Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1445

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/16/606979 / JE RK 26-217
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige deels afgewezen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds juni 2025 in een pleeggezin bij familie van vaderszijde. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag en tonen positieve ontwikkelingen, waaronder medewerking aan hulpverlening en therapie.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, omdat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd en de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt. De ouders zijn het eens met deze verlenging. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor vijf maanden, omdat de kinderrechter onvoldoende grond ziet voor een verlenging van een jaar zoals door de GI verzocht. De ouders zijn bereid om stap-voor-stap de verzorging en opvoeding weer op zich te nemen, maar een directe thuisplaatsing is nog niet mogelijk.

De kinderrechter benadrukt het belang van een zorgvuldige voorbereiding van de thuisplaatsing, mede gezien de zwangerschap van de moeder en de noodzaak van een stabiele overgang. De GI wordt opgedragen de regie te voeren in overleg met hulpverleners om de thuisplaatsing veilig en goed te laten verlopen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor vijf maanden, het overige verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/606979 / JE RK 26-217
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd in Utrecht,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
tezamen wonende in [woonplaats] ,
de vader en de moeder tezamen: de ouders,
advocaat: mr. P. van der Geest.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026;
  • het SAVE evaluatie- en vervolgplan, ontvangen op 2 maart 2026;
  • drie producties van de zijde van de ouders, door de advocaat overgelegd op de zitting.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder, bijgestaan door de tolk in de Tsjechische taal, mevrouw J. Joerikova;
  • de advocaat van de ouders;
- mevrouw [A] , namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft op de zitting direct mondeling uitspraak gedaan. Dit is een
schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft sinds 16 juni 2025 in een pleeggezin, namelijk bij oom en tante vaderszijde.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 14 juli 2025. Bij beschikking van 1 juli 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling verlengd tot 14 maart 2026.
3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juni 2025 een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een (netwerk)pleeggezin tot 14 juli 2025. Deze maatregel is daarna telkens verlengd, voor het laatst tot 14 maart 2026.

4.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5.De standpunten

De ouders zijn het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De ouders zijn het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar. De advocaat verzoekt namens de ouders om de machtiging voor een periode van drie maanden te verlengen, zodat in die periode naar thuisplaatsing van [minderjarige] kan worden toegewerkt.

