Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1385

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/16/600255 / JE RK 25-1474
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging uithuisplaatsing minderjarige kort verlengd wegens onvoldoende hulpverlening

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds augustus 2024 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De minderjarige verblijft bij een instelling in Maasbergen, maar krijgt daar geen adequate therapie en volgt geen school, ondanks haar motivatie en behoefte aan hulp.

De moeder verzet zich tegen een langdurige verlenging vanwege de onveilige en ongeschikte omstandigheden bij de instelling, terwijl de vader pleit voor continuïteit van de uithuisplaatsing totdat diagnostiek en behandeling zijn gestart. De kinderrechter constateert dat de GI niet heeft voldaan aan haar positieve verplichting om passende hulp te bieden, waardoor de inmenging in het gezinsleven niet langer gerechtvaardigd is.

De machtiging wordt daarom slechts kort verlengd tot 17 april 2026, zodat een plan kan worden opgesteld voor terugplaatsing naar huis. De kinderrechter benadrukt het belang van een goede voorbereiding, passende hulpverlening thuis en het opbouwen van schoolgang. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de minderjarige is via een brief geïnformeerd over de uitkomst.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt kort verlengd tot 17 april 2026 en het overige verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/600255 / JE RK 25-1474
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B. van Elst uit Utrecht,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft op 29 augustus 2025 een tussenbeschikking gegeven in deze zaak. Voor het procesverloop tot aan die datum verwijst de kinderrechter naar die beschikking. Verder neemt de kinderrechter mee in de beoordeling:
- het bericht van de GI met bijlagen van 13 februari 2026;
- de brief van de vader met bijlagen van 21 februari 2026.
1.2.
Op 27 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [A] als vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader is niet naar de zitting gekomen. In de brief van 21 februari 2027 heeft de vader zijn mening gegeven en laten weten dat hij niet bij de zitting aanwezig zou zijn.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij een groep van [instelling] in Maasbergen.
2.3.
Bij beschikking van 20 augustus 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 20 augustus 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 oktober 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 17 maart 2026.

