Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1558

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/16/589542 / HA ZA 25-127 en C/16/589657 / HA ZA 25-139
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:89 BWArt. 3:310 lid 1 BWArt. 186 lid 1 RvArt. 186 lid 2 RvArt. 187 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over onrechtmatige facturering en deskundigenonderzoek in onderhoudsovereenkomst

In deze civiele procedure tussen [procesdeelneemster 1] B.V. en woningstichting Veenvesters gaat het om geschillen over facturering van onderhoudswerkzaamheden aan vastgoed. [procesdeelneemster 1] vordert betaling van openstaande facturen, terwijl Veenvesters stelt dat zij te veel heeft gefactureerd en vordert terugbetaling van een deel van de bedragen.

De rechtbank stelt vast dat [procesdeelneemster 1] onrechtmatig heeft gehandeld door structureel hogere marges en onjuiste factureringen toe te passen, onder meer door hogere toeslagen dan contractueel toegestaan en het in rekening brengen van niet uitgevoerde werkzaamheden. Dit handelen wordt aan [procesdeelneemster 1] toegerekend, ook zonder bewijs van opzet.

Veenvesters heeft steekproeven uitgevoerd waaruit blijkt dat er gemiddeld 25% tot 55% te veel is gefactureerd, maar de rechtbank acht deze steekproeven onvoldoende representatief om de totale schade vast te stellen. Daarom beveelt de rechtbank een deskundigenonderzoek om de omvang van de schade te bepalen.

De rechtbank wijst erop dat partijen verplicht zijn mee te werken aan het onderzoek en dat [procesdeelneemster 1] het voorschot voor het deskundigenonderzoek moet betalen. De beslissing in de zaak van [procesdeelneemster 1] wordt aangehouden totdat het deskundigenonderzoek is afgerond, waarna gelijktijdig over beide zaken zal worden beslist.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat [procesdeelneemster 1] onrechtmatig heeft gehandeld en beveelt een deskundigenonderzoek om de schade vast te stellen; de beslissing in de zaak wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/589542 / HA ZA 25-127 van
[procesdeelneemster 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 1] ,
advocaat: mr. J.G.J. Elslo,
tegen
WONINGSTICHTING VEENVESTERS,
te Veenendaal ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Veenvesters,
advocaat: mr. J.P. Bakker,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/589657 / HA ZA 25-139 van
STICHTING WOONSTICHTING VEENVESTERS,
te Veenendaal,
eisende partij,
hierna te noemen: Veenvesters,
advocaat: mr. J.P. Bakker,
tegen
[procesdeelneemster 1] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [procesdeelneemster 1] ,
advocaat: mr. J.G.J. Elslo.

1.De procedure

1.1
De rechter beschikt over de volgende stukken:
in de zaak met rolnummer 25-127
- de dagvaarding van 21 februari 2025;
- de akte overlegging producties van [procesdeelneemster 1] ;
- de conclusie van antwoord met een incidentele vordering tot voeging met producties;
- de conclusie van antwoord in het voegingsincident met productie;
- de akte wijziging van eis van [procesdeelneemster 1] met producties.
in de zaak met rolnummer 25-139
- de dagvaarding van 21 februari 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de akte uitlating producties van Veenvesters met producties;
- de akte met productie van [procesdeelneemster 1] .
1.2
De rechtbank heeft de zaken gevoegd bij incidenteel vonnis van 27 augustus 2025. Op 30 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in beide zaken. Partijen hebben hun standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Daarna is bepaald dat op 17 december 2025 in beide zaken een vonnis zou worden uitgesproken. Helaas is die datum door omstandigheden niet gehaald.

2.De kern van de zaken

2.1
Partijen hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [procesdeelneemster 1] onderhoudswerkzaamheden uitvoerde aan het vastgoed van Veenvesters. Voor het werk dat [procesdeelneemster 1] heeft uitgevoerd, heeft zij facturen gestuurd aan Veenvesters die voor een deel niet zijn betaald. In deze procedure vordert [procesdeelneemster 1] na vermeerdering van eis betaling van € 1.304.911,83 plus rente en kosten. Daartegenover stelt Veenvesters dat [procesdeelneemster 1] de afgelopen vijf jaar meer werk in rekening heeft gebracht dan is uitgevoerd en dat dit onrechtmatig dan wel wanprestatie is. Veenvesters vordert in deze procedure (terug)betaling van € 817.642,- [1] of een bedrag nader op te maken bij staat, te vermeerderen met rente. In de zaak van [procesdeelneemster 1] wil Veenvesters dit bedrag verrekenen met het factuurbedrag dat openstaat. De rechtbank is voornemens om een deskundige te benoemen om de schade van Veenvesters te begroten.

