Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1426

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/16/593767 / FO RK 25-614
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 BWArt. 1:250 BWArt. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vervangende toestemming erkenning en aanhouding omgangsregeling na relatiebreuk

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van [moeder1] om vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van twee minderjarige kinderen en om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen. Tevens werd een omgangsregeling en informatieregeling gevraagd. De rechtbank oordeelde dat verzoekster geen invloed had op de beslissing van de moeder om zwanger te worden en dat er geen sprake was van een gelijkwaardige rol bij de besluitvorming omtrent de zwangerschappen.

Hoewel er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen verzoekster en de kinderen, werd het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning afgewezen. Ook werd verzoekster niet ontvankelijk verklaard in het verzoek tot gezamenlijk gezag, omdat zij niet de juridische ouder is. De omgangsregeling werd aangehouden in afwachting van hulpverlening gericht op contactherstel tussen verzoekster en de kinderen.

De rechtbank stelde een informatieregeling vast waarbij de moeder eens per drie maanden informatie aan verzoekster dient te verstrekken over de gezondheid, school en hobby’s van de kinderen. Verzoeken om een deskundige of bijzondere curator te benoemen werden afgewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het verdere verloop van de omgang wordt over vier maanden opnieuw beoordeeld.

Uitkomst: Verzoek tot vervangende toestemming erkenning en gezamenlijk gezag afgewezen; omgangsregeling aangehouden voor contactherstel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/593767 / FO RK 25-614
erkenning, gezag, omgang, informatie
Beschikking van 13 april 2026
in de zaak van:
[moeder1],
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen: [moeder1] ,
advocaat mr. M. de Mare,
tegen
[moeder2],
wonende in [plaats 2] ,
hierna te noemen: [moeder2] ,
advocaat mr. S. van Beers,
met als belanghebbende
mr. H. Hooijer,
kantoorhoudende in Zeist,
als bijzondere curator over de kinderen
[minderjarige 1]en
[minderjarige 2].

1.De procedure

1.1.
[moeder1] heeft op 20 mei 2025 een verzoekschrift ingediend, met bijlagen 1 t/m 15.
1.2.
In de beschikking van 24 juni 2025 heeft de rechtbank mr. Hooijer benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in deze procedure en komt op voor hun belang.
1.3.
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het aanvullend verzoekschrift van [moeder1] , met bijlagen 16 en 17, ingediend op 4 juli 2025;
  • het advies van 1 september 2025 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 15 september 2025 van [moeder2] , met bijlage;
  • het bericht van 28 september 2025 van [moeder1] , met bijlagen 1 en 2;
  • het aanvullend verzoekschrift van [moeder1] , met bijlagen 18 t/m 21, ingediend op 11 december 2025;
  • het bericht van 6 maart 2026 van [moeder1] , met bijlagen 22 t/m 25B;
  • het bericht van 3 maart 2026 van [moeder1] ;
  • het verweerschrift van [moeder2] , tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen 1 t/m 20, ingediend op 16 maart 2026;
  • het bericht van 17 maart 2026 van [moeder1] , met bijlagen 26 t/m 35;
  • het verweerschrift van [moeder1] op het zelfstandig verzoek van [moeder2] , met bijlagen 36 t/m 42.
1.4.
De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige 1] gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige 1] heeft dat per brief laten weten. [minderjarige 1] heeft zijn brief in het bijzijn van zijn kindbehartiger geschreven.
1.5.
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige 2] niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
1.6.
De rechtbank heeft [minderjarige 3] niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt, omdat [minderjarige 3] juridisch gezien geen belanghebbende is bij de verzoeken. Het standpunt van [minderjarige 3] is bekend bij de rechtbank, want [moeder1] heeft brieven van [minderjarige 3] overlegd als bijlagen bij haar verzoeken.
1.7.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [moeder1] met haar advocaat,
  • [moeder2] met haar advocaat,
  • de bijzondere curator,
  • mevrouw [A.] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
[moeder1] is de moeder van
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [plaats 2] .
[minderjarige 3] is erkend door haar vader. [moeder1] heeft samen met de vader het gezag over [minderjarige 3] .
