Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1478

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
11802122 \ MC EXPL 25-4102
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leaseovereenkomst wegens niet ter beschikking stellen van apparatuur

AMS sloot in 2020 een leasecontract met [bedrijf 1] voor kopieerapparaten en een printer. In 2022 sloot AMS een nieuwe leaseovereenkomst met [gedaagde sub 1] voor dezelfde apparatuur, terwijl het eerste contract nog niet was beëindigd. Hierdoor betaalde AMS dubbel.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] tekortgeschoten is omdat zij de apparatuur niet ter beschikking heeft gesteld, aangezien dezelfde apparatuur niet gelijktijdig door twee partijen kan worden geleased. AMS mocht de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden op 11 februari 2025.

De vordering van AMS tot terugbetaling van €18.671,13 aan leasetermijnen wordt toegewezen, met verrekening van een dubbele factuur van €813,26 tegen een afkoopsom van €4.212,45 die AMS aan [gedaagde sub 1] moet betalen. De vordering tot incassokosten wordt afgewezen en de wettelijke rente wordt toegewezen conform artikel 6:119 BW Pro.

In reconventie vordert [gedaagden] betaling van kwartaalfacturen, afkoopsom en onderhoudskosten. Alleen de afkoopsom wordt toegewezen, de rest afgewezen. Proceskosten worden grotendeels aan AMS toegewezen in conventie, en gecompenseerd in reconventie.

Uitkomst: De leaseovereenkomst is rechtsgeldig ontbonden wegens niet ter beschikking stellen van apparatuur, met terugbetaling van leasetermijnen en verrekening van afkoopsom.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11802122 \ MC EXPL 25-4102
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
STICHTING DE AMSTERDAMSE MONTESSORISCHOOL,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: AMS,
gemachtigde: mr. D. Andringa,
tegen

1.[gedaagde sub 1] V.O.F.,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
en haar vennoten:
2.
[gedaagde sub 2] ,3.
[gedaagde sub 3] ,4.
[gedaagde sub 4] ,
allen wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. D.T. Mensinga.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met 15 producties;
  • de conclusie van antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie en 8 producties;
  • de conclusie van antwoord in reconventie met producties 16-20;
  • de akte aanvullende producties en eisvermeerdering van [gedaagden] ;
  • de aanvullende producties (11 en 12) van [gedaagden] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Namens AMS is verschenen haar directeur mevrouw [A] , bijgestaan door mr. D. Andringa. Aan de zijde van [gedaagden] is verschenen de heer [gedaagde sub 3] , bijgestaan door mr. D.T. Mensinga. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

De kantonrechter komt in deze zaak tot het oordeel dat [gedaagde sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de leaseovereenkomst met AMS, omdat zij de geleasede apparatuur niet ter beschikking heeft gesteld aan AMS. Dit betekent dat AMS de leaseovereenkomst terecht heeft ontbonden en dat de leasetermijnen moeten worden terugbetaald aan AMS.
Wel moet AMS, na verrekening van een dubbele factuur, het resterende deel van de afkoopsom van de apparatuur aan [gedaagden] betalen.

3.De achtergrond van het geschil

Inleiding
3.1.
AMS heeft op 4 februari 2020 een leasecontract gesloten met [bedrijf 1] N.V. (hierna: [bedrijf 1] ) met betrekking tot twee kopieerapparaten en een printer (hierna ook: de apparatuur).
3.2.
Op 3 november 2022 heeft AMS voor dezelfde apparatuur een nieuwe leaseovereenkomst gesloten met [gedaagde sub 1] . Het leasecontract met [bedrijf 1] is echter toen niet geëindigd. Hierdoor betaalde AMS twee keer lease voor dezelfde apparatuur: aan zowel [bedrijf 1] als aan [gedaagde sub 1] (tot de buitengerechtelijke ontbinding van de leaseovereenkomst met [gedaagde sub 1] op 11 februari 2025).
De vorderingen over en weer
3.3.
AMS vordert daarom (primair) een verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst van 3 november 2022 op 11 februari 2025 buitengerechtelijk is ontbonden of vernietigd dan wel (subsidiair) die leaseovereenkomst te ontbinden of te vernietigen vanwege dwaling. Verder vordert AMS betaling van € 18.671,13 aan hoofdsom, € 813,26 vanwege een dubbele factuur en verder wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten.
3.4.
[gedaagden] heeft op haar beurt voorwaardelijke – zowel bij (gedeeltelijke) toewijzing als bij (gedeeltelijke) afwijzing van de conventionele vorderingen – verschillende reconventionele vorderingen ingesteld.