3.De achtergrond van het geschil

3.1
Veenvesters is een woningbouwcorporatie met circa 9.000 woningen in haar beheer. [procesdeelneemster 1] is een vastgoedonderhoudsbedrijf. Partijen hebben een periode van ruim tien jaar opeenvolgende overeenkomsten gesloten voor het onderhoud van het vastgoed van Veenvesters. Veenvesters verstrekte vanaf (in ieder geval) 2019 duizenden opdrachten per jaar aan [procesdeelneemster 1] . Op 21 mei 2019 hebben partijen een raamovereenkomst gesloten (hierna: de raamovereenkomst) waarin de contractuele afspraken tussen Veenvesters en [procesdeelneemster 1] zijn vastgelegd over het niet planmatig onderhoud (hierna: het NPO). Dit betreft kleine onderhoudswerkzaamheden die worden uitgevoerd na het melden van een gebrek door een huurder van Veenvesters. Onder NPO valt ook mutatieonderhoud, waarmee wordt bedoeld werkzaamheden die na het eindigen van de huur moeten worden verricht nadat gebreken zijn geconstateerd bij de opleveringsinspectie. In de raamovereenkomst is afgesproken dat Veenvesters in het leveranciersportaal eerst akkoord geeft op de pro forma facturen van [procesdeelneemster 1] voordat [procesdeelneemster 1] de definitieve factuur stuurt.
3.2
Binnen het NPO wordt onderscheid gemaakt tussen Vaste Prijs Taken (hierna: VPT) en regiewerkzaamheden. Voor VPT is een standaardprijs overeengekomen voor bepaalde werkzaamheden. Met betrekking tot deze vooraf overeengekomen eenheidsprijzen hebben partijen in de raamovereenkomst afgesproken dat deze jaarlijks worden geïndexeerd. Wanneer [procesdeelneemster 1] onderaannemers inschakelt of materialen verbruikt die niet vallen onder de vaste prijzen, werkt zij op regiebasis. Dat zijn opdrachten op basis van nacalculatie. Bij regiewerkzaamheden mag [procesdeelneemster 1] maximaal 5% (coördinatie)toeslag op de totale som van de onderaanneming en maximaal 8% toeslag op geleverde en gemonteerde materialen (op basis van de nettoprijs ex btw) in rekening brengen (zie F.2.4. en F.2.5. van Bijlage Regiewerkzaamheden bij de raamovereenkomst). Voor opdrachten boven € 1.000,- worden afzonderlijke prijsafspraken gemaakt. Verder viel het zogeheten KBT-werk (Keuken/Badkamer/Toilet) ook buiten de raamovereenkomst omdat voor deze werkzaamheden aparte prijsafspraken werden gemaakt. Dit werd aangeduid als ‘planmatig onderhoud’ en betrof de wat grotere opdrachten, zoals opdrachten tot renovatie van complete badkamers en keukens, maar ook het vervangen van aanrechtbladen of keukenapparatuur. Deze procedure gaat alleen over het niet planmatig onderhoud.
3.3
Eind 2023 ontdekte Veenvesters dat een ander vastgoedonderhoudsbedrijf waarmee zij samenwerkte structureel facturen ophoogde. Naar aanleiding van deze ontdekking heeft Veenvesters in mei 2024 onderzoek gedaan naar de facturen van [procesdeelneemster 1] . Gelet op het grote aantal jaarlijkse facturen van [procesdeelneemster 1] heeft Veenvesters steekproeven uitgevoerd over de facturen van 2023 voor de regiewerkzaamheden en VPT. Hieruit kwam volgens haar naar voren dat sprake was van onregelmatigheden en onjuistheden. Veenvesters heeft berekend dat [procesdeelneemster 1] over de regiewerkzaamheden gemiddeld 25% en over VPT gemiddeld 47 % te veel in rekening zou hebben gebracht. De uitkomsten van deze eerste twee steekproeven heeft Veenvesters met [procesdeelneemster 1] gedeeld en gezegd dat zij deze wilde gebruiken om de schade vanaf 27 mei 2019 te berekenen.
3.4
Na veel overleg en discussie over de uitkomsten van de steekproeven heeft [procesdeelneemster 1] aan Veenvesters laten weten dat de steekproeven te beperkt en onjuist waren en dat zij niets verschuldigd is aan Veenvesters. Gaandeweg de gesprekken tussen partijen en de controles door Veenvesters, vertraagde het proces van goedkeuring en betaling van de facturen van [procesdeelneemster 1] waardoor een betalingsachterstand ontstond. Om die reden heeft [procesdeelneemster 1] op 9 oktober 2024 de raamovereenkomst opgezegd. Daarna heeft zij op verzoek van Veenvesters nog alle lopende opdrachten afgerond en daarvoor facturen verzonden. Op 3 februari 2025 heeft [procesdeelneemster 1] Veenvesters opnieuw gesommeerd om tot betaling over te gaan en bevestigd dat zij haar werkzaamheden per 1 februari 2025 had opgeschort. De vordering van [procesdeelneemster 1] ziet op betaling van facturen met factuurdata tussen 22 augustus 2024 en 6 juni 2025.
3.5
Omdat tussen partijen discussie bleef bestaan over de representativiteit van de eerste steekproef VPT, heeft Veenvesters in december 2024 een tweede steekproef uitgevoerd met 15 VPT-facturen. Daaruit volgde volgens Veenvesters dat [procesdeelneemster 1] gemiddeld 55% te veel kosten in rekening heeft gebracht voor de VPT-werkzaamheden.

