De werknemer werd op 14 november 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeende schending van bedrijfsprotocollen en het delen van vertrouwelijke informatie met derden. De werknemer betwistte het ontslag en verzocht om vernietiging daarvan. De werkgever stelde dat het ontslag terecht was en verzocht subsidiair om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen of een verstoorde arbeidsrelatie.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat er geen dringende reden was. Het delen van documenten met het privé-emailaccount van de werknemer was onvoldoende zwaarwegend voor ontslag op staande voet. Ook de vermeende schendingen van bedrijfsprotocollen en het gebrek aan zelfreflectie rechtvaardigden geen ontslag op staande voet.
De arbeidsovereenkomst werd ontbonden op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, waarbij het vertrouwen tussen partijen was verdwenen. Herplaatsing was niet mogelijk en de ontbinding vond plaats met ingang van 1 mei 2026. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, een transitievergoeding van €3.332,54 en een billijke vergoeding van €22.248,00 wegens ernstig verwijtbaar handelen. Het verzoek tot boete werd afgewezen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de werkgever kreeg de mogelijkheid het ontbindingsverzoek binnen een termijn in te trekken.