Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Zittingen
- de verdachte;
- de officier van justitie, mr. M.M. Rademaker;
- de advocaten van de verdachte, mr. M. Rafik en mr. D.N. Ebinum;
- de benadeelde partijen: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ;
- de advocaat van de benadeelde partijen, mr. P. van der Geest.
2.Tenlastelegging
3.Bewijs
voorwaardeis om tot een bewezenverklaring van verkrachting te kunnen komen en wordt het niet, zoals in de nieuwe zedenwetgeving, enkel als een strafverzwarende omstandigheid aangemerkt.
afgedroptbij de taxi. Nergens in het dossier kan een aanwijzing worden gevonden voor de verklaring van verdachte dat er tijdens de rit naar de woning van aangeefster nog een andere persoon in de taxi aanwezig was. Om deze reden schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde.
4.Bewezenverklaring
5.Kwalificatie en strafbaarheid
6.Strafoplegging
- een gevangenisstraf van negen jaren, met aftrek van het voorarrest;
- een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht);
- een contactverbod met de slachtoffers voor de duur van vijf jaren, waarbij op elke overtreding van dit verbod een week hechtenis volgt (en daarna steeds oplopend één extra week hechtenis per overtreding), met een maximale hechtenis van in totaal zes maanden (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht);
- een beroepsverbod voor de duur van acht jaren, inhoudende dat de verdachte geen beroepen mag uitoefenen waarbij hij zorg en/of verantwoordelijkheid draagt voor het vervoer van personen (artikel 28 lid 1 onder Pro 5 van het Wetboek van Strafrecht).
7.In beslag genomen voorwerpen
8.Vorderingen benadeelde partij
als zodanigcomplex zijn en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Ook het subsidiaire verzoek van de verdediging treft dus geen doel. De rechtbank zal een inhoudelijk oordeel over de vorderingen geven en houdt daarbij dezelfde volgorde aan als bij de bespreking van de feiten.
9.Toegepaste wetsartikelen
10.De beslissing
- verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
een gevangenisstraf van 66 maanden (vijf jaar en zes maanden);
- legt aan de verdachte op de
- legt aan de verdachte op
- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een
- 1 STK USB-stick, memorykaart (G3474457);
- 1 STK telefoontoestel (G3478656);
- 1 STK pas (G3478705);
- 1 STK schoenen (G3474135);
- 1 STK broek (G3474134);
- 1 STK ondergoed (G3474139);
- 1 STK trui (G3474140);
- 1 STK ondergoed (G3474137);
- wijst de vordering van [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 18.768,61, waarvan een bedrag van € 14.768,61 wordt toegewezen voor materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling, en een bedrag van € 4.000,- wordt toegewezen voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] ;
- verklaart [slachtoffer 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat een bedrag van € 18.768,61 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 over de materiële schade van € 14.768,61 en de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025 over de immateriële schade van € 4.000,- tot aan de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 118 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 4] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 7.521,47, waarvan een bedrag van € 521,47 wordt toegewezen voor materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2026 tot aan de dag van volledige betaling, en een bedrag van € 7.000,- wordt toegewezen voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] ;
- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.200,-, voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] ;
- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
- wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 1.200,-, voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] ;
- verklaart [slachtoffer 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering voor dit deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door [slachtoffer 3] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
de rechtbank begrijpt dat dit feest plaatsvond in de nacht van 7 op 8 april 2024). Er was een roeiwedstrijd geweest en omdat ze hadden gewonnen was het bier voor hun gratis. Daar hebben ze goed gebruik van gemaakt. [slachtoffer 1] was behoorlijk dronken. Ze wilde naar huis gaan, rond 04:00 denkt ze. Toen kwam ze erachter dat ze haar telefoon niet meer had. Ze rende terug om haar telefoon te halen en zag een grote, zwarte auto waar ze instapte. Ze dacht dat het een taxi was, maar ze had helemaal geen taxi nodig dus ze weet niet waarom ze ingestapt is. Ze is ingestapt via de linker achterdeur en zat achter de bestuurder. [14]
de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer 2]] thuis kwam. Ik hoorde dat mijn dochter tegen mij zei dat de chauffeur van de Uber haar meerdere malen tussen haar benen had gegrepen.
de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer 2]] ’s ochtends overstuur was van wat er gebeurd was.
V: Wat heeft [slachtoffer 2] tegen u gezegd wat ze heeft meegemaakt waardoor ze overstuur was?
A: Dat die man ongevraagd aan haar benen zat en in haar kruis wilde gaan. En dat ze steeds zijn hand wegduwde. [25]
- Naam: hr. [verdachte]
- IBAN: [rekeningnummer] .
Fri 25 oct 2024