3.Het verzoek

De kinderrechter moet nu nog beslissen op het aangehouden deel van het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder vindt niet dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] moet worden verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. Zij vindt de groep bij [instelling] geen goede plek, omdat [minderjarige] daar wordt blootgesteld aan geweld, drugs en groepsgenoten die suïcidaal zijn. Bovendien is er voor [minderjarige] nog steeds geen therapie opgestart, terwijl zij die hard nodig heeft. Verder lukt het de begeleiding niet om [minderjarige] naar school te laten gaan waardoor de leerplichtambtenaar bij de moeder op de stoep stond. De moeder vindt dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor een korte periode moet worden verlengd. Die periode moet worden gebruikt om een goed plan op te stellen voor het terugplaatsen van [minderjarige] bij de moeder.
4.2.
In de brief van 21 februari 2026 schrijft de vader dat hij het nodig vindt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling wordt verlengd. De vader vindt een verlenging nodig omdat de diagnostiek en daaropvolgende behandeling nog niet daadwerkelijk zijn begonnen. Hij vindt het essentieel dat er continuïteit wordt geboden, zodat zorgvuldig kan worden vastgesteld welke hulpverlening passend is en hoe [minderjarige] daarop reageert. Als de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt verlengd dan bestaat volgens de vader het risico dat beslissingen worden genomen voordat er voldoende duidelijkheid bestaat over de benodigde zorg en de effecten daarvan.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen tot 17 april 2026 en het verzoek voor het overige gedeelte afwijzen. Hierna zal de kinderrechter deze beslissing uitleggen.
De toelichting
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat met een langere verlenging van de machtiging uithuisplaatsing een ongerechtvaardigde inmenging zou worden gemaakt in het recht op
family lifevan [minderjarige] en haar moeder, dat is neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.3.
Toen de kinderrechter die machtiging toewees, was zij nog van oordeel dat die inmenging gerechtvaardigd was op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM Pro, omdat het belang van [minderjarige] die inmenging noodzakelijk maakte. De zorgen over hoe het thuis ging met [minderjarige] waren toen heel groot. [minderjarige] gedroeg zich thuis steeds meer risicovol, zelfbepalend en grensoverschrijdend. Zij verzuimde eerst veel van school en was vervolgens niet meer welkom op school, na een reeks incidenten. Zij zat thuis, zonder enige dagbesteding. Daarnaast waren er zorgen over het feit dat zij al van jongs af aan te maken had gehad met vele conflicten tussen haar ouders. Zij had daar veel last van. Het recht van [minderjarige] op bescherming en een gezonde opgroeisituatie maakte de inmenging dan ook noodzakelijk.
5.4.
De kinderrechter overwoog in de beschikking van 20 augustus 2025: “de kinderrechter vindt het zorgelijk dat de hulpverlening voor [minderjarige] niet goed
van de grond is gekomen. [minderjarige] voelt zich hierdoor enorm in de steek gelaten, omdat zij
uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij graag wil worden geholpen. De kinderrechter acht de
kans klein dat de hulpverlening op korte termijn van de grond zal komen, als [minderjarige] thuis
blijft wonen. Het is van belang dat [minderjarige] uit haar omgeving wordt gehaald, zodat zij de
tijd en rust heeft om aan zichzelf en haar trauma’s toe te komen. Net als de GI acht de
kinderrechter op dit moment een driemilieuvoorziening passend voor [minderjarige] . In een
driemilieuvoorziening heeft [minderjarige] een stabiele woonsituatie, waarbij zij weer naar school
kan gaan en waarbij kan worden onderzocht welke hulpverlening zij nodig heeft. Daarnaast
kan worden achterhaald in hoeverre bij [minderjarige] sprake is van kindeigen problematiek en
welke rol de problematiek tussen de ouders speelt.”
5.5.
De kinderrechter verleende de machtiging tot uithuisplaatsing voor vijf maanden en hield het overige aan, omdat [minderjarige] zo gemotiveerd was dat de verwachting was dat zij snel zou profiteren van hulp, die zij zo graag wilde maar tot dan toe onvoldoende had gehad. Door [minderjarige] uit haar omgeving te halen, zou zij de tijd en rust zou krijgen om te werken aan traumaverwerking en aan haarzelf.
5.6.
Op het moment dat [minderjarige] uit huis geplaatst werd, en daarmee de zorg over haar aan een ander dan haar ouders is toevertrouwd, ontstond voor de overheid een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om de ouders en de minderjarige te helpen met de problemen die de uithuisplaatsing noodzakelijk maakten, om zo te bevorderen dat het gezin zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk kon worden herenigd. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind en het grote gewicht van dat belang (EHRM 15 april 2025, van Slooten tegen Nederland, zaaknummer 45644/18, par. 68). Met andere woorden: met de uithuisplaatsing moest de GI aan [minderjarige] en aan ouders (individueel en systemisch) die hulp bieden die nodig was om de kans op een terugkeer naar huis zo groot mogelijk te maken. En dat is niet gebeurd.
5.7.
Na vijf maanden tijd gaat [minderjarige] niet naar school. Zij krijgt ook geen enkele vorm van therapie. Zij heeft dan ook bij [instelling] geen daginvulling en zij heeft, net als thuis, een omgedraaid dag- en nachtritme. Ze wordt rond 16 uur wakker, kijkt film, gaat eten en weer slapen. [minderjarige] heeft een rumoerige start heeft gehad bij [instelling] . Nadat zij daar kwam wonen heeft een aantal incidenten plaatsgevonden, waar [minderjarige] zelf ook een aandeel in had. Zij creëerde onrust, door bijvoorbeeld weg te lopen en de groepsleiding uit te dagen. Ook heeft zij een keer opzettelijk het brandalarm af laten gaan. De GI merkt in de brief aan de rechtbank op dat zij zich zorgen maakt over dat gedrag van [minderjarige] . De focus lag in de afgelopen periode op het laten landen van [minderjarige] bij de groep en op het creëren van rust en stabiliteit.
5.8.