2.3.
[moeder2] is de moeder van:
[minderjarige 1] [moeder2], geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [plaats 3] ,
[minderjarige 2] [moeder2], geboren op [geboortedatum 3] 2022 in [plaats 3] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn niet erkend.
2.4.
[moeder2] heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit betekent dat zij de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen.
2.5.
Sinds het einde van de relatie van partijen in november 2024 is er nauwelijks nog contact geweest tussen [moeder1] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben elkaar voor het laatst gezien in februari 2025.
2.6.
Bij vonnis van 6 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter [moeder2] veroordeeld om medewerking te verlenen aan de omgang tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en [moeder1] , waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de zondagen in de even weken van 10.30 uur tot 15.00 uur bij [moeder1] in [plaats 1] verblijven, waarbij [moeder2] de kinderen bij [moeder1] brengt en [moeder1] de kinderen na afloop weer bij [moeder2] terugbrengt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [moeder2] is in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis van de voorzieningenrechter.
2.7.
Bij vonnis van 26 september 2025 heeft de voorzieningenrechter de omgangsregeling zoals vastgesteld in het vonnis van 6 juni 2025 geschorst totdat partijen anders overeenkomen of de bodemrechter anders beslist. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [moeder1] is in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis van de voorzieningenrechter.
2.8.
[moeder1] verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – om:
  • vervangende toestemming te verlenen aan [moeder1] voor de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • te bepalen dat [moeder1] , samen met [moeder2] , wordt belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
  • een zorgregeling vast te stellen tussen [moeder1] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , inhoudende:
o De kinderen zijn in de oneven weken bij [moeder1] (en [minderjarige 3] ) van zaterdag 10.00
uur tot zondag 16.30 uur (waarbij [moeder2] de kinderen brengt en [moeder1] de
kinderen terugbrengt), welke regeling binnen 1 jaar zal worden uitgebreid naar een weekend in de oneven weken van vrijdag na school tot maandag naar school;
o De kinderen zijn in de even weken bij [moeder1] (en [minderjarige 3] ) van woensdag na
schooltijd tot donderdag naar school, waarbij – zolang [minderjarige 2] nog niet naar school
gaat – [moeder2] (of één van haar ouders) [minderjarige 2] naar school brengt en [moeder1] de beide kinderen mee naar haar huis neemt. De volgende ochtend neemt [moeder1] de kinderen weer mee naar school, waarbij zij [minderjarige 2] naar [moeder2] brengt.
o [moeder1] en de kinderen kunnen met elkaar (video)bellen iedere week op de
dinsdag om 18.30 uur;
o Gedurende een deel van de schoolvakanties en feestdagen, conform het verzoek van [moeder1] .
 te bepalen dat [moeder2] eens per maand, dan wel een door uw rechtbank in goede
justitie te bepalen frequentie, informatie per mail aan [moeder1] dient te verstrekken met betrekking tot gewichtige aangelegenheden omtrent de beide kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (zoals aangaande: school, hun gezondheid, sporten/hobby’s, vriendschappen, persoonlijke situatie en begeleiding/hulpverlening);
 mevrouw [B.] , van Hechtscheiden, te benoemen als deskundige,
dan wel haar te benoemen als bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW Pro, waarbij zij onderzoek gaat doen naar de huidige complexe omgangsproblematiek en de rechtbank zal adviseren;
 partijen door te verwijzen (via de gemeente/centraal aanmeldpunt) naar gepaste hulpverlening (ouderschapsbemiddeling en eventuele individuele hulp).
2.9.
[moeder2] heeft verweer gevoerd. Daarnaast heeft zij een zelfstandig verzoek ingediend om de kindbehartiger van [minderjarige 1] , mevrouw [C.] , verbonden aan Het Onderste Boven, als deskundige op te roepen voor verhoor.

3.De beoordeling

Conclusie
3.1.
De rechtbank zal geen toestemming verlenen aan [moeder1] voor de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook zal de rechtbank [moeder1] niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot gezamenlijk gezag.
