Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1588

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/5103
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.16 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000Art. 7.51 WHW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek omzetting tempobeurs in gift wegens niet-toepasselijkheid Wsf 2000

Eiser heeft verzocht om zijn tempobeurs, die hij ontving voor zijn opleiding tussen 1995 en 2003, om te zetten in een gift vanwege zijn ADHD, een medische omstandigheid die pas in 2014 werd vastgesteld. De minister heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser niet onder de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) valt, die de prestatiebeurs regelt en een hardheidsclausule bevat voor bijzondere omstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat eiser een tempobeurs ontving, waarbij studiefinanciering voorwaardelijk als gift werd toegekend, afhankelijk van het behalen van studiepunten. Omdat eiser niet elk jaar voldoende studiepunten behaalde, is er een studieschuld die hij moet terugbetalen. De Wsf 2000 is niet op hem van toepassing, waardoor hij geen recht heeft op de voorzieningen voor studenten met bijzondere omstandigheden zoals opgenomen in artikel 5.16 van die wet.

De rechtbank benadrukt dat de wetgever bewust twee verschillende systemen van studiefinanciering heeft gehandhaafd zonder overgangsrecht dat de nieuwe regels ook voor tempobeursstudenten zou laten gelden. Er is geen sprake van bijzondere of zeer bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Voor tempobeursstudenten is er een aparte voorziening via het afstudeerfonds op grond van artikel 7.51 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Eiser kan zich daarom wenden tot de Universiteit van Amsterdam voor compensatie. Zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat hij onder een ander stelsel viel dan zijn broer die in 1996 begon. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om omzetting van de tempobeurs in een gift wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5103
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Santing).

Waar gaat deze zaak over?

Eiser heeft verzocht om zijn studiebeurs om te zetten in een gift. De minister heeft dit verzoek met het besluit van 20 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek om de tempobeurs om te zetten in een gift terecht heeft afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
2. De rechtbank stelt voorop dat eiser voor zijn gehele opleiding, van 1 september 1995 tot 1 januari 2003, een tempobeurs heeft gehad op grond van de Wet op de studiefinanciering (Wsf). Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie. De tempobeurs hield in dat de studiefinanciering voorwaardelijk als gift werd toegekend. Elk studiejaar moest een student een aantal studiepunten halen om de gift behouden. Bij voldoende behaalde punten werd een studiejaar omgezet in een gift. Omdat eiser niet elk jaar voldoende studiepunten heeft behaald, is er een lening die eiser moet terugbetalen. Vanaf 1 januari 2005 is de aflosfase ingegaan en moet eiser zijn studieschuld aflossen.
3. Eiser heeft verzocht om zijn beurs om te zetten in een gift vanwege een structurele medische omstandigheid, namelijk de omstandigheid dat eiser ADHD heeft. Dit is pas in 2014 vastgesteld. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Eiser vindt dat het voor hem oneerlijk uitpakt ten opzichte van studenten die in 1996 zijn begonnen met studeren. Eiser is volledig afgestudeerd en zou als hij een prestatiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) zou hebben gekregen, de volledige beurs als gift hebben gehad. Volgens eiser moet de hardheidsclausule worden toegepast.
4. In de Wsf 2000 is een voorziening opgenomen voor studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden niet in staat zijn binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen (artikel 5.16, eerste en tweede lid, van de Wsf 2000). Daaronder vallen medische omstandigheden van zowel tijdelijke als structurele aard. Dit is van toepassing op studenten die een de prestatiebeurs hebben gekregen en op wie de Wsf 2000 van toepassing is. Eiser heeft geen recht op deze voorziening omdat de Wsf 2000 niet op hem van toepassing is.
5. Alle studenten die na 31 juli 1991 en voor 1 september 1996 zijn begonnen met studeren kregen een tempobeurs. Op het moment dat de prestatiebeurs vanaf 1 september 1996 is ingevoerd, behielden de hiervoor genoemde studenten de tempobeurs. Er is bij de overgang van de tempobeurs naar de prestatiebeurs geen overgangsrecht gemaakt dat de nieuwe regels ook voor de tempobeursstudenten gelden. Daardoor kunnen studenten die onder de tempobeurs vallen geen beroep doen op artikel 5.16 van de Wsf 2000. Het is ook de bedoeling geweest van de wetgever om de twee verschillende systemen van studiefinanciering in stand te laten. [1] Omdat de wetgever heeft nagedacht over de verschillende soorten studiefinanciering, is geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Ook is er geen sprake van een zeer bijzondere omstandigheid van individuele aard waarin de minister aanleiding zou moeten zien om onder toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000 af te wijken van de wet. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van 23 maart 2007 en 24 oktober 2008 van de Centrale Raad van Beroep. [2]
6. De tempobeurs was geregeld in de Wsf. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de hardheidsclausule van de Wsf toe te passen. Studenten met een tempobeurs konden namelijk een beroep doen op het afstudeerfonds, zoals geregeld in artikel 7.51 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Omdat er een voorziening is getroffen voor tempobeursstudenten met medische problemen, is er geen ruimte voor toepassing van de hardheidsclausule. [3]
7. Als eiser alsnog nog compensatie wil voor zijn medische omstandigheden, dan kan hij zich op grond van artikel 7.51 van de WHW wenden tot de Universiteit van Amsterdam.
8. Eiser beroept zich op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar zijn broer die in 1996 gestart is met zijn studie en die een prestatiebeurs heeft gekregen. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Hij viel immers in een ander stelsel van studiefinanciering dan zijn broer. Op eiser zijn daarom andere regels van toepassing dan op zijn broer.
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Pruntel, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.