4.De beoordeling

4.1
In beginsel betwist Veenvesters niet dat zij een deel van de openstaande facturen van [procesdeelneemster 1] moet betalen, maar zij wil de openstaande facturen verrekenen met de teveel door [procesdeelneemster 1] berekende (en grotendeels ook al betaalde) bedragen over de jaren 2019 tot en met 2024. Meer subsidiair vraagt zij om een eventueel toewijzend vonnis in de zaak van [procesdeelneemster 1] (rolnummer 25-127) niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dan wel te bepalen dat [procesdeelneemster 1] zekerheid stelt voor het gehele bedrag. Daarom behandelt de rechtbank eerst de vordering van Veenvesters in de zaak met rolnummer 25-139.
[procesdeelneemster 1] heeft onrechtmatig gehandeld
4.2
Veenvesters stelt primair dat [procesdeelneemster 1] onrechtmatig heeft gehandeld omdat [procesdeelneemster 1] teveel bij Veenvesters in rekening heeft gebracht. Enerzijds heeft zij te hoge marges toegepast over kosten van onderaannemers en materialen. Anderzijds heeft zij bij de VPT-werkzaamheden op de volgende manieren teveel in rekening gebracht:
er zijn grotere oppervlakten en aantallen in rekening gebracht dan de oppervlakten en aantallen die daadwerkelijk zijn uitgevoerd;
de gefactureerde oppervlakten komen niet overeen met de bij Veenvesters bekende en vastgelegde oppervlakten van haar vastgoed;
werkzaamheden die zijn gefactureerd blijken niet uit de onderliggende documentatie;
er zijn andere werkzaamheden tegen hogere bedragen gefactureerd dan daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
Dit is volgens Veenvesters in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt. Zonder te kunnen vaststellen hoe vaak en met welke exacte percentages [procesdeelneemster 1] te hoge bedragen in rekening heeft gebracht, kan de rechtbank in dit tussenvonnis al wel oordelen dat [procesdeelneemster 1] onrechtmatig heeft gehandeld door regelmatig facturen op te hogen. Hierna zal worden uitgelegd hoe zij tot die conclusie komt.
4.3
Uit de overzichten die Veenvesters heeft overgelegd volgt dat bij een aantal werkzaamheden te veel in rekening is gebracht. Als voorbeeld neemt de rechtbank de in mei 2024 uitgevoerde steekproef over de regiewerkzaamheden en de uitkomst van het onderzoek terzake [straat 1] [nummeraanduiding 1] - [nummeraanduiding 2] . Daaruit volgt dat [procesdeelneemster 1] 33,03% bovenop de kosten van de onderaannemer in rekening heeft gebracht. Dit is 28,03% meer dan is afgesproken in de raamovereenkomst. Daarin wordt namelijk 5% vermeld als toegestane marge. Het staat vast dat dit voorbeeld niet een eenmalige fout is geweest. Uit het overzicht van Veenvesters [2] volgt dat [procesdeelneemster 1] ook bij een vijftiental andere adressen een (veel) hoger percentage dan 5% over de kosten van de onderaannemer in rekening heeft gebracht dan in de raamovereenkomst is afgesproken. De stelling van [procesdeelneemster 1] dat de opslagpercentages uit de raamovereenkomst mogen cumuleren, en dat Veenvesters daardoor van een te laag en verkeerd percentage is uitgegaan, kan niet worden gevolgd. De rechtbank is met Veenvesters van oordeel dat artikel F.2.5. uitsluitend ziet op materiaal dat door [procesdeelneemster 1] is geleverd en gemonteerd en niet ziet op materiaal dat door onderaannemers is geleverd. Dat laatste zit immers in de ‘totale som van onderaanneming’ waarvoor volgens artikel F.2.4. (met als kopje ‘Coördinatietoeslag Onderaanneming’) een andere toeslag geldt.
4.4
Bij de 15 onderzochte facturen VPT (de tweede steekproef VPT) is gebleken dat de gefactureerde werkzaamheden afweken van de onderliggende documentatie. Voor de onderzochte orders had [procesdeelneemster 1] € 14.201,25 aan Veenvesters gefactureerd, terwijl na controle volgens Veenvesters is gebleken dat [procesdeelneemster 1] slechts € 9.170,22 in rekening had mogen brengen (afgerond 55% teveel in rekening gebracht). [3] Een voorbeeld hiervan is [straat 2] [nummeraanduiding 3] \ [4] . Voor werkzaamheden aan deze woning heeft [procesdeelneemster 1] werkzaamheden in rekening gebracht die niet volgen uit de werkbon of de factuur van de onderaannemer. Ook zijn deze werkzaamheden niet opgenomen in de checklist. [procesdeelneemster 1] heeft hiervoor geen plausibele verklaring gegeven. Daarom moet er van worden uitgegaan dat [procesdeelneemster 1] alleen al over deze opdracht meer dan € 1.000,- te veel in rekening heeft gebracht bij Veenvesters.
4.5
Op de mondelinge behandeling heeft [procesdeelneemster 1] voor het eerst het standpunt ingenomen dat zij, in afwijking van de raamovereenkomst, met Veenvesters heeft afgesproken dat zij bij de regiewerkzaamheden geen 5% en 8% toeslag maar 25% toeslag over de kosten van onderaannemers en materialen. Dit zou een gebruikelijk percentage aan algemene kosten in het aannemen van dagelijks onderhoudswerk aan vastgoed zijn en dit zou door de voormalig manager dagelijks onderhoud van [procesdeelneemster 1] in onderling overleg zijn ‘afgestemd’. Deze afspraak is echter niet komen vast te staan omdat Veenvesters dit stellig heeft betwist en [procesdeelneemster 1] deze nieuwe stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Zo heeft [procesdeelneemster 1] niet gesteld wanneer, waar en met wie deze nieuwe afspraak zou zijn gemaakt, behalve dat het iemand van toezicht bij Veenvesters moet zijn geweest. Dit is allesbehalve concreet en onvoldoende om [procesdeelneemster 1] toe te laten tot bewijslevering.