Volgens de rechtbank is er wel sprake van family life tussen [moeder1] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank zal het verzoek ten aanzien van de omgang aanhouden, in afwachting van het verloop van de hulpverlening gericht op contactherstel tussen [moeder1] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook zal de rechtbank een informatieregeling vaststellen.
De rechtbank zal de verzoeken om een deskundige te benoemen of te horen, dan wel om een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW Pro te benoemen, afwijzen.
Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.
Erkenning
3.2.
De rechtbank zal geen toestemming verlenen aan [moeder1] voor de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit wordt hierna toegelicht.
3.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:204 lid 4 BW Pro kan de toestemming van de moeder voor de erkenning van het kind, op verzoek van de persoon die als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de toestemming van de rechter worden vervangen als dit in het belang van het kind is. Voor de vraag of het verzoek kan worden toegewezen, is dus belangrijk om vast te stellen:
a. of [moeder1] als levensgezel van [moeder2] heeft ingestemd met een daad die de
verwekking van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot gevolg kan hebben gehad, en
b. of de vervangende toestemming tot erkenning in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De wet schrijft niet voor op welke wijze moet worden ingestemd met de daad die de verwekking tot gevolg kan hebben gehad.
3.4.
In de uitspraak van 2 februari 2024 [1] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het begrip ‘daad van verwekking’ een ruim begrip is:
“Indien een kind, zoals in dit geval, is geboren als gevolg van kunstmatige bevruchting, wordt onder een ‘daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad’ in de zin van art. 1:204 lid 4 BW Pro niet verstaan de enkele bevruchting van de eicellen en/of de terugplaatsing van het embryo, maar het gehele traject van kunstmatige bevruchting. In een zodanig geval is van ‘instemming als levensgezel’ als bedoeld in die bepaling pas sprake als de levensgezel en de moeder samen ervoor hebben gekozen om langs de gevolgde weg van kunstmatige bevruchting (te trachten) een kind te krijgen.”
3.5.
In deze zaak heeft de bijzondere curator in haar verslag van 1 september 2025 geadviseerd om het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning af te wijzen, omdat er geen sprake is geweest van een gezamenlijk besluit als levensgezellen om een kind te krijgen. Tijdens de zitting van 2 maart 2026 heeft de bijzondere curator haar advies gewijzigd, op basis van de later ingediende stukken van partijen. Volgens de bijzondere curator is er wel sprake geweest van een gezamenlijk besluit ten aanzien van [minderjarige 1] en zij adviseert daarom om het verzoek toe te wijzen, ook ten aanzien van [minderjarige 2] .
De vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft tijdens de zitting geadviseerd om het verzoek toe te wijzen, omdat zij dit in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht.
3.6.
Partijen zijn het over veel zaken oneens met elkaar, zo ook over de wijze waarop hun relatie is verlopen en het traject dat heeft geleid tot de totstandkoming van de zwangerschap van de kinderen. Voor de rechtbank zijn de volgende omstandigheden in deze zaak van belang:
  • Op 25 september 2016 heeft [moeder2] zich per e-mail aangemeld bij Medisch Centrum Kinderwens, als alleenstaande vrouw met een kinderwens;
  • Partijen krijgen in oktober 2016 officieel een relatie. Daarvoor waren zij goed bevriend met elkaar. [moeder1] is van mening dat de relatie van partijen in feite al eerder is begonnen, maar dit volgt niet uit de overgelegde stukken, waaronder de mail van [moeder1] van 10 november 2016 aan Vitras;
  • De zwangerschap van [minderjarige 1] is omstreeks april 2017 tot stand gekomen;
  • In [maand] 2018 is [minderjarige 1] geboren. [moeder1] was aanwezig bij de bevalling.
Op het geboortekaartje staan: [moeder2] , [moeder1] en [minderjarige 3] .
[moeder1] , [moeder2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] woonden toen als gezin samen;
  • Op 16 maart 2020 heeft [moeder2] een intake gehad bij Medisch Centrum Kinderwens voor een tweede kind, waarbij als aantekening is vermeld dat [moeder1] en [moeder2] uit elkaar gaan wonen en dat [moeder2] als alleenstaande verder wil;
  • In augustus 2020 is de samenwoning doordeweeks van partijen beëindigd;
  • In december 2020 is de relatie tussen partijen verbroken;
  • De zwangerschap van [minderjarige 2] is omstreeks april 2021 tot stand gekomen;
  • In juni 2021 krijgen partijen opnieuw een relatie, waarbij zij in de weekenden samenwonen;
  • In [maand] 2022 is [minderjarige 2] geboren. [moeder1] was aanwezig bij de bevalling.