4.De beoordeling

In conventie
[gedaagde sub 1] is tekortgeschoten
4.1.
AMS stelt dat [gedaagde sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de leaseovereenkomst, omdat de apparatuur nooit door [gedaagde sub 1] ter beschikking is gesteld.
4.2.
[gedaagden] voert aan dat zij de apparatuur bij het aangaan van de leaseovereenkomst in 2022 ter beschikking heeft gesteld, door die bij AMS te laten. In die leaseovereenkomst staat ook dat de apparatuur “
reeds geleverd” is. Dat [gedaagde sub 1] op dat moment geen eigenaar en niet bevoegd was om het gebruik te verschaffen, betekent niet automatisch dat zij is tekortgeschoten in haar verplichting om het feitelijk gebruik te verschaffen aan AMS. [bedrijf 1] heeft dat genot ook niet verstoord, aldus [gedaagden]
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat dezelfde apparatuur niet gelijktijdig door twee afzonderlijke partijen ter beschikking kan worden gesteld. Niet in geschil is dat bij aanvang van het leasecontract met [bedrijf 1] in 2020 de apparatuur door [bedrijf 1] (met [gedaagde sub 1] als leverancier) aan AMS ter beschikking is gesteld. Dit betekent dat dezelfde apparatuur bij het aangaan van de leaseovereenkomst met [gedaagde sub 1] in 2022 niet nogmaals aan AMS ter beschikking kon worden gesteld (of gelaten) door [gedaagde sub 1] . De apparatuur stond toen immers nog steeds bij AMS ter beschikking op grond van het leasecontract met [bedrijf 1] (tot de afkoop daarvan door [gedaagde sub 1] in september 2025).
4.4.
De verwijzing van [gedaagden] naar het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 2018 [1] , kan haar niet baten. Weliswaar klopt het op zichzelf dat beschikkingsonbevoegdheid van de verhuurder of lessor niet automatisch leidt tot een tekortkoming, maar in dat arrest waren de omstandigheden anders. In die zaak was sprake van een hoofd- en een onderleaseovereenkomst, waarin de betreffende partij als lessor in eerste instantie wél bevoegd was om de objecten te onderverhuren. In de onderhavige zaak is dit niet zo: [gedaagde sub 1] was nooit bevoegd om de objecten in gebruik te geven en kón dit feitelijk ook niet, omdat de objecten al ter beschikking waren gesteld door [bedrijf 1] .
4.5.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde sub 1] de apparatuur niet aan AMS ter beschikking heeft gesteld. Hierdoor is [gedaagde sub 1] tekortgeschoten in de nakoming van de leaseovereenkomst. Omdat nakoming onmogelijk was heeft AMS de leaseovereenkomst rechtsgeldig kunnen ontbinden op 11 februari 2025.
Beroep op rechtsverwerking en schending klachtplicht faalt
4.6.
[gedaagden] heeft nog een beroep gedaan op rechtsverwerking, maar dat beroep faalt. Naar vaste rechtspraak geldt dat om rechtsverwerking te kunnen aannemen nodig is dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid.
4.7.
In deze zaak heeft AMS gemotiveerd gesteld dat bij het aangaan van de leaseovereenkomst met [gedaagde sub 1] is meegedeeld dat [gedaagde sub 1] de apparatuur zou overnemen en alles verder zou regelen met [bedrijf 1] . AMS heeft deze stelling ook onderbouwd, met onder meer een e-mailbericht van een vennoot van [gedaagde sub 1] van 20 december 2024 (productie 7) waarin hij zelf aangeeft:
“Ik heb het e.e.a. uitgezocht en het loopt als volgt:
 De AMS heeft op dit moment uitsluitend en rechtstreeks een contract lopen met [gedaagde sub 1] . Het [bedrijf 1] contract is reeds opgezegd door ons. (…)
 Verzekeringskosten belasten wij door omdat wij eigenaar zijn van de apparaten (…).”
Uit de e-mail van 6 januari 2025 (productie 8) volgt dat [bedrijf 1] bevestigd dat zij eigenaar is van de apparatuur en dat [gedaagde sub 1] daarom geen lease- en verzekeringskosten bij AMS in rekening mag brengen.