4.6
Alleen al gelet op deze nieuwe stelling van [procesdeelneemster 1] moet de rechtbank concluderen dat [procesdeelneemster 1] structureel hogere bedragen in rekening heeft gebracht dan zij mocht doen op grond van de raamovereenkomst. Deze conclusie wordt ook bevestigd door de resultaten van de steekproef Regie. Gelet op het aantal adressen waarbij in de steekproeven Regie en VPT onverklaarbare discrepanties zijn aangetroffen (voor de steekproef Regie 12 van de 40 adressen en voor de tweede steekproef VPT 11 van de 15 adressen) [5] , kan niet meer worden gesproken van een eenmalig incident. Dat wordt niet anders indien daarbij wordt betrokken dat het totale aantal NPO-facturen over 2023 2.686 is. [6] . De rechtbank oordeelt dan ook dat [procesdeelneemster 1] daarmee heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en dus onrechtmatig heeft gehandeld jegens Veenvesters.
4.7
Dit handelen wordt aan [procesdeelneemster 1] toegerekend. Hoewel [procesdeelneemster 1] betwist dat zij moedwillig en opzettelijk de facturen structureel heeft opgehoogd, kan zij hierin niet worden gevolgd. In de eerste plaats is opzet niet vereist voor toerekenbaarheid. Een onrechtmatige daad kan immers aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Dat laatste is hier in ieder geval van toepassing. Bovendien is hier bepaald niet aannemelijk dat [procesdeelneemster 1] bij vergissing telkens te hoge bedragen in rekening heeft gebracht. De in de raamovereenkomst afgesproken percentages toeslag van 5% en 8% bij regiewerkzaamheden zijn duidelijk. Dat daar bij 9 van de 12 in de steekproef gecontroleerde facturen die betrekking hebben op nacalculatie en onderaanneming van is afgeweken in het voordeel van [procesdeelneemster 1] maakt het niet aannemelijk dat [procesdeelneemster 1] zich in al die gevallen simpelweg heeft vergist. De omstandigheid dat [procesdeelneemster 1] pas ter zitting heeft betoogd dat zij in de veronderstelling was dat zij op basis van een niet nader omschreven afspraak in plaats van 5% en 8%, maar liefst 25% marge mocht berekenen, terwijl partijen al sinds 2024 twisten over teveel berekende kosten, maakt de stellingen van [procesdeelneemster 1] op dit punt al helemaal niet geloofwaardiger.
De vordering van Veenvesters is niet verjaard
4.8
[procesdeelneemster 1] stelt dat wanneer Veenvesters als gevolg van onrechtmatig handelen een vordering tot schadevergoeding op haar zou hebben, deze deels is verjaard. Volgens [procesdeelneemster 1] heeft Veenvesters op 13 december 2024 gesteld dat zij schade had en wat de hoogte daarvan was en daarom zou alle schade die voor 13 december 2019 is geleden, zijn verjaard. Dit beroep op verjaring slaagt niet. De rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. [7] Het staat vast dat Veenvesters pas in 2024 bekend is geworden met de schade omdat zij in dat jaar het onderzoek met steekproeven heeft uitgevoerd. Pas vanaf dat moment in 2024 is de verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. Een jaar later heeft Veenvesters deze vordering ingesteld. Dit is binnen vijf jaar. De vordering is daarom niet verjaard.
Er is geen sprake van rechtsverwerking
4.9
Naast de verjaring doet [procesdeelneemster 1] ook een beroep op schending van de klachtplicht in de zin van artikel 6:89 BW Pro en rechtsverwerking. Volgens [procesdeelneemster 1] kan Veenvesters niet meer klagen over de facturen omdat zij de pro forma-facturen moest goedkeuren en dit ook heeft gedaan. Daardoor had Veenvesters redelijkerwijs moeten ontdekken dat de facturen niet klopten en kan zij daar niet een paar jaar later nog over klagen.
4.1
De klachtplicht zoals geregeld in artikel 6:89 BW Pro ziet op overeenkomsten en een gebrek in de prestatie die op grond van de overeenkomst moet worden verricht. Op grond van de overeenkomst is de prestatie van [procesdeelneemster 1] het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden en de prestatie van Veenvesters het betalen voor de werkzaamheden. De rechtbank oordeelt dat het opstellen en versturen van de factuur echter geen prestatie is zoals bedoeld in artikel 6:89 BW Pro. Daardoor is er in deze situatie geen sprake van schending van de klachtplicht in de zin van artikel 6:89 BW Pro.
4.11
Omdat er geen sprake is van een schending van de klachtplicht moet worden gekeken naar de algemene regel van rechtsverwerking. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat Veenvesters zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van haar recht of bevoegdheid. [8] De rechtbank oordeelt dat Veenvesters haar recht om een schadevergoeding te vorderen niet heeft verwerkt.
4.12