Op het geboortekaartje staan: [moeder2] , [moeder1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] .
[moeder2] , [moeder1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] woonden toen in de weekenden als gezin samen;
  • In november 2024 is de relatie tussen partijen opnieuw verbroken.
  • Sinds februari 2025 is er geen contact meer tussen [moeder1] (en [minderjarige 3] ) enerzijds en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] anderzijds.
3.7.
De rechtbank begrijpt het standpunt van de Raad dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] feitelijk zijn geboren binnen het gezin van partijen en dat [moeder1] een belangrijke hechtingsfiguur voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is (geweest), waarbij het passend zou zijn dat [moeder1] de kinderen kan erkennen. De rechtbank is echter gebonden aan het toetsingskader op grond van de wet en de rechtspraak, zoals hiervoor onder 3.3. en 3.4. is beschreven. Op grond daarvan moet de rechtbank eerst beoordelen of partijen samen ervoor hebben gekozen om langs de gevolgde weg van kunstmatige bevruchting (te proberen) een kind te krijgen. Pas als die vraag bevestigend is beantwoord, kan de rechtbank beoordelen of de vervangende toestemming tot erkenning in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.8.
[moeder1] was nog niet de levensgezel van [moeder2] bij de start van het traject van kunstmatige donorbevruchting, waaruit [minderjarige 1] is geboren. Kort daarna kregen partijen een relatie en [moeder1] is verder als partner betrokken geweest bij het traject. [moeder1] is in dat kader regelmatig aanwezig geweest bij gesprekken en bij enkele terugplaatsingen. Partijen zijn het er niet over eens of zij samen de keuze voor de donor en de naam van [minderjarige 1] hebben gemaakt. De communicatie vanuit Medisch Centrum Kinderwens is alleen naar [moeder2] verstuurd en [moeder2] heeft alle kosten van het traject alleen gedragen, zo heeft [moeder2] onbetwist gesteld. Partijen zijn het erover eens dat [moeder2] het traject van kunstmatige donorbevruchting waaruit [minderjarige 2] is geboren alleen is gestart, omdat hun relatie toen verbroken was. Zij hebben hun relatie hervat toen [moeder2] al zwanger was van [minderjarige 2] . Vanaf dat moment is [moeder1] weer betrokken geweest bij het traject.
Gelet op de omstandigheden voorafgaand aan de zwangerschappen, is de rechtbank van oordeel dat [moeder1] geen invloed heeft gehad op de beslissing van [moeder2] om zwanger te worden, of dat er in ieder geval geen sprake was van een gelijkwaardige rol bij de besluitvorming. Ten aanzien van [minderjarige 1] is uit de stukken niet gebleken dat [moeder1] vanaf de start van het traject met de zwangerschap van [moeder2] heeft ingestemd, anders dan dat zij – in positieve zin - meebewoog bij de keuze van [moeder2] in de fase waarin [moeder2] na aanmelding bij de fertiliteitskliniek zich bevond. Ten aanzien van [minderjarige 2] is het traject naar de zwangerschap toe duidelijk vast te stellen. Een van de redenen dat partijen hun relatie in december 2020 beëindigden was dat [moeder2] nogmaals zwanger wilde worden en dat [moeder1] daar op dat moment niet achter stond. In de periode dat partijen uit elkaar waren, is [moeder2] zwanger geraakt van [minderjarige 2] . [moeder1] heeft dan ook geen invloed gehad op de keuze van [moeder2] om zwanger te worden. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheid om vervangende toestemming voor de erkenning van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] te verlenen.
3.9.
