ECLI:NL:RBMNE:2026:149

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/16/603908 / KG ZA 25-609
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:1 lid 2 BWArt. 557a lid 3 RvArt. 8 EVRMEerste Protocol bij het EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming van gekraakte bungalow op zorgpark toegewezen wegens evident belang zorginstelling

GGZ Centraal is eigenaar van een zorgpark met vijf bungalows, waarvan één nog bewoond wordt door een patiënt. Op 30 november 2025 heeft de gedaagde een leegstaande bungalow gekraakt. GGZ Centraal vordert ontruiming van deze bungalow en stelt dat zij een evident belang heeft om te bepalen wie zich op haar terrein bevindt, gezien de kwetsbare bewoners met psychiatrische stoornissen.

De voorzieningenrechter bevestigt dat het eigendomsrecht van GGZ Centraal prevaleert, maar dat bij ontruiming van krakers een belangenafweging moet plaatsvinden tussen eigenaar en kraker. Gelet op de zorgfunctie van het park en het belang van GGZ Centraal om controle te houden, weegt het belang van de eigenaar zwaarder dan dat van de kraker.

Hoewel de gedaagde bereid is afspraken te maken en de bungalow in redelijke staat verkeert, acht de rechter dit niet relevant voor de ontruimingsvordering. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op drie weken, wat tegemoetkomt aan de belangen van de gedaagde. Daarnaast wordt de vordering op grond van artikel 557a lid 3 Rv toegewezen, zodat het vonnis ook tegen anderen kan worden uitgevoerd.

Een verzoek tot een verbod op het gebruik van andere bouwwerken op het terrein wordt afgewezen wegens gebrek aan concreetheid. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 22 januari 2026 gewezen door de voorzieningenrechter.

Uitkomst: De ontruimingsvordering van GGZ Centraal wordt toegewezen met een ontruimingstermijn van drie weken.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/603908 / KG ZA 25-609
Vonnis in kort geding van 22 januari 2026
in de zaak van
STICHTING GGZ CENTRAAL,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: GGZ Centraal,
advocaat: mr. M. de Marco,
tegen
[gedaagde]
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J. van Lunen.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding en 10 producties van eiseres,
- de conclusie van antwoord en 5 producties van gedaagde,
- de pleitnota van GGZ Centraal.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 8 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en op vragen van de voorzieningenrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat uiterlijk op 22 januari 2026 uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
GGZ Centraal is eigenaar van het zorgpark [zorgpark] aan de [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats] . Op het terrein van het zorgpark staan vijf bungalows waar voorheen patiënten van GGZ Centraal woonden. Op dit moment wordt nog één van de bungalows door een patiënt bewoond. De overige bungalows staan leeg. Op 30 november 2025 heeft [gedaagde] één van de leegstaande bungalows gekraakt. GGZ Centraal wil dat [gedaagde] de bungalow ontruimt. De ontruimingsvordering wordt in dit kort geding toegewezen.