Zoals onder randnummer 4.6. is vastgesteld, heeft [procesdeelneemster 1] onrechtmatig gehandeld door de facturen op te hogen en in rekening te brengen bij Veenvesters. Hier is Veenvesters pas in 2024 achter gekomen en zij heeft [procesdeelneemster 1] daarover kort daarna op de hoogte gebracht. Zij heeft dus niet een lange tijd stil gezeten voordat zij [procesdeelneemster 1] aansprakelijk heeft gesteld en haar vordering heeft ingesteld. Weliswaar had Veenvesters bij diepgaandere controles eerder kunnen ontdekken dat [procesdeelneemster 1] facturen onterecht ophoogde, maar tijdens de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat [procesdeelneemster 1] gemiddeld 8.000 opdrachten van Veenvesters ontving in een jaar. Dit betekent dat er over een periode van vijf jaar circa 40.000 facturen zijn gestuurd. Van Veenvesters kon niet worden verwacht dat zij al deze facturen volledig controleerde en bij de betreffende woningen ging controleren of daadwerkelijk was uitgevoerd wat op de factuur stond en of daarbij de in rekening gebrachte materialen waren gebruikt. Daarnaast heeft [procesdeelneemster 1] de facturen van de onderaannemers veelal niet meegestuurd met de pro forma facturen, waardoor zij de onterechte ophoging niet kon ontdekken. Uiteraard had Veenvesters steekproefsgewijs eerder intensieve controles kunnen doen maar Veenvesters heeft ter zitting aangegeven dat zij altijd een goede relatie heeft gehad met [procesdeelneemster 1] en geen enkele aanleiding had om te vermoeden dat er onregelmatigheden plaatsvonden. Dat Veenvesters dus pas in 2024 heeft ontdekt dat er het één en ander niet goed ging met de facturering en de facturen tot dat moment altijd heeft betaald, maakt niet dat zij geen aanspraak meer kan maken op schadevergoeding. Het beroep op rechtsverwerking slaagt daarom niet.
De hoogte van de schade van Veenvesters staat nog niet vast
4.13
Veenvesters stelt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [procesdeelneemster 1] . Deze schade is het bedrag dat Veenvesters te veel heeft betaald aan [procesdeelneemster 1] . Ook de openstaande facturen van [procesdeelneemster 1] zijn volgens Veenvesters te hoog. Veenvesters heeft steekproeven uitgevoerd over de regiewerkzaamheden en de VPT in 2023. Daaruit heeft Veenvesters geconcludeerd dat [procesdeelneemster 1] gemiddeld 25% te veel in rekening heeft gebracht over de regiewerkzaamheden en gemiddeld 55% te veel over de VPT. Deze gemiddelden heeft Veenvesters geëxtrapoleerd over de periode van 2019 t/m 2023 en zij heeft daarop haar schadevergoeding gebaseerd: voor de regiewerkzaamheden € 193.500,- [9] en voor de VPT € 624.142,- [10] . Uit een nadere steekproef over 2024 zouden wat lagere percentages afwijkingen blijken (18% voor Regie en 27% voor VTP) maar nog steeds zou er teveel zijn gefactureerd. De rechtbank oordeelt dat bij deze stand van zaken de hoogte van de schade van Veenvesters nog niet kan worden begroot. Zoals [procesdeelneemster 1] terecht heeft aangegeven, zijn de steekproeven immers te klein om de resultaten te kunnen extrapoleren over een periode van vijf jaar.
4.14
Het staat vast dat uit de steekproeven van Veenvesters naar voren is gekomen dat [procesdeelneemster 1] onterecht te hoge bedragen in rekening heeft gebracht. In de steekproef Regie heeft Veenvesters 40 opdrachten uit 2023 onderzocht en in de (tweede) steekproef VPT 15 opdrachten. Dit zijn in totaal 55 opdrachten over een totaal aantal NPO-facturen van 2.686 in 2023. Dit aantal van 55 op 2.686 facturen is te gering om daaruit te kunnen concluderen dat [procesdeelneemster 1] in 2023 gemiddeld 25% te veel in rekening heeft gebracht over de regiewerkzaamheden en gemiddeld 55% te veel over de VPT. De steekproef betreft bovendien alleen 2023 en is daarmee niet automatisch representatief voor de gehele periode. Een valide steekproef vraagt om een omvangrijker onderzoek dan nu is uitgevoerd. Dit betekent ook dat dit gemiddelde uit de te kleine steekproef uit 2023 al helemaal niet kan worden geëxtrapoleerd over de periode van 2019 t/m 2023.
4.15
Veenvesters stelt dat partijen afspraken hebben gemaakt over de steekproeven. Veenvensters zou met [procesdeelneemster 1] hebben afgesproken dat zij de uitkomsten uit de steekproeven mocht gebruiken om haar schade vast te stellen en dat zij die mocht extrapoleren over de periode van 2019 t/m 2023. Dit is echter niet komen vast te staan. [procesdeelneemster 1] betwist dat zij met Veenvesters heeft afgesproken dat zij gebonden is aan de uitkomst van de steekproeven en dat deze uitkomst mocht worden geëxtrapoleerd. In de door Veenvesters overgelegde correspondentie heeft de rechtbank ook nergens kunnen lezen dat [procesdeelneemster 1] daarmee heeft ingestemd. [procesdeelneemster 1] heeft met zoveel woorden aangegeven dat de steekproeven nuttig kunnen zijn om te beoordelen of nader onderzoek, eventueel door een extern persoon, wenselijk is. Zij wilde zelf ook een onderzoek doen en heeft dat ook gedaan. Zij heeft vanaf het begin de representativiteit van de steekproeven VPT betwist. Ten aanzien van de steekproef Regie heeft zij in een e-mail van 10 juni 2024 weliswaar geschreven dat die steekproef haar ‘in beginsel representatief leek’ maar dat zij wel op een lager bedrag kwam. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [procesdeelneemster 1] ermee heeft ingestemd dat de uitkomst van de steekproef Regie (25% teveel berekend) zou kunnen worden geëxtrapoleerd naar een periode van vijf jaren. Die instemming kan evenmin worden afgeleid uit de omstandigheden die de advocaat van Veenvesters in de spreekaantekeningen onder randnummer 2.5 heeft opgesomd. Hoewel de discussie wel voornamelijk ging over de steekproef VTP, kan [procesdeelneemster 1] dus niet worden geacht te hebben ingestemd met terugbetaling van € 193.500,- in verband met onjuiste Regie-facturen over de periode 2019 t/m 2013.