4.8.
Hiertegenover heeft [gedaagden] in dit verband alleen betwist dat bij aanvang is meegedeeld dat [gedaagde sub 1] het leasecontract met [bedrijf 1] zou opzeggen, de apparatuur zou overnemen en alles verder gingen regelen met [bedrijf 1] . Dit staat echter haaks op haar eigen verklaringen uit de e-mail van 20 december 2024. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] desgevraagd verklaard dat die e-mail ongelukkig is geformuleerd, maar hier gaat de kantonrechter niet in mee. “
Het [bedrijf 1] contract is reeds opgezegd door ons” kan bijna niet duidelijker. [gedaagde sub 3] geeft in de zin daarvoor nota bene zelf aan dat hij het e.e.a. heeft uitgezocht. Verder heeft [gedaagden] nog aangevoerd dat zij het leasecontract met [bedrijf 1] niet kan afkopen namens AMS en dat AMS dat als contractant zelf moet doen, maar dit is niet correct, want kennelijk kan dit wel: [gedaagde sub 1] heeft dat contract immers uiteindelijk wel afgekocht in september 2025.
4.9.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat AMS heeft aangetoond dat de hiervoor genoemde mededelingen bij aanvang zijn gedaan. AMS mocht dan ook ervan uitgaan dat het leasecontract met [bedrijf 1] door [gedaagde sub 1] zou worden opgezegd. [gedaagden] is hier zelf kennelijk ook van uitgegaan. Dat deze informatie niet blijkt te kloppen kan niet aan AMS worden tegengeworpen en moet voor rekening en risico van [gedaagden] blijven. Hoe het bij een eerdere overgang met een andere partij ( [bedrijf 2] ) was gegaan, maakt het voorgaande niet anders. [gedaagde sub 1] had AMS correct behoren in te lichten. Bovendien had [gedaagden] niet zonder meer ervan mogen uitgaan dat AMS het leasecontract had beëindigd, want dan zou er ook een afkoopsom volgen. Onder deze omstandigheden kan dan ook geen sprake zijn van rechtsverwerking.
4.10.
Ook het beroep van [gedaagden] op het schenden van de klachtplicht kan haar niet baten. AMS mag afgaan op de juistheid van de mededelingen die door (een vennoot van) [gedaagde sub 1] zijn gedaan bij het aangaan van de leaseovereenkomst. AMS heeft meteen gehandeld nadat zij ontdekte dat sprake was van dubbele betalingen.
Beroep op algemene voorwaarden
4.11.
[gedaagden] beroept zich op haar algemene voorwaarden (hierna: AV), maar AMS betwist dat die ter hand zijn gesteld bij het aangaan van de leaseovereenkomst. [gedaagden] heeft ter onderbouwing nog een e-mailbericht overgelegd waarin de AV zijn meegezonden, maar dit is een e-mail van twee jaar later (21 november 2024, productie 12).
Verder heeft [gedaagden] op de zitting een beroep gedaan op de bekendheidsuitzondering, maar zij heeft in dit verband onvoldoende gesteld. Onvoldoende kan worden vastgesteld dat de AV ter hand zijn gesteld en of AMS hiermee ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of geacht kon worden daarmee bekend te zijn. Het beroep op de AV moet dan ook worden verworpen.
Ontbinding
4.12.
De conclusie van het voorgaande is dat de verklaring voor recht met betrekking tot de ontbinding toewijsbaar is.
4.13.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat – als de leaseovereenkomst niet ontbonden zou worden – de leaseovereenkomst vernietigbaar zou zijn op grond van dwaling. De dwaling is te wijten aan de hiervoor besproken mededelingen van [gedaagde sub 1] (over de opzegging en het eigenaarschap). Het is evident dat AMS, bij een juiste voorstelling van zaken, de leaseovereenkomst niet op deze wijze had gesloten: zij gaat immers niet dubbel lease betalen voor dezelfde apparatuur.
Terugbetaling