3.De beoordeling

Toetsingskader
3.1.
[gedaagde] is een kraker die zonder recht of titel in de bungalow van GGZ Centraal verblijft. Dat is een evidente inbreuk op het eigendomsrecht van GGZ Centraal, zodat de vordering tot ontruiming in beginsel toegewezen moet worden. Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht dat een (rechts)persoon op een zaak kan hebben. Ingevolge artikel 5:1 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek staat het de eigenaar met uitsluiting van ieder ander vrij om van zijn eigendom gebruik te maken zoals hij dat wenst. De exclusiviteit van het eigendomsrecht is ook vastgelegd in internationale verdragen, zoals in artikel 1 lid 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens).
3.2.
In kort gedingen waar de eigenaar van een woning een ontruimingsvordering instelt tegen krakers, moet evenwel aan twee voorwaarden zijn voldaan, wil de kortgedingrechter die vordering toewijzen:
 Er moet een belangenafweging plaatsvinden tussen de belangen van de eigenaar en de belangen van de kraker(s), die in het voordeel van de eigenaar moet uitvallen. Dit volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, die oordelen dat uit artikel 8 EVRM Pro voortvloeit dat iedereen die een woning bewoont een zogenaamd huisrecht heeft, en dat dit huisrecht wordt ontleend aan de feitelijke bewoning, zodat niet van belang is of die bewoning rechtmatig is. Daaruit volgt dat ook krakers, die zich onrechtmatig toegang tot een woning verschaffen en daar onrechtmatig verblijven, een huisrecht hebben. Bij de vraag hoe ver het huisrecht strekt, speelt wel een rol of de bewoning rechtmatig is [1] . Omdat een ontruiming een vergaande inmenging in de uitoefening van het huisrecht is, moet iedereen die ontruimd dreigt te worden de mogelijkheid hebben de proportionaliteit daarvan door de rechter te laten toetsen voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. De Hoge Raad oordeelt dat, als het om ontruiming van krakers gaat, het belang van de eigenaar doorgaans zwaarder zal wegen, maar dat niet kan worden uitgesloten dat vanwege de ernstige inbreuk op het huisrecht en de onomkeerbare gevolgen van een ontruiming het belang van (een) kraker(s) in een specifiek geval, (bijvoorbeeld) voor beperkte tijd, zwaarder weegt. [2]
 Zoals bij iedere vordering in kort geding, moet de eigenaar een spoedeisend belang hebben bij de ontruimingsvordering. In dit soort kort gedingen gaat daarom vaak aandacht uit naar de vraag wat de eigenaar van plan is met de onroerende zaak en wanneer die plannen zullen of kunnen worden uitgevoerd. In meerdere uitspraken wordt overwogen dat niet wordt ontruimd voor ongerechtvaardigde leegstand.
Ontruiming wordt toegewezen, omdat de bungalow zich op een zorgpark bevindt
3.3.
De rechter is van oordeel dat de belangen van GGZ Centraal zwaarder wegen dan die van [gedaagde] en de ontruiming rechtvaardigen, en dat GGZ Centraal daar een spoedeisend belang bij heeft. Daarvoor is het volgende doorslaggevend. De bungalow bevindt zich op een zorgpark, waar ruim 500 mensen verblijven met veelal ernstige chronische psychiatrische stoornissen. Zij verblijven daar voor een lang- of kortdurende klinische behandeling. Dat enkele feit maakt dat, naar het oordeel van de rechter, GGZ Centraal een evident belang heeft dat zij zelf de regie heeft over wie er op haar terrein verblijft en wat er op haar terrein gebeurt en dat zij daar controle op kan uitoefenen. GGZ Centraal is als zorginstelling verantwoordelijk voor de zorg aan en het welzijn van de bewoners van het zorgpark. Zij hoeft principieel niet te accepteren dat zich op het zorgpark mensen vestigen over wie zij niets weet. De vordering tot ontruiming wordt daarom toegewezen. Dat elders op het terrein sprake is van anti-kraak wonen en dat ook andere buitenstaanders (zoals wandelaars) zich op het terrein begeven maakt dit niet anders. GGZ Centraal heeft immers wel controle over wie zij anti-kraak laat wonen, en dat heeft zij niet over mensen die zich onrechtmatig toegang verschaffen tot panden en daar onrechtmatig in trekken. En er is een groot verschil tussen een buitenstaander die een zorgbungalow op een zorgpark kraakt en daar gaat wonen en een buitenstaander die een wandeling maakt op het terrein van het zorgpark.
De andere omstandigheden doen daarom onvoldoende ter zake
3.4.
Gelet op deze overweging doen de volgende punten niet ter zake (maar de voorzieningenrechter gaat er volledigheidshalve wel op in):
  • [gedaagde] voert aan dat zij bereid is afspraken te maken met GGZ Centraal over betaling voor haar gebruik van stroom, gas en water, over het verlenen van toegang tot de bungalow en dat zij vrijwillig zal vertrekken zodra de sloopplannen concreet zijn. De voorzieningenrechter wil – anders dan GGZ Centraal – wel aannemen dat [gedaagde] zich aan dergelijke afspraken zal houden, omdat [gedaagde] zich vanaf het moment dat zij door haar advocaat wordt bijgestaan constructief lijkt op te stellen. Maar haar bereidheid tot het maken van afspraken kan geen rol spelen bij de beoordeling van de ontruimingsvordering. Het is namelijk aan GGZ Centraal om al dan niet afspraken te maken met [gedaagde] . Als zij dat niet wil, staat dat haar vrij. Omdat GGZ Centraal heeft aangegeven dat zij onder geen enkele voorwaarde afspraken wil maken met [gedaagde] , is niet van belang dat [gedaagde] daar wel toe bereid is.
