Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1345

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11995613 \ UC EXPL 25-9736
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over onbetaalde facturen en betalingsafspraken voor websitebouw en onderhoud

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van openstaande facturen voor het bouwen en onderhouden van websites. Gedaagde betwist de hoogte van de facturen en stelt dat is afgesproken dat hij slechts de helft hoefde te betalen, wat hij naar eigen zeggen heeft gedaan.

De kantonrechter constateert dat partijen onduidelijkheid hebben over de exacte betalingsafspraken en de hoogte van reeds gedane betalingen. Hoewel eiser twee facturen heeft overgelegd, is niet duidelijk waarom eiser nog het volledige bedrag vordert terwijl partijen een betalingsregeling van 50% lijken te hebben afgesproken.

De kantonrechter geeft eiser de gelegenheid om zich schriftelijk uit te laten over de betalingsafspraken en de door gedaagde verrichte betalingen. Totdat hierover duidelijkheid is verschaft, wordt iedere verdere beslissing aangehouden. De zaak wordt op 22 april 2026 opnieuw op de rol gezet voor het vervolg van het schriftelijk debat.

Uitkomst: De kantonrechter houdt verdere beslissing aan en stelt eiser in de gelegenheid om nadere toelichting te geven over betalingsafspraken en reeds gedane betalingen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11995613 \ UC EXPL 25-9736 BJvd/61169
Tussenvonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een (tussen)vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft terwijl hij handelde in de uitoefening van zijn bedrijf, [eiser] opdracht gegeven voor het bouwen van twee websites. Ook heeft [gedaagde] een abonnement gehad bij [eiser] voor het onderhoud van deze websites. [gedaagde] heeft een deel van de facturen van [eiser] die zien op deze werkzaamheden niet betaald. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de werkzaamheden niet goed uitgevoerd, omdat de website niet werkte. Ook is volgens [gedaagde] afgesproken dat hij maar de helft van het totaalbedrag van de facturen hoefde te betalen, welk bedrag hij al betaald zou hebben. De kantonrechter zal [eiser] in de gelegenheid stellen om zich bij akte hierover uit te laten en houdt iedere verdere beslissing aan.

3.De beoordeling

3.1.
[eiser] vordert in deze procedure - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 548,37, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
[eiser] heeft twee facturen overgelegd waaruit blijkt welke werkzaamheden zij voor [gedaagde] heeft gedaan. Het gaat om één factuur ter hoogte van € 440,00 voor het bouwen van de twee websites voor [gedaagde] in 2019 en één factuur ter hoogte van € 548,37 voor de abonnementskosten over de periode van februari 2020 tot en met januari 2021. Niet in geschil is dat dit abonnementskosten zijn van vóór de opzegging van [gedaagde] van het abonnement. Omdat [gedaagde] de facturen niet betaalde, heeft [eiser] [gedaagde] aangemaand tot betaling van de facturen.
3.3.
In de correspondentie tussen partijen over de facturen is te lezen dat [gedaagde] het niet eens is met de hoogte van de facturen, omdat de websites volgens hem niet werken en hij daardoor klanten voor zijn bedrijf is misgelopen. Ook is te lezen dat [gedaagde] blijkbaar een aantal deelbetalingen heeft gedaan, maar van welke hoogte en wanneer is niet duidelijk geworden. [gedaagde] heeft op enig moment voorgesteld dat beide partijen de helft van de facturen voor hun rekening nemen. Op 3 december 2021 is [gedaagde] namens de administratie van [eiser] bericht dat zij akkoord gaan met betaling van 50% van het totaalbedrag, zodat [gedaagde] in totaal nog € 426,06 moet betalen. De betaling hiervan zou plaatsvinden in drie termijnen. Volgens [gedaagde] heeft hij dit bedrag betaald, maar hij heeft hiervan geen stukken overgelegd.
3.4.
Los van het feit dat de kantonrechter op een ander bedrag komt bij de berekening van het restbedrag bij betaling van 50% van de facturen (€ 440,00 + € 548,37 / 2 = € 494,19), begrijpt de kantonrechter met [gedaagde] niet waarom hij volgens [eiser] nog € 548,37 moet betalen. Partijen hebben blijkbaar afgesproken dat [gedaagde] nog een bedrag van € 426,06 moest betalen, in plaats van het gehele bedrag. [eiser] heeft niet gesteld dat dit slechts gold vanwege afspreken van een betalingsregeling en zij heeft [gedaagde] ook niet gewaarschuwd dat hij alsnog het hele bedrag zou moeten betalen als hij de termijnen van de betalingsregelingen niet zou nakomen.
3.5.
Voor de beslissing op de vordering van [eiser] is het van belang om duidelijkheid te hebben over hoe het gevorderde bedrag is opgebouwd en welke afspraken zijn gemaakt over de betaling van de facturen van [eiser] . De kantonrechter zal [eiser] in de gelegenheid stellen om zich hierover uit te laten en over het bedrag of de bedragen die door [gedaagde] zouden zijn betaald. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 22 april 2026voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 3.4. van dit vonnis, waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,
4.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.