Het maakt het oordeel van de rechtbank niet anders dat [moeder1] heeft aangevoerd dat zij zich als ouder heeft gedragen tijdens en na de zwangerschappen van [moeder2] en dat zij (met [minderjarige 3] ) op de geboortekaartjes van de kinderen stond. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft over dit soort gedragingen overwogen in zijn uitspraak van 1 december 2022. [2] Hieruit volgt dat dit soort gedragingen pas na de totstandkoming van de zwangerschap hebben plaatsgevonden en geen aanleiding geven voor een andere visie op de rol van [moeder1] bij de totstandkoming van de zwangerschap.
Gezag
3.10.
De rechtbank zal [moeder1] niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek om samen met [moeder2] te worden belast met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De reden hiervoor is dat aan [moeder1] geen vervangende toestemming wordt verleend voor de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit betekent dat [moeder1] niet de juridische ouder van de kinderen zal worden. Om een verzoek tot gezamenlijk gezag in te kunnen dienen op grond van artikel 1:253c BW is het vereist om de juridische ouder van de kinderen te zijn.
Omgang
3.11.
De rechtbank zal het verzoek ten aanzien van de omgang aanhouden, in afwachting van het verloop van de hulpverlening gericht op contactherstel tussen [moeder1] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit wordt hierna toegelicht.
3.12.
Op grond van artikel 1:377a BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
3.13.
Beoordeeld moet worden of er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen [moeder1] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een band die kan worden aangemerkt als ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM Pro. In deze zaak, waarbij de biologische verwantschap tussen [moeder1] en de kinderen ontbreekt, geldt bij die beoordeling een strenge maatstaf.
3.14.
Partijen verschillen van mening over de rol van [moeder1] in de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Volgens [moeder1] was er sprake van een moederrol, volgens [moeder2] was [moeder1] vooral betrokken als haar partner. Vaststaat dat partijen een relatie hadden tijdens de geboorte van beide kinderen. De eerste jaren van het leven van [minderjarige 1] woonden partijen met [minderjarige 3] samen als gezin. De eerste jaren van het leven van [minderjarige 2] woonden partijen met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] samen als gezin in de weekenden. [minderjarige 1] was bijna 7 jaar en [minderjarige 2] was bijna 3 jaar toen partijen hun relatie beëindigden. Dit maakt duidelijk dat [moeder1] aanwezig en betrokken was in de eerste fase van het leven van de kinderen en samen met [moeder2] in gezinsverband voor de kinderen heeft gezorgd. [moeder1] had daarmee een grote rol in het leven van de kinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 1:377a BW tussen [moeder1] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.15.
Inmiddels is de verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord. Volgens [moeder1] staat [moeder2] het niet toe dat zij contact heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [moeder2] stelt dat [minderjarige 1] zelf geen contact meer wil met [moeder1] . [minderjarige 1] heeft hierover gesproken met de kindbehartiger. Ook heeft [minderjarige 1] EMDR-therapie gehad, om de ruzies tussen partijen te verwerken, aldus [moeder2] .
De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd om zo spoedig mogelijk het contact tussen [moeder1] (en [minderjarige 3] ) en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te herstellen. Volgens de Raad is er bij [minderjarige 1] sprake van een gebroken gehechtheidsrelatie, want [moeder1] was jarenlang een van de belangrijkste personen in zijn leven. Het is schadelijk dat dit contact plotseling is verbroken. Ook hoort de Raad signalen van een loyaliteitsconflict bij [minderjarige 1] . Daardoor maakt de Raad zich zorgen over de gevolgen voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. De Raad vindt het noodzakelijk dat partijen zich tot de hulpverlening wenden om de onderlinge verstandhouding te verbeteren en het contact tussen [moeder1] en de kinderen te herstellen. De Raad adviseert hulpverlening via het uniform hulpaanbod, zodat de hulpverlening snel kan starten en de Raad onderzoek kan doen als de hulpverlening onvoldoende resultaat heeft. Als het uniform hulpaanbod nu geen optie is vanwege de juridische geschillen, dan vindt de Raad het nodig dat partijen zich zo spoedig mogelijk aanmelden via het buurtteam voor hulpverlening, bijvoorbeeld bij [buurtteam] in [plaats 2] .
3.16.