4.14.
Door de ontbinding van de leaseovereenkomst ontstaan verbintenissen tot ongedaanmaking voor partijen van de reeds door hen ontvangen prestaties.
4.15.
AMS vordert in dat verband terugbetaling van de door haar aan [gedaagde sub 1] betaalde huurtermijnen van in totaal € 18.671,13 (totaal van facturen bij productie 15). De hoogte van deze vordering is verder onvoldoende betwist. De vordering zal worden toegewezen.
Rente
4.16.
[gedaagden] heeft onweersproken gesteld dat de gevorderde wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW niet toewijsbaar is, omdat die enkel betrekking heeft op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst, en niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo een overeenkomst aanleiding kan geven en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling (HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710).
De gevorderde handelsrente is daarom niet toewijsbaar. Wel komt de wettelijke rente op de voet van artikel 6:119 BW Pro voor vergoeding in aanmerking.
Incassokosten
4.17.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. AMS heeft immers onvoldoende gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan AMS vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Terugbetaling dubbele factuur
4.18.
[gedaagden] erkent dat deze factuur van € 813,26 dubbel is voldaan.
[gedaagden] doet echter een beroep op verrekening. AMS heeft op zichzelf geen verweer gevoerd tegen de verrekening. De kantonrechter zal dit bedrag daarom verrekenen met de hierna te bespreken toewijsbare reconventionele vordering met betrekking tot de afkoopsom.
In reconventie
4.19.
[gedaagden] vordert in reconventie – nu de voorwaarde van (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering in conventie is ingetreden – betaling dan wel verrekening van in totaal € 14.931,92, bestaande uit:
  • € 7.712,26 aan kwartaalfacturen van Q4 2025 en Q 1 2026;
  • € 4.212,45 aan afkoopsom van [bedrijf 1] ;
  • € 3.007,21 aan onderhoudswerkzaamheden;
met veroordeling van AMS in de proceskosten en wettelijke rente daarover.
Kwartaalfacturen
4.20.
[gedaagden] vordert betaling van twee kwartaalfacturen van in totaal € 7.712,26 (Q4 van 2025 van € 3.588,76 en Q1 van 2026 van € 4.123,50). Maar omdat de leaseovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden op 11 februari 2025, moet deze vordering worden afgewezen.
Afkoopsom
4.21.
[gedaagde sub 1] heeft op 16 september 2025 € 4.212,45 voldaan aan [bedrijf 1] om de resterende looptijd van het leasecontract tussen AMS en [bedrijf 1] af te kopen. De juridische eigendom van de apparatuur rust sindsdien bij [gedaagde sub 1] . [gedaagden] vordert daarom betaling dan wel verrekening van deze afkoopsom omdat deze betaling direct voortvloeit uit het gebruik door AMS van de aan haar ter beschikking gestelde apparatuur, aldus [gedaagden]
4.22.
Deze vordering zal worden toegewezen. [gedaagden] heeft op de zitting onweersproken gesteld dat de afkoopsom ziet op de resterende looptijd van het leasecontract tussen AMS en [bedrijf 1] . Doordat [gedaagde sub 1] dit bedrag aan [bedrijf 1] heeft betaald, hoeft AMS de resterende termijnen niet meer te betalen aan [bedrijf 1] . Hierdoor is AMS ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [gedaagde sub 1] . Dat dit buiten AMS om is gegaan en dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de voortijdige afkoop, doet hier niet aan af. AMS heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat de apparatuur staat te wachten om opgehaald te worden.
4.23.
Aangezien [gedaagden] een beroep doet op verrekening zal AMS worden veroordeeld tot betaling van € 3.399,19 (€ 4.212,45 minus € 813,26).
