ingebrekestelling stuurde naar het e-mailadres info@ijsselstein.nl. Eiser stelt dat de ingebrekestelling is gericht aan het bestuursorgaan dat (ook) bevoegd is te beslissen op de ingebrekestelling. De ingebrekestelling is bovendien door de gemeente IJsselstein doorgestuurd naar Parkeerbedrijf P1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een screenshot van de e-mail overgelegd met als afzender info@ijsselstein.nl, met daarin de terugkoppeling op de ingestuurde ingebrekestelling. In de e-mail is de volgende tekst opgenomen:
“Uw brief/mail geregistreerd d.d. 8 januari 2024, onder zaaknummer: 151403, hebben wij in goede orde ontvangen.
Uw brief met als onderwerp: Ingebrekestelling namens [eiser] , is ter afhandeling doorgestuurd naar P1: Postadres: [adres] , [plaats] .
Zij behandelen namens de gemeente IJsselstein alle vragen en verzoeken omtrent parkeren/parkeerboetes.”
6. Eiser stelt dat hij geen reden heeft om eraan te twijfelen dat het bezwaarschrift en de ingebrekestelling zijn doorgestuurd. De gemeente IJsselstein beschikt namelijk over een adequate verzendadministratie, volgens het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2019. [1]
7. De heffingsambtenaar stelt dat de ingebrekestelling pas is ontvangen bij het verzoek om uitbetaling van de dwangsom van 16 april 2024. Volgens de heffingsambtenaar is de e-mail van 5 januari 2024 aan een onjuist e-mailadres gestuurd. Het bezwaarschrift en de ingebrekestelling zijn naar het algemene e-mailadres van de gemeente IJsselstein gestuurd, terwijl op de naheffingsaanslag parkeerbelasting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is vermeld dat bezwaar moet worden gemaakt bij Parkeerbedrijf P1. De professioneel gemachtigde van eiser is hiermee bekend, nu zij structureel en professioneel bezwaar maakt tegen naheffingsaanslagen in IJsselstein en in eerdere zaken wél gebruik heeft gemaakt van het juiste digitale loket en correspondentieadres van P1.
8. De heffingsambtenaar voert verder aan dat, voor zover eiser meent dat de heffingsambtenaar gehouden was het bezwaarschrift of de ingebrekestelling door te zenden, artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet ziet op ingebrekestellingen en bovendien dat dit niet afdoet aan het vereiste dat een ingebrekestelling aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden gericht. Dat het bezwaarschrift uiteindelijk intern is doorgestuurd en de heffingsambtenaar heeft bereikt, is voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de ingebrekestelling niet relevant.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Als een bestuursorgaan niet tijdig uitspraak op bezwaar doet dan verbeurt het, op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb, een dwangsom met ingang van de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar is verstreken en het bestuursorgaan door het indienen van het bezwaarschrift schriftelijk in gebreke is gesteld. Voor een ingebrekestelling geldt niet de doorzendplicht van artikel 6:15 van Pro de Awb, zodat moet worden uitgegaan van de datum van ontvangst bij het bevoegde orgaan na doorzending op de voet van artikel 2:3, eerste lid, van de Awb. [2] De rechtbank is van oordeel dat, op basis van de overgelegde e-mails door eiser, ervanuit moet worden gegaan dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift op 30 september 2023 en de ingebrekestelling op 8 januari 2024 heeft ontvangen. Dat de gemachtigde van eiser wel bekend is met het juiste digitale loket en correspondentieadres maakt dat in dit specifieke geval niet anders. In de e-mails waarin wordt gereageerd op de indiening van het bezwaarschrift en de ingebrekestelling volgt namelijk uitdrukkelijk dat de gemeente de stukken ter afhandeling heeft doorgestuurd naar P1, omdat zij namens de gemeente IJsselstein alle vragen en verzoeken omtrent parkeren/parkeerboetes behandelen.
10. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar tot en met 22 januari 2024 de tijd had om de uitspraak op bezwaar naar eiser te versturen. De heffingsambtenaar is daarom vanaf 23 januari 2024 een dwangsom verschuldigd. De rechtbank stelt op grond van artikel 8:55c van de Awb vast dat de maximale dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd.
11. Eiser vraagt daarnaast om uitbetaling van wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. Gelet op het bepaalde in artikel 4:18 van Pro de Awb diende de heffingsambtenaar de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was (in dit geval 4 maart 2024) bij beschikking vast te stellen. Gelet hierop diende de heffingsambtenaar uiterlijk op 18 maart 2024 de dwangsom vast te stellen. Uit artikel 4:87, eerste lid, van de Awb volgt dat betaling van de dwangsom in beginsel zes weken na bekendmaking van de beschikking geschiedt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. De laatste dag waarop de dwangsom had moeten worden betaald is zes weken na 18 maart 2024, zodat de heffingsambtenaar met ingang van 29 april 2024 in verzuim is en vanaf die dag wettelijke rente is verschuldigd tot aan de dag van algehele voldoening.
12. Omdat de beroepen gegrond zijn moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser vergoeden en eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Eiser heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt. Daarnaast heeft eiser recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,-. De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor 0,25, omdat er sprake is van een evident geschil over een dwangsom. [3] De vergoeding bedraagt in totaal
€ 800,-.
13. Eiser heeft verder verzocht om vergoeding van wettelijke rente indien niet tijdig de proceskosten en het griffierecht is voldaan. De rechtbank zal deze vordering toewijzen met ingang van vier weken na het verzenden van deze uitspraak.
14. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175.
2.Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1355.
3.Dit volgt uit het richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 opgenomen als bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.