Hoewel de kinderrechter begrijpt dat [instelling] de handen vol had en heeft aan [minderjarige] – zij is bepaald geen muurbloempje – constateert de kinderrechter ook dat haar gedrag vergelijkbaar is met wat zij thuis liet zien: opstandig en zelfbepalend. Vanwege dat gedrag werd zij nu juist uit huis geplaatst bij [instelling] . Om dan vervolgens in wezen te zeggen dat het gedrag van [minderjarige] de start bij [instelling] heeft bemoeilijkt begrijpt de kinderrechter niet goed; zij had de hulp van [instelling] immers nodig om haar gedrag te veranderen. Bovendien verwordt [minderjarige] op die manier van een kind dat recht heeft op hulp en bescherming - en van wie eerder is gezegd dat haar gedrag een schreeuw om hulp is - tot iemand die zelf de schuld draagt voor haar situatie. Daarnaast is het onbegrijpelijk dat [minderjarige] , ook met een eerste roerige fase, tot aan de week van de zitting nog geen school en therapie kreeg. In de week na de zitting zou één uur muziektherapie starten. Tijdens de zitting was iedereen het erover eens dat [minderjarige] veel meer nodig hebben dan een uur muziektherapie in de week. Bij ouders is ook nog niks ingezet aan hulp.
5.9.
[minderjarige] heeft daarnaast nog verteld dat veel jongeren bij de instelling drugs gebruiken, waaronder GHB en cocaïne. Zij heeft aan de advocaat van haar moeder filmpjes daarvan laten zien. Ook was ze erbij toen een meisje met wie zij het goed kan vinden zichzelf sneed. Aan de kinderrechter vertelde [minderjarige] dat zij dacht dat zij bij [instelling] aan haar trauma’s zou gaan werken, maar dat zij in plaats daarvan nu nieuwe trauma’s erbij krijgt. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van de GI verteld dat zij niet afwist van deze dingen bij de instelling, maar zij heeft ook niet gezegd dat wat [minderjarige] vertelde niet waar was of kon zijn.
5.10.
Het voorgaande laat zien dat de GI niet voldoet aan de positieve verplichting die op haar rust om [minderjarige] de hulp te bieden die zij nodig heeft om zich gezond te ontwikkelen en zo op termijn weer thuis te kunnen wonen. De inmenging in het
family lifevan [minderjarige] en haar ouders is naar het oordeel van de kinderrechter niet langer gerechtvaardigd.
5.11.
De kinderrechter benadrukt nog dat zij er niet aan twijfelt dat alle individuele betrokken professionals, zowel bij de GI als bij de instelling, ieder hun best doen en zich inspannen om te doen wat zij kunnen, ondanks alle wachtlijsten en tekorten. Maar alles en iedereen bij elkaar lukt het niet om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft en waar zij bovendien recht op heeft. En dat is wat uiteindelijk telt. Het gaat met [minderjarige] sinds de uithuisplaatsing alleen maar veel slechter, terwijl haar niks is aangereikt om het beter te laten gaan. Helemaal omdat zij heel gemotiveerd was bij aanvang is dat een even wrange als schrijnende conclusie.
5.12.
Hoewel er ook nog forse zorgen zijn over de situatie van [minderjarige] bij de moeder, vindt de kinderrechter terugplaatsing voor [minderjarige] nu het minst slechte alternatief. Maar daarvoor moet wel een plan worden gemaakt. Daar was iedereen het op de zitting ook over eens. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een maand verlengen, zodat de GI, de moeder en ook [minderjarige] de tijd krijgen om zich goed voor te bereiden op de terugplaatsing. Het is van belang dat de moeder hulp en ondersteuning krijgt bij het begrenzen en begeleiden van [minderjarige] in de thuissituatie. Daarnaast verwacht de kinderrechter van de GI dat zij zich zal inspannen om zo snel mogelijk de juiste hulpverlening voor [minderjarige] op te starten vanuit huis. Verder zou de GI – zoals [minderjarige] heeft voorgesteld – de mogelijkheden van leerlingenvervoer kunnen onderzoeken, zodat [minderjarige] haar schoolgang weer stapsgewijs kan gaan opbouwen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.13.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Brief aan [minderjarige]
5.14.
De kinderrechter heeft [minderjarige] via een brief op de hoogte gesteld van de beslissing. Daarin is het volgende opgenomen:
“Beste [minderjarige] ,
Op 26 februari hebben wij met elkaar gesproken op de rechtbank. Dat is al weer even geleden. Jij hebt mij toen verteld dat het niet goed gaat met jou en dat het wonen bij de groep niet goed voor je is.
Jij weet intussen natuurlijk al lang wat mijn beslissing is. Maar we spraken ook af dat ik jou zelf nog zou uitleggen welke beslissing ik heb genomen, en waarom ik die heb genomen. Daarom schrijf ik je nu deze brief. Wel een beetje later dan ik had gewild, sorry daarvoor, ik had het een beetje druk.
Ik vind het echt heel erg dat jouw situatie niet is verbeterd en dat er nog steeds geen hulp voor jou is ingezet. Toen we elkaar in augustus voor het eerst spraken vertelde je dat je zelf ook zag dat je hulp nodig had. Ik vond dat ook. Je had die hulp niet alleen nodig, maar je hebt er ook recht op. En daarom vind ik het dus ook echt heel erg dat er zo weinig is gebeurd bij [instelling] .. Eigenlijk is het met jou alleen maar slechter gegaan door wat je daar allemaal hebt gezien en meegemaakt. Dat was natuurlijk nooit de bedoeling. En dat is natuurlijk niet jouw schuld, ook al heb je in het begin wat dingen uitgehaald. Ik hoop dat je dat echt begrijpt.
Voordat je uit huis ging, ging het bij je moeder thuis niet lekker. Ik maakte me daar toen echt veel zorgen over. En die zorgen heb ik nog steeds. Maar ik maak me nóg meer zorgen als je uit huis geplaatst blijft. Daarom vind ik dus dat je weer naar huis moet gaan. Alleen niet meteen. Er moet eerst een goed plan worden gemaakt. Jij had zelf ook al wel ideeën over hoe de hulp en school vanuit je moeder zou kunnen. Ik denk dat jullie nu al wel druk bezig zijn met dat plan want de zitting is alweer even geleden. Tot uiterlijk 17 april blijf jij bij [instelling] , en dan ga je naar huis.
Ik wil je bedanken voor ons gesprek en hoop dat het beter met je zal gaan. Ik denk dat dat met de goede hulp ook echt zal gebeuren, omdat jij jezelf volgens mij best goed kent en ook ziet dat je hulp nodig hebt. Ik wens je alle goeds!”
Hierna volgt de beslissing. De kinderrechter gebruikt daar de begrippen uit de wet.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met tot 17 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het verzoek voor het overige af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.