Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , [adres 1] in [plaats] ,
[derde belanghebbende 1] B.V./ [derde belanghebbende 2] B.V. uit [plaats](de vergunninghouder)
Inleiding
21 juli 2023 heeft [A] een vergunning aangevraagd voor de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met 550 m², het aanbrengen van verharding ten behoeve van parkeerplaatsen en het rooien en aanplanten van eikenbomen op het perceel.
12 december 2025 heeft de gemachtigde van eisers aan de rechtbank laten weten dat het minnelijk overleg tussen partijen is gestaakt.
Overwegingen
19 februari 2020 [3] volgt dat feitelijke gevolgen van enige betekenis zich kunnen voordoen door een toename van verkeer vanwege een bouwplan, in dit geval vrachtverkeer. Dit is voor eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] niet aannemelijk. De rechtbank acht hierbij van belang dat in het bestemmingsplan is vastgelegd dat het gebruik van de bebouwing binnen de “specifieke bouwaanduiding – 1” slechts is toegestaan onder de voorwaarden dat het aantal vrachtauto’s van en naar [adres 6] niet meer bedraagt dan: 1) 80 per week, in de periode van 1 december tot en met 14 september, en 2) 130 per week, in de periode van 15 september tot en met
30 november. Deze aantallen zijn gebaseerd op de huidige bedrijfsvoering met een aantal vrachtauto’s van en naar het perceel van 30 augustus tot en met 5 september (77 per week) en 27 september tot en met 3 oktober (133 keer per week).
Ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding – 1' mag uitsluitend worden gebouwd
“Het gebruik van de bebouwing binnen de 'specifieke bouwaanduiding – 1' is slechts toegestaan onder de voorwaarden dat:
80 per week, in de periode van 1 december t/m 14 september;
130 per week, in de periode van 15 september t/m 30 november;