[moeder1] heeft ingestemd met de geadviseerde hulpverlening. Ook [moeder2] staat open voor hulpverlening, mits de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van family life tussen [moeder1] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [moeder2] is dan bereid om met [moeder1] te overleggen en afspraken te maken, zo heeft zij tijdens de zitting verklaard.
3.17.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat het contact met [moeder1] op korte termijn wordt hersteld. Daarbij is hulpverlening voor partijen nodig. De rechtbank heeft partijen niet verwezen naar hulpverlening via het uniform hulpaanbod, omdat het commitment hiervoor onduidelijk was vanwege de juridische geschillen. In deze beschikking zal de rechtbank beslissen op de juridische geschillen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich nu, zoals zij hebben toegezegd, zo spoedig mogelijk zullen aanmelden bij het buurtteam in [plaats 2] voor hulpverlening. Partijen hebben hulp nodig bij het contactherstel tussen [moeder1] (en [minderjarige 3] ) en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en bij de verbetering van de communicatie en verstandhouding tussen partijen.
3.18.
De behandeling van dit verzoek zal worden aangehouden voor de duur van vier maanden. De rechtbank vindt het belangrijk dat de hulpverlening en het contactherstel daadwerkelijk tot stand komen en houdt op deze manier een vinger aan de pols.
Informatie
3.19.
De rechtbank zal een informatieregeling vaststellen. Weliswaar wordt in artikel 1:377b lid 1 BW gesproken over ‘de ouder’, maar uit de rechtspraak volgt dat ook degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat – als bedoeld in artikel 1:377a lid 1 BW – recht heeft op informatie over het kind jegens de met het gezag belaste ouder. [3] Dit is hier het geval. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat [moeder1] weet wat er in het leven van de kinderen gebeurt. [moeder1] heeft deze informatie nodig om goed bij de kinderen te kunnen aansluiten als er weer contact komt.
3.20.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat [moeder2] een keer per drie maanden (in januari, april, juli en oktober) een e-mail zal sturen aan [moeder1] met informatie over:
- de gezondheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
- hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat op school,
- de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Deskundige / bijzondere curator
3.21.
De rechtbank zal de verzoeken om een deskundige te benoemen of te horen, dan wel om een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW Pro te benoemen, afwijzen. Dit wordt hierna toegelicht.
3.22.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor de benoeming van een deskundige of bijzondere curator. De Raad heeft tijdens de zitting een duidelijk advies uitgebracht over het contactherstel en partijen zijn bereid om daarbij hulpverlening te aanvaarden. De rechtbank wacht dit traject af en heeft op dit moment geen behoefte aan verdere informatie, naast alle informatie die partijen al hebben overgelegd. Daarnaast heeft de achtjarige [minderjarige 1] al meerdere gesprekken gehad met een therapeut en kindbehartiger. Wellicht zal ook in het kader van de hulpverlening via het buurtteam met [minderjarige 1] worden gesproken. Voorkomen moet worden dat [minderjarige 1] aan te veel verschillende personen zijn mening moet vertellen. De huidige mening van [minderjarige 1] is al bekend bij de rechtbank. De rechtbank ziet daarom ook geen meerwaarde in het horen van de kindbehartiger van [minderjarige 1] .
3.23.
Als de hulpverlening onvoldoende resultaat zou hebben, dan heeft de Raad aangeboden om een onderzoek te doen. Dat is op dit moment niet aan de orde.
Indien nodig, kan een onderzoek door de Raad een goede optie zijn, omdat de Raad informatie kan opvragen bij alle betrokken hulpverleners en instanties.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.24.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart [moeder1] niet ontvankelijk in haar verzoek ten aanzien van het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
4.2.
bepaalt dat [moeder2] een keer per drie maanden (in januari, april, juli en oktober) een e-mail zal sturen aan [moeder1] met informatie over:
- de gezondheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
- hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat op school,
- de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
4.3.
verklaart deze beslissing ten aanzien van 4.2. uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
houdt de (verdere) beslissing over
de omgangpro formaaan tot
13 augustus 2026, in afwachting van het verloop van de hulpverlening gericht op contactherstel tussen [moeder1] en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:
  • of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;
  • of een nieuwe zitting nodig is;
  • of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;
4.5.
wijst de overige verzoeken van partijen af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.