6.De beoordeling

De beslissing

6.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengen voor de duur vijf maanden. Het overige deel van het verzoek van de GI over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal de kinderrechter afwijzen. Hieronder legt zij uit waarom.
Wat zegt de wet?
6.2.
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, de noodzakelijke zorg door de ouder(s) niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en de verwachting bestaat dat de ouder(s) de verzorging en opvoeding binnen aanvaardbare termijn zelf weer kunnen dragen. [1] Op verzoek van de GI kan de kinderrechter deze ondertoezichtstelling telkens met maximaal een jaar verlengen.
6.3.
De kinderrechter kan een machtiging verlenen om een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is (onder meer) in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] Op verzoek van de GI kan de kinderrechter deze machtiging telkens met maximaal een jaar verlengen.
De verlenging van de ondertoezichtstelling
6.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er zijn ernstige zorgen geweest binnen het gezin, bestaande uit drugsgebruik en huiselijk geweld. De ouders hebben in de afgelopen periode wel aantoonbaar een positieve verandering laten zien. Zo werkt de moeder goed mee met de GGZ en Jellinek. De testen op drugs bij de moeder zijn sinds oktober 2025 telkens negatief. De moeder volgt verder therapie voor emotieregulatie. Daarnaast volgen de ouders samen systeemtherapie. Kortom, er is veel hulpverlening ingezet en de ouders hebben hard gewerkt. De kinderrechter vindt dit knap van de ouders, maar benadrukt wel dat het belangrijk is dat deze veranderingen bij de ouders ook blijvend zijn. Daarom is het belangrijk dat de GI betrokken blijft om hier zicht op te houden en zo nodig regie te voeren als hiervoor nadere hulpverlening ingezet moet worden. Het vrijwillig kader is hiervoor op dit moment, gelet op de grote zorgen die er ook zijn geweest, nu nog onvoldoende. De doelen zoals eerder benoemd bij de aanvang van de ondertoezichtstelling zijn nog niet bereikt. Hier moet de komende periode verder aan gewerkt worden. De kinderrechter heeft meegewogen dat de ouders geen bezwaar hebben tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling.
6.5.
Het voorgaande betekent dat binnen de ondertoezichtstelling de komende periode verder gewerkt wordt aan de bestaande doelstellingen:
  • [minderjarige] heeft te allen tijde een emotioneel en fysiek beschikbare opvoeder die in kan schatten wat [minderjarige] nodig heeft, passend bij haar leeftijd;
  • [minderjarige] heeft ouders die de ruzies en conflicten op een rustige en constructieve manier met elkaar kunnen bespreken/oplossen;
  • [minderjarige] is geen getuige van middelengebruik van ouders en de gevolgen daarvan.
De verlenging van de uithuisplaatsing
6.6.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is nu nog noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter ziet in de onderbouwing van de GI echter onvoldoende grond om de machtiging voor een jaar te verlengen zoals verzocht. Ook bij navraag op zitting heeft zij hiervoor geen nadere argumenten naar voren gebracht.
6.7.
De kinderrechter is het met de GI eens dat er grote zorgen waren. Maar de ouders hebben in tweede instantie na de laatste zitting gedaan wat een ieder - zeker ook de rechtbank - aan hen gevraagd heeft. Zij hebben meegewerkt aan het traject bij Jellinek, urinecontroles en verschillende vormen van therapie. Er is verder door hen contact opgenomen met hulpverlening om te kijken naar opvoedhulp, maar dat kan pas ingezet worden als [minderjarige] in de thuissituatie verblijft. De kinderrechter leest in de omgangsverslagen dat de contacten tussen [minderjarige] en de ouders goed verlopen. De onrust die eerder bij de moeder werd gezien en beschreven, is er niet meer. Dit lijkt in lijn te zijn met het feit dat de moeder nu medicatie slikt voor ADHD en dat zij hulp krijgt bij [instelling] voor haar emotieregulatie. Dit betekent dat de zorgen in ieder geval de nodige aandacht krijgen en dat de ouders bereid zijn hier aan te werken.
6.8.
De kinderrechter komt daarom net als de ouders hebben gesteld, tot de conclusie dat de ouders klaar zijn om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] stap-voor-stap weer op zich te nemen. [minderjarige] kan nu niet direct naar huis. Dat vragen ouders ook niet. Een thuisplaatsing moet voorbereid worden. Er moet hulp ingezet worden zodat het thuis ook goed blijft verlopen. Daarnaast moeten zowel [minderjarige] als de ouders wennen aan de nieuwe situatie en aan elkaar. De overgang van het pleeggezin naar de ouders moet goed verlopen. Hier is dus tijd voor nodig.
6.9.
Een verlenging van drie maanden, zoals verzocht door de ouders, vindt de kinderrechter hiervoor te kort. De moeder is zwanger en zij is uitgerekend op 28 april aanstaande. De bevalling van de baby gaat veel aandacht, tijd en energie vragen. Maar aandacht, tijd en energie is ook nodig voor het werken naar de thuisplaatsing van [minderjarige] . Aan de andere kant mag de uithuisplaatsing ook niet nog heel lang duren. [minderjarige] is nog jong. Het is belangrijk dat zij weer kan hechten aan haar ouders en dat duidelijk is waar haar thuis is, waar zij opgroeit.
6.10.
De kinderrechter zal de machtiging daarom verlengen voor de duur van vijf maanden. Hierdoor verwacht zij dat er voldoende ruimte zal zijn bij de ouders. De thuisplaatsing moet niet overhaast worden, want dat zet druk. De thuisplaatsing moet juist in goed overleg en rustig verlopen. Hierbij speelt een rol dat op 16 maart aanstaande een gesprek met alle betrokken hulpverleners zal plaatsvinden. Dit overleg kan gebruikt worden om veiligheidsafspraken en een plan voor de komende periode te maken.
6.11.
De kinderrechter benadrukt dat het nu zaak is dat de GI de regie pakt in overleg met de hulpverlening. De GI moet bekijken hoe deze thuisplaatsing zo goed en veilig mogelijk ingevuld kan worden, en wat daarvoor nodig is. Het 2thePoint traject waar de GI op inzet, lijkt in deze zaak gelet op alle omstandigheden niet meer te passen.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 14 maart 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 14 augustus 2026;
7.3.
wijst het meer of anders verzochte af;
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
ML

Voetnoten

1.Artikel 1:255 lid 1 BW Pro.
2.Artikel 1:260 BW Pro.