4.16
De conclusie is dat de rechtbank op basis van de uitgevoerde steekproeven aanwijzingen heeft dat [procesdeelneemster 1] te veel in rekening heeft gebracht, maar dat zij op basis van deze informatie de hoogte van de totale schade niet kan bepalen.
Er zal een deskundigenonderzoek worden bevolen
4.17
Op grond van artikel 186 lid 1 en Pro lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) heeft de rechtbank de mogelijkheid om te bevelen dat er een deskundigenonderzoek wordt gedaan en zij is van plan om dat te doen. Partijen krijgen de gelegenheid om zich daarover uit te laten.
4.18
Een van de geschilpunten tussen partijen is de vraag hoeveel steken voldoende zouden zijn om te kunnen spreken van een representatieve steekproef. [procesdeelneemster 1] heeft betoogd dat de steekproef uit minimaal 623 steken zou moeten bestaan om op basis van het totale aantal facturen tot een steekproef te komen met enige betrouwbaarheid. Bij dat aantal steken wordt volgens [procesdeelneemster 1] voldaan aan de uitgangspunten die in navolging van een advies van prof. Van der Heijden zijn gehanteerd in een vonnis van deze rechtbank. [11] Veenvesters heeft hier geen ander aantal tegenover gesteld maar blijft erbij dat haar steekproeven representatief zijn voor het gehele aantal facturen over de periode waarin de raamovereenkomst van kracht is geweest. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet bepalen hoeveel steken de deskundige moet onderzoeken om tot betrouwbare conclusies te kunnen komen. Daarom is de rechtbank voornemens om voorafgaand aan de benoeming aan de deskundige te vragen of hij de nodige deskundigheid in huis heeft om dit te kunnen bepalen, of dat hij hierbij de hulp nodig heeft van een andere deskundige. Zoals hieronder wordt uiteengezet, zal aan partijen ook worden gevraagd om hierop hun visie te geven en zo mogelijk tot onderlinge afspraken te komen omtrent het aantal te onderzoeken facturen.
4.19
Op grond van de wet zijn partijen verplicht mee te werken aan het onderzoek door de deskundige (artikel 190 lid 3 Rv Pro). Indien en voor zover de deskundige dit nodig acht om de opdracht te kunnen uitvoeren, kan daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan het ter beschikking stellen van de facturen van de onderaannemers en werkbonnen door [procesdeelneemster 1] en het meewerken aan het bezoeken van de woningen waar [procesdeelneemster 1] opdrachten heeft uitgevoerd. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.
Punten waarover partijen zich kunnen uitlaten
4.2
De rechtbank zal de zaak aanhouden zodat partijen een akte kunnen nemen, waarin zij op het voornemen van de rechtbank kunnen reageren. Meer specifiek krijgen partijen de mogelijkheid om zich over de volgende punten uit te laten:
  • of partijen in onderling overleg overeenstemming kunnen bereiken over het aantal steken dat moet worden genomen over welke jaren, om te kunnen spreken van een representatieve steekproef voor de periode waarin de raamovereenkomst van kracht is geweest;
  • en indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken, op welke wijze, met dan wel zonder inschakeling van een daartoe te benoemen deskundige, kan worden bepaald hoeveel steken genomen dienen te worden door de deskundige(n) om betrouwbare conclusies te kunnen trekken;
  • hoeveel deskundigen moeten worden benoemd;
  • welk type deskundigheid vereist is;
  • welke vragen aan de deskundige(n) moeten worden gesteld;
  • de uitvoering van het onderzoek;
  • de periode waarover het onderzoek moet worden uitgevoerd, mede gelet op de (on)mogelijkheid om de oudste facturen nog te kunnen controleren en de omstandigheid dat.
4.21
De rechtbank is op dit moment van plan een bouwkostendeskundige te benoemen en deze de volgende vraag voor te leggen:
Kunt u aangeven hoeveel [procesdeelneemster 1] teveel in rekening heeft gebracht over de VPT-facturen van de steekproef over de jaren 2019 t/m 2024, en ziet u daarbij nog een verschil tussen 2024 en de periode daarvóór?
Kunt u aangeven hoeveel [procesdeelneemster 1] teveel in rekening heeft gebracht over de Regie-facturen van de steekproef over de jaren 2019 t/m 2024, en ziet u daarbij nog een verschil tussen 2024 en de periode daarvóór?
Indien de resultaten van de bovengenoemde steekproeven worden geëxtrapoleerd over de periode 2019 t/m 2024, hoeveel heeft [procesdeelneemster 1] dan teveel gefactureerd aan Veenvesters?
Welk deel van het teveel gefactureerde bedrag is reeds betaald door Veenvesters en welk deel heeft betrekking op de thans nog openstaande facturen (hoofdsom)?
Kunt u aangeven c.q. schatten welk deel van de door u berekende schade voortvloeit uit afwijkingen waarvan niet meer kan worden vastgesteld of die daadwerkelijk duiden op teveel berekende bedragen, bijvoorbeeld door het niet (meer) aanwezig zijn van onderliggende bescheiden of een andere onmogelijkheid om e.e.a. te verifiëren.
