Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1522

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
11926099
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:3.7 Landelijk procesreglement verzoekschriften rechtbanken, kanton
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens joint maken en roken niet rechtsgeldig

Werknemer was werkzaam als schoonmaker bij werkgever en werd op staande voet ontslagen omdat hij volgens werkgever onder werktijd een joint had gemaakt en gerookt. Werknemer erkende het maken van de joint, maar betwistte dat dit onder werktijd gebeurde en ontkende het roken ervan. Hij stelde dat het maken van de joint tijdens zijn pauze plaatsvond op een plek waar roken was toegestaan.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was omdat werkgever de dringende reden onvoldoende had onderbouwd en geen verweer had gevoerd. Er was geen bewijs dat werknemer onder werktijd had gerookt of dat het maken van de joint op de werkplek verboden was.

Omdat werknemer in het ontslag berustte, werd het dienstverband beëindigd per 25 augustus 2025. De kantonrechter kende werknemer een gefixeerde schadevergoeding van € 1.927,90 plus 8% vakantietoeslag toe wegens onregelmatige opzegging, evenals een transitievergoeding van € 384,76. Werkgever werd veroordeeld tot betaling van deze vergoedingen en de proceskosten van € 986,00. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet was niet rechtsgeldig, werknemer krijgt schadevergoeding en transitievergoeding toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11926099 \ UE VERZ 25-313
Beschikking van 15 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. S.W.S. Blom,
tegen
[bedrijf] B.V.,
gevestigd in [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [bedrijf] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 15 oktober 2025 een verzoekschrift met vier producties ingediend. Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 januari 2026. Tijdens die zitting is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [bedrijf] is niet verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend. De kantonrechter heeft vervolgens bepaald dat [bedrijf] voor een nieuwe zittingsdatum moet worden opgeroepen. [1]
1.2.
[verzoeker] heeft [bedrijf] bij deurwaardersexploot van 23 februari 2026 opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 23 maart 2026. Op die zitting is [verzoeker] verschenen, vergezeld door [naam] , tolk, en bijgestaan door mr. R. Berendsen en zijn gemachtigde. [bedrijf] is wederom niet verschenen en heeft geen verweerschrift ingediend. Door of namens [verzoeker] is zijn standpunt toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat een beschikking zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoeker] was werkzaam als schoonmaker bij [bedrijf] . Hij is op staande voet ontslagen nadat hij volgens [bedrijf] onder werktijd een joint had gemaakt en gerookt. [verzoeker] erkent dat hij een joint heeft gemaakt, maar betwist dat hij dit onder werktijd deed. De joint zou namelijk in zijn eigen tijd, tijdens zijn pauze, zijn gemaakt. [verzoeker] betwist verder de joint te hebben gerookt. Ondanks dat [verzoeker] meent dat het ontslag op staande voet om deze redenen niet rechtsgeldig was, berust hij daar wel in. [verzoeker] maakt in deze procedure aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding van € 1.927,90, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, en een transitievergoeding van € 384,76. Deze zal worden toegewezen. Dit zal hierna worden uitgelegd.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd met ingang van 25 augustus 2025. De verzoeken die [verzoeker] ter beoordeling aan de kantonrechter voorlegt, betreffen de (financiële) aanspraken die [verzoeker] al dan niet geldend kan maken als gevolg van het door [bedrijf] gegeven ontslag op staande voet. Om die aanspraken te kunnen beoordelen, dient de vraag te worden beantwoord of [bedrijf] op 25 augustus 2025 rechtsgeldig tot het ontslag op staande voet kon overgaan. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval was.
3.2.
Op de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] toegelicht dat het voor hem gebruikelijk was om tijdens zijn pauze een joint te rollen, zodat hij deze bij het einde van zijn dienst op weg naar de bushalte kon oproken. [verzoeker] heeft aangegeven hier niet van te zijn afgeweken op de dag die tot zijn ontslag op staande voet heeft geleid. Van roken onder werktijd was volgens hem dus in zijn geheel geen sprake. [verzoeker] heeft verder verklaard dat medewerkers van het winkelcentrum – waar hij door [bedrijf] was tewerkgesteld – hebben gezegd dat het was toegestaan om aan de achterkant van het winkelcentrum te ‘roken’, omdat dit buiten het publieke zicht was. Dit was volgens [verzoeker] daarom – zo begrijpt de kantonrechter – de aangewezen plek om zijn joint te rollen, waardoor hij niets fout heeft gedaan. [verzoeker] heeft verder toegelicht dat de binnen het winkelcentrum geldende regels hem niet zijn uitgelegd.
3.3.
Doordat [verzoeker] heeft betwist dat hij onder werktijd een joint heeft gerookt is dit niet komen vast te staan. Het lag op de weg van [bedrijf] om de dringende reden voor het ontslag nader te onderbouwen. Dit heeft zij niet gedaan. In het dossier bevinden zich geen stukken die het standpunt van [bedrijf] onderbouwen en [bedrijf] heeft in deze procedure geen verweer gevoerd. Verder is ook niet komen vast te staan dat [verzoeker] , zonder dat dit mocht, een joint heeft gedraaid op de plek waar hij door [bedrijf] was tewerkgesteld, nog daargelaten of dit op zichzelf voldoende reden zou zijn voor een ontslag op staande voet. In deze procedure is namelijk niet duidelijk geworden welke regels er binnen het winkelcentrum golden en of sprake was van een aangewezen plek waar het rollen van bijvoorbeeld een joint wel was toegestaan. Dit alles leidt ertoe dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig door [bedrijf] is gegeven.
De gefixeerde schadevergoeding zal worden toegewezen
3.4.
De verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon (inclusief vakantietoeslag) over de tussen partijen geldende opzegtermijn, te weten € 1.927,90 bruto vermeerderd met 8% vakantietoeslag.
De transitievergoeding zal worden toegewezen
3.5.
Het verzoek om [bedrijf] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. [bedrijf] heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd. Er is niet gebleken dat de reden voor opzegging gelegen is in ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van die vergoeding, die onweersproken € 384,76 bruto bedraagt.
[bedrijf] moet de proceskosten betalen
3.6.
De proceskosten komen voor rekening van [bedrijf] , omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 986,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Omdat [verzoeker] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [bedrijf] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en de betekeningskosten.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.7.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [bedrijf] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 1.927,90 bruto, vermeerderd met 8% vakantietoeslag;
4.2.
veroordeelt [bedrijf] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 384,76 bruto;
4.3.
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
5.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3.3.7. van het Landelijk procesreglement verzoekschriften rechtbanken, kanton.