  • Vast staat dat GGZ Centraal van plan is de vijf bungalows te laten slopen. Uit de antwoorden van GGZ Centraal op de vragen van de rechter blijkt dat dit niet op korte termijn zal gebeuren: naar verwachting na de zomer. Vanwege (kosten-) efficiëntie wil GGZ Centraal de bungalows allemaal ineens slopen, maar zij kan dat pas doen als de laatst overgebleven bewoner (die van de bungalow met nummer [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 3] ) kan verhuizen naar de nieuwbouw. Tijdens de zitting heeft GGZ Centraal gezegd dat de nieuwbouw na de zomer gefaseerd opgeleverd zal worden. Zij zal de sloper kort voor de oplevering van de nieuwbouw opdracht geven voor de sloop van de bungalows. Dit tijdspad levert niet direct een spoedeisend belang bij ontruiming op, maar de afweging hierboven onder 3.3 doet dat wel.
  • GGZ Centraal stelt dat de bungalow onveilig is. Zij stelt dat er asbest, vocht en schimmel aanwezig is, maar heeft niet onderbouwd dat de bungalow daarom onveilig is. Tijdens de zitting heeft GGZ Centraal verwezen naar de foto’s die [gedaagde] heeft overgelegd. Daarop is volgens haar overduidelijk te zien dat er sprake is van een onveilige situatie. [gedaagde] betwist dat. Volgens haar blijkt uit de foto’s juist dat de bungalow in een redelijke staat verkeert, dat zij die heeft opgeknapt en dat zij als veiligheidsmaatregel rookmelders heeft opgehangen. Kijkend naar de foto’s ziet de voorzieningenrechter eerder een bevestiging van wat [gedaagde] zegt dan van wat GGZ Centraal zegt. Dat de cv-installatie en andere installaties niet meer jaarlijks worden onthouden rechtvaardigt – zonder verdere toelichting, die niet is gegeven – ook niet direct de conclusie dat de bungalow onveilig is.
 Ten slotte stelt GGZ Centraal dat het feit dat de bungalow gekraakt is tot veel onrust heeft geleid onder de patiënten die op het zorgpark verblijven en dat [gedaagde] met haar aanwezigheid op het terrein gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij de patiënten. GGZ Centraal heeft daar echter desgevraagd geen concreet voorbeeld van kunnen geven. [gedaagde] betwist het. Het komt wat opgeklopt over op de rechter. Dat doet er echter niets aan af dat de rechter ziet dat de setting waar we hier mee te maken hebben – een zorgpark waar mensen verblijven met veelal ernstige chronische psychiatrische stoornissen – maakt dat GGZ Centraal moet kunnen bepalen wie daar verblijft. Dit principiële belang weegt zwaarder dan de belangen van [gedaagde] én maakt dat GGZ Centraal er belang bij heeft dat er nu wordt ontruimd, ook al zal het nog even duren voordat de bungalows zullen worden gesloopt.
Ontruimingstermijn: drie weken
3.5.
GGZ Centraal heeft gevraagd om een ontruimingstermijn van 3 dagen. [gedaagde] heeft verzocht om een langere termijn.
3.6.
De rechter ziet reden om, gegeven wat hij in 3.4 heeft overwogen, voor wat betreft de ontruimingstermijn enigszins tegemoet te komen aan de belangen van [gedaagde] . GGZ Centraal heeft er recht en belang bij dat de onrechtmatige situatie snel ongedaan wordt gemaakt, maar omdat er verder geen problemen zijn wat betreft de bungalow (de gestelde onveiligheid is niet aannemelijk) of het gedrag van [gedaagde] (van overlast is niet gebleken), is het niet nodig dat [gedaagde] binnen drie dagen de bungalow verlaat. De voorzieningenrechter bepaalt de ontruimingstermijn op drie weken.
Vordering op grond van artikel 557a lid 3 Rv
3.7.
De vordering op grond van artikel 557a lid 3 Rv wordt toegewezen. GGZ Centraal heeft er immers belang bij dat het vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen personen die zich wellicht op dit moment niet, maar op het moment van de ontruiming of nadien wel zonder recht of titel in het pand bevinden.
Verbod om een ander bouwwerk op het instellingsterrein in gebruik te nemen
3.8.
GGZ Centraal vraagt met deze vordering om een verbod op te leggen voor een situatie die op dit moment niet aan de orde is en waarvan niet aannemelijk is dat die zich zal voordoen. Een dergelijk verbod gaat daarom te ver en wordt afgewezen.
De proceskosten
3.9.
GGZ Centraal krijgt grotendeels gelijk. [gedaagde] moet daarom de proceskosten van GGZ Centraal betalen. De proceskosten aan de kant van GGZ Centraal worden begroot op:
- dagvaarding € 119,40
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddelde zaak)
- nakosten
€ 178,00(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.139,40

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om de onroerende zaak gelegen te [ [postcode] ] [plaats] aan de [straat] [nummeraanduiding 2] - [nummeraanduiding 4] binnen drie weken na betekening van dit vonnis met al het hare te verlaten en te ontruimen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden en onder afgifte van eventuele sleutels ter vrije en algehele beschikking te stellen aan GGZ Centraal;
4.2.
bepaalt dat de veroordeling onder 4.1 binnen de termijn van één jaar als bedoeld in artikel 557 lid 3 Rv Pro ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen eenieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnen treedt en telkens wanneer dat zich voordoet;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.139,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als zij niet tijdig aan die veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, wordt daar € 92,00 bij opgeteld,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.

Voetnoten

1.EHRM 8 maart 2022, 30391/18 (Faulkner and McDonagh v Ireland) onder 96: If the home was established unlawfuly, the position of the individual is less strong.
2.HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880 onder 3.5.7