Kunt u, voor zover onderliggende bescheiden ontbraken, aangeven of dit strijdig is met een eventuele bewaarplicht of een gebruik in de branche?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechtbank
volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
4.22
Voor zover partijen reden zien om in hun akte te verzoeken om de benoeming van (een) specifieke deskundige(n), vraagt de rechtbank hun dit alleen te doen als over de benoeming van die deskundige(n) tussen partijen overeenstemming bestaat.
4.23
De rechtbank wil partijen ook nog het volgende meegeven om over na te denken. Het onderzoek door de deskundige zal omvangrijk en kostbaar zijn en daarom lijkt het in het belang van partijen om te bezien of zij over bepaalde categorieën facturen zelf een regeling kunnen treffen. Op basis van de stelling van [procesdeelneemster 1] dat zij 25% over de regiewerkzaamheden in rekening heeft gebracht zouden partijen als uitgangspunt kunnen nemen dat over de gehele periode een marge van 25% op zowel de facturen van de onderaannemers als de materialen is gelegd. Wanneer van deze marge de overeengekomen marge wordt afgetrokken betekent dit dat [procesdeelneemster 1] omstreeks 20% te veel over de kosten van de onderaannemers en omstreeks 17% te veel over de materiaalkosten in rekening heeft gebracht. Door dit als uitgangspunt te nemen, kunnen partijen wellicht voor (een deel van) de regiefacturen een schikking bereiken.
[procesdeelneemster 1] moet het voorschot van de deskundige betalen
4.24
Het wettelijke uitgangspunt is dat de (oorspronkelijk) eisende partij de kosten van een deskundigenonderzoek moet voorschieten (artikel 187 Rv Pro). De rechtbank ziet in dit geval echter reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Zoals hiervoor is aangegeven is immers al vastgesteld dat [procesdeelneemster 1] onrechtmatig heeft gehandeld door te hoge facturen bij Veenvesters in te dienen. Hoewel de exacte schade nog niet vaststaat, staat de aansprakelijkheid van [procesdeelneemster 1] voor de door deze handelwijze ontstane schade bij Veenvesters wel vast. [procesdeelneemster 1] zal daarom het voorschot moeten betalen. De hoogte van het voorschot zal na overleg met de te benoemen deskundige door de rechtbank op een later moment worden vastgesteld.
4.25
In het eindvonnis zal worden bepaald voor wiens rekening de definitieve kosten uiteindelijk zullen komen. In beginsel is dat de partij die (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld.
Aanhouding
4.26
De rechtbank bepaalt dat de beslissing in de zaak met rolnummer 25-127 wordt aangehouden totdat het voorgenomen deskundigenonderzoek in de zaak met rolnummer 25-139 heeft plaatsgevonden. Over beide zaken zal gelijktijdig worden beslist.
4.27
In het incidenteel vonnis van 27 augustus 2025 zijn de zaken gevoegd. Op grond van artikel 220 en Pro 222 Rv wordt een zaak verwezen en gevoegd als er sprake is van een zodanige samenhang tussen de feitelijke en juridische geschilpunten in de twee zaken dat het wenselijk is om de twee zaken gelijktijdig te behandelen. Ook wordt er over beide procedures gelijktijdig beslist. [12]
4.28
[procesdeelneemster 1] stelt dat het twee verschillende zaken zijn die zelfstandig beoordeeld moeten worden en dat de uitspraak in haar zaak (over de openstaande facturen) niet hoeft worden aangehouden totdat de andere zaak met rolnummer 25-139 voor vonnis komt te staan. Het is juist dat het twee verschillende zaken zijn, maar dit betekent niet dat er niet gelijktijdig over beide zaken moet worden beslist. Eén van de doelen van artikel 220 en Pro 222 Rv is het voorkomen van tegenstrijdige of niet met elkaar overeenstemmende beslissingen. In de zaak met rolnummer 25-127 doet Veenvesters een beroep op opschorting en verrekening van de openstaande facturen met haar schade. Deze verrekening is alleen mogelijk tot het bedrag van de nog vast te stellen schade. Hiervoor is het van belang dat in beide zaken gelijktijdig wordt beslist, zoals de rechtbank gaat doen. De rechtbank wijst Veenvesters erop dat opschorting slechts gerechtvaardigd is voor zover de opschorting proportioneel is. Het is de rechtbank in dit verband opgevallen dat er inmiddels een substantieel verschil bestaat tussen de wederzijdse vorderingen van partijen nadat Veenvesters haar vordering heeft verminderd en [procesdeelneemster 1] haar vordering heeft vermeerderd. Denkbaar is dat partijen ook op dit punt komen tot een afspraak dat hangende deze procedure een deel van de openstaande facturen van [procesdeelneemster 1] wordt betaald.
4.29
De rechtbank bepaalt dat iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
in de procedure met rolnummer 25-127
5.1
bepaalt dat de uitspraak in de zaak met zaaknummer C/16/589542 / HA ZA 25-127 wordt aangehouden totdat de uitspraak in de zaak met zaaknummer C/16/589657 / HA ZA 25-139 wordt uitgesproken,
5.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
in de procedure met rolnummer 25-139
5.3
verwijst de zaak naar de rolzitting van
11 maart 2026en bepaalt dat partijen zich op die datum bij akte kunnen uitlaten over het voornemen van de rechtbank om een deskundige te benoemen,
5.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
5718 (MM)

