Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €100 opgelegd voor het rijden zonder helm op een bromfiets op 29 oktober 2023 in IJsselstein. De officier van justitie handhaafde deze sanctie na administratief beroep. Betrokkene stelde vervolgens beroep in bij de kantonrechter, die op 5 maart 2026 een zitting hield.
De kantonrechter beoordeelde of sprake was van misbruik van recht bij het instellen van het beroep. Uit het proces-verbaal bleek dat betrokkene bij staandehouding verklaarde geen helm bij zich te hebben, wat een erkenning van de overtreding inhoudt. De beroepsgrond, aangevoerd door een professionele gemachtigde, bestond uit een algemene ontkenning en de stelling dat betrokkene stilstond in plaats van reed, zonder concrete onderbouwing.
De kantonrechter oordeelde dat deze beroepsgrond kansloos en algemeen van aard was en dat het beroep werd ingesteld met het doel de redelijke termijn van berechting aan te kaarten. Dit werd gezien als misbruik van recht, omdat het onnodige vertraging veroorzaakt voor andere zaken. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd niet inhoudelijk op de zaak ingegaan.