Onderhoudswerkzaamheden
4.24.
Verder stelt [gedaagde sub 1] dat AMS een bedrag van € 3.007,21 verschuldigd is vanwege onderhoudswerkzaamheden aan de apparatuur in de periode juli 2023 tot en met december 2024, die door [bedrijf 3] B.V. zijn uitgevoerd. AMS is dit bedrag verschuldigd op grond van onverschuldigde betalingen dan wel ongerechtvaardigde verrijking. Daar komt bij dat het gaat om prestaties die naar hun aard niet ongedaan kunnen worden gemaakt. AMS moet hiervoor een waardevergoeding betalingen die wordt gesteld op € 3.007,21, zijnde het bedrag dat [gedaagde sub 1] aan [bedrijf 3] B.V. heeft betaald, aldus [gedaagden]
4.25.
Deze vordering moet worden afgewezen. De onderhoudswerkzaamheden vloeien namelijk voort uit het leasecontract tussen AMS en [bedrijf 1] . Op grond van dat leasecontract werd het onderhoud aan de apparatuur uitgevoerd door [gedaagde sub 1] . Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde sub 1] desgevraagd ook verklaard dat AMS één all-in-prijs, dus inclusief onderhoud, betaalde aan [bedrijf 1] en dat het onderhoud werd verzorgd door [gedaagde sub 1] . Wat tussen [gedaagde sub 1] en [bedrijf 1] over de gemaakte onderhoudskosten intern is afgesproken kan niet aan AMS worden tegengeworpen: hiervoor moet [gedaagde sub 1] bij [bedrijf 1] zijn. Er is dus geen sprake van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. AMS heeft voor dit onderhoud immers (all-in) betaald aan [bedrijf 1] .
Bewijsaanbod
4.26.
[gedaagden] heeft nog een bewijsaanbod gedaan om (partij)getuigen te horen, maar dat zal als niet ter zake dienend en onvoldoende concreet worden gepasseerd.
Het aangeboden bewijs zal, indien geleverd, ook niet leiden tot een ander oordeel in deze zaak.
Proceskosten
4.27.
[gedaagden] zal in conventie als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.
4.28.
AMS vraagt om een volledige proceskostenveroordeling. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter. Anders dan AMS meent kan onvoldoende worden vastgesteld dat [gedaagden] bewust onrechtmatig of ter kwader trouw heeft gehandeld of dat het verweer zodanig ongegrond of op voorhand kansloos is dat die achterwege had behoren te blijven.
De kantonrechter ziet dan ook onvoldoende aanleiding om [gedaagden] in de werkelijke proceskosten van AMS te veroordelen.
4.29.
In conventie worden de proceskosten tot aan dit vonnis aan de zijde van AMS begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 1.461,00
- salaris gemachtigde € 1.154,00 (2 punten x tarief € 577,00)
- nakosten € 144,00 +plus eventuele betekeningskosten)
totaal € 2.903,47
4.30.
Ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals
vermeld in de beslissing.
4.31.
In reconventie worden de proceskosten gecompenseerd omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat AMS de leaseovereenkomst van 3 november 2022 met [gedaagde sub 1] op 11 februari 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan AMS van € 18.671,13 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 11 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten in conventie van AMS, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.903,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de betekeningskosten betalen;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.7.
veroordeelt AMS tot betaling aan [gedaagden] van een bedrag van € 3.399,19 aan de (na verrekening van de dubbele factuur) resterende afkoopsom;
5.8.
compenseert de proceskosten in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.9.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
4578