Voetnoten

1.Bij dagvaarding nog € 980.735,- maar bij akte bijgesteld met de door [procesdeelneemster 1] bij CvA overgelegde gegevens waardoor over periode 27/5/2019 t/m 31/12/2023 het gevorderde bedrag voor Regie uitkomt op € 193.500 en voor VPT € 624.142 (excl. rente) (productie 29 Veenvesters).
2.Zie productie 4 bij de dagvaarding van Veenvesters en het overzicht op pag. 16 van diezelfde dagvaarding.
3.Zie productie 20 bij de dagvaarding van Veenvesters (digitaal op USB-stick).
4.Sample 14 van productie 20 bij de dagvaarding van Veenvesters (digitaal op USB-stick).
5.Zie productie 4 en 20 bij de dagvaarding van Veenvesters.
6.Zie Topsheet in productie 4 bij de dagvaarding van Veenvesters.
7.Artikel 3:310 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).
8.zie o.a. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, r.o. 4.2.
9.Het totaalbedrag voor Regie is als volgt opgebouwd: € 16.712 voor 2019, € 35.322 voor 2020, € 36.386 voor 2021, € 40.000 voor 2022 en € 65.080 voor 2023. Zie spreekaantekeningen Veenvesters randnummer 3.2.
10.Het totaalbedrag voor VTP is als volgt opgebouwd: € 53.907 voor 2019, € 80.750 voor 2020, € 131.594 voor 2021, € 122.984 voor 2022 en € 234.907 voor 2023. Zie spreekaantekeningen Veenvesters randnummer 3.9.
11.Rb Midden-Nederland 8 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:4644
12.Snijders, in: