Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1383

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/16/605948 / JE RK 26-115
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 9 april 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor pleegzorg.

De minderjarige verblijft sinds mei 2023 bij zijn pleegmoeder, zijn oma, vanwege ernstige bedreigingen en onveilige thuissituaties. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, heeft een problematische situatie met onder meer middelengebruik en trauma's, waardoor zij niet in staat is voor de minderjarige te zorgen. Ondanks haar bewering dat zij inmiddels clean is, heeft zij dit niet met bewijsstukken onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Gezien zijn complexe opvoedvraag en de noodzaak van een stabiele en veilige omgeving, is het in zijn belang om bij de pleegmoeder te blijven. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder af om de machtiging voor een kortere periode te verlengen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de pleegmoeder tot 14 maart 2027.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/605948 / JE RK 26-115
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool,
[pleegmoeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de pleegmoeder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft in deze procedure eerder een beschikking gegeven op
12 maart 2026. Bij die beschikking heeft de rechtbank:
  • de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 14 maart 2027;
  • de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 mei 2026;
  • de beslissing op het overige deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aangehouden tot 9 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds eind mei 2023 bij de pleegmoeder. De pleegmoeder is zijn oma (mz). De moeder gaf destijds zelf aan dat zij niet voor [minderjarige] kon zorgen. Zij had aangifte gedaan van mishandeling door de biologische vader van [minderjarige] ( [minderjarige] ), gebruikte alcohol en softdrugs en kwam niet toe aan verwerking van haar eigen trauma’s. In maart 2024 is [minderjarige] vanwege bedreigingen uit het netwerk van de moeder vanuit de plaatsing bij de pleegmoeder in een crisisbestandsgezin geplaatst. Daar ging het echter niet goed met [minderjarige] en na vier maanden is hij weer teruggeplaatst bij de pleegmoeder. De pleegmoeder heeft in maart 2025 wederom ernstige bedreigingen ontvangen en zit sindsdien ergens in Nederland ‘ondergedoken’ met [minderjarige] en haar andere dochter. De moeder heeft één keer per maand gedurende één uur omgang met [minderjarige] .

3.Het verzoek

De rechtbank moet nog beslissen op het aangehouden deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 14 maart 2027. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij vindt dat deze machtiging voor een kortere duur moet worden verlengd.
4.2.
De pleegmoeder vindt het belangrijk dat maatregelen blijven bestaan zolang dat nodig is om [minderjarige] te beschermen. Maar als de moeder haar leven wil beteren, moet zij daarvoor wel een kans krijgen.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank zal ook het aangehouden deel van het verzoek toewijzen en dus de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen tot 14 maart 2027. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1]
5.3.
[minderjarige] verblijft inmiddels bijna drie jaar bij de pleegmoeder. Dat is meer dan de helft van zijn leven. In de afgelopen jaren is door de moeder meerdere keren gesteld dat het beter met haar gaat, maar dat is in de praktijk niet bestendig gebleken. De moeder stelt nu dat zij inmiddels een half jaar clean is, maar heeft dat niet aangetoond met stukken zoals bijvoorbeeld een verklaring van een huisarts, een behandelaar of een bewijs van urinecontroles. De moeder heeft wel verteld dat zij op 23 maart 2026 weer start bij de Jellinekkliniek. Maar zij heeft dit nog niet zo lang geleden (in september 2025) ook gedaan, en toen heeft zij deze kliniek na een dag al weer verlaten. Dat maakt dat de rechtbank er niet op kan vertrouwen dat de behandeling die de moeder nu start ook helemaal wordt afgemaakt. De rechtbank hoopt dat het beter gaat met de moeder, maar constateert dat er op dit moment nog geen enkel zicht is op wanneer zij haar leven voldoende op orde heeft om weer voor [minderjarige] te kunnen zorgen. De rechtbank zal daarom ook niet de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode verlengen en de beslissing over de rest aanhouden, zoals de moeder wil.
5.4.
Ondertussen heeft [minderjarige] al geruime tijd zijn basis bij de pleegmoeder. Hij heeft in het verleden elf verhuizingen meegemaakt en een nieuwe verandering is niet in zijn belang. Er is teveel onrust en [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig. Daar komt bij dat [minderjarige] een verzwaarde opvoedvraag heeft. Hij laat ingewikkeld gedrag zien en het is belangrijk dat daar aan gewerkt wordt. Dat kan alleen binnen een rustige en veilige setting. De moeder kan zo’n setting vooralsnog helemaal niet bieden. De pleegmoeder biedt deze wel. Het zwaartepunt van de zorg dient daarom bij de pleegmoeder te blijven liggen. Zij kan [minderjarige] de stabiliteit in zijn opvoeding bieden die hij nodig heeft.
5.5.
Gelet op het voorgaande onderschrijft de rechtbank het besluit van de GI dat [minderjarige] het beste verder kan opgroeien bij de pleegmoeder en er niet meer wordt gewerkt aan thuisplaatsing van [minderjarige] . Wellicht dat op termijn, als de moeder doorzet en beter wordt en de veiligheid niet langer een zorg is, gekeken kan worden of de moeder een grotere rol in het leven en de opvoeding van [minderjarige] kan spelen. Maar [minderjarige] blijft bij de pleegmoeder wonen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard (voorzitter),
mr. G.L.M. Urbanus en mr. D. Riani el Achhab, kinderrechters, in samenwerking met
de griffier. De beslissing is door mr. Urbanus in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 en door haar ondertekend.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
JMvdG

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.