3.3.1.Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 16 mei 2025 in Utrecht tegen [slachtoffer 1] heb gezegd: “ik ga je vermoorden” en “ik maak je dood”.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 was ik op de [straat] in Utrecht. Ik zag [verdachte] staan (
de rechtbank begrijpt: de verdachte). Ik hoorde dat hij zei: “ [slachtoffer 1] ik ga je vermoorden." Dit herhaalde [verdachte] meerdere keren.
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Voornamen: [slachtoffer 2]
Adres: [adres 2]
Plaats: [plaats]
Op 16 mei 2025 werd bij mijn voordeur aangebeld. Ineens tilde mijn zoon mij met zijn beide armen (omklemmend) om mijn ribben omhoog. [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: de verdachte) stapte weg met mij in zijn armen. Hij duwde mij tegen de muur aan.
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 ben ik naar woningnummer [adres 2] van de [straat] in [plaats] gegaan. Ik zag [slachtoffer 2] staan. Ik zag daar ook zijn zoon staan.Ik zag opeens dat [slachtoffer 2] met beide armen werd beetgepakt en hem optilde.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 kwam ik ter plaatse op de [straat] te Utrecht. Ik zag dat [slachtoffer 2] met zijn hand op zijn ribbenkast wreef. Ik vroeg [slachtoffer 2] wat er gebeurd was. [slachtoffer 2] vertelde dat [verdachte] hem bij zijn ribben had vastgepakt. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat [verdachte] hem tegen de muur had geduwd waardoor zijn knie langs de muur schaafde. Ik zag dat [slachtoffer 2] zijn rechter broekspijp omhoog schoof. Ik zag dat [slachtoffer 2] een schaafwondje met bloed op zijn rechter knie had zitten. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat hij geopereerd was aan zijn ribben.
De verdachte bekent dat hij dit feit heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door en namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [aangever].
De verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 6 mei 2025 in winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht tegen politieagent [aangever] heb gezegd: “ik heb een pistool”, “ik schiet je echt dood”, “als ik mijn pistool nu had dan had ik je doodgeschoten” en dat ik daarbij met mijn hand een pistoolbeweging maakte.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [aangever] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 6 mei 2025 was ik, verbalisant [aangever] , hoofdagent van de politie Midden-Nederland, in winkelcentrum Hoog Catharijne te Utrecht. Ik hield daar een persoon staande, genaamd [verdachte] .Ik zal [verdachte] ‘verdachte’ noemen. Ik zag dat de verdachte naar mij keek. Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen:
- "Ik heb een pistool";
- "Ik schiet je echt dood";
- "Als ik mijn pistool nu had dan had ik je doodgeschoten!"
Ik zag dat de verdachte met zijn hand een pistoolbeweging maakte naar mij.
De verdachte bekent dat hij dit feit heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door en namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3].
De verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 12 mei 2025 in Utrecht tegen de [functie] [slachtoffer 3] heb gezegd: “als ik je ergens tegenkom dan vermoord ik je”.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 12 mei 2025 was ik in Utrecht aan het werk als [functie] . Ik zag dat een jongen naar voren kwam lopen
(de rechtbank begrijpt: de verdachte). Ik hoorde dat hij zei: “Als ik je ergens tegenkom vermoord ik je.”.
3.3.2.Bewijsoverwegingen
Bedreigingen
De verdachte wordt ervan beschuldigd drie personen te hebben bedreigd: zijn zwager [slachtoffer 1] (16/151260-25, feit 1), politieagent [aangever] (16/137447-25, feit 2) en [functie] [slachtoffer 3] (16/145672-25, feit 2). In alle drie de gevallen heeft de verdachte bekend de woorden te hebben gezegd die op de beschuldiging staan en - in het geval van de politieagent - daarbij een pistoolbeweging te hebben gemaakt met zijn handen. De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte ondanks die bekentenissen moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreigingen. De uitspraken van de verdachte konden namelijk, gelet op de context waarin deze zijn gedaan, bij de aangevers geen redelijke vrees opwekken dat de verdachte de misdrijven waarmee hij dreigde ook zou plegen.
De rechtbank oordeelt dat alle drie de bedreigingen wettig en overtuigend zijn bewezen. De verdachte heeft steeds gedreigd met een misdrijf gericht tegen het leven van de betreffende aangever. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hierna beschreven omstandigheden waaronder de uitspraken van de verdachte hebben plaatsgevonden en bezien in de context waarin deze zijn gedaan, bij de aangevers de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
[slachtoffer 1]
schoot op 16 mei 2025 de vader van de verdachte te hulp, die door de verdachte werd mishandeld (zie 16/151260-25, feit 2). Toen [slachtoffer 1] de verdachte naar de grond trok en hem in bedwang hield, zei de verdachte dat hij [slachtoffer 1] zou vermoorden.
Tegen de achtergrond van deze agressieve situatie, konden de door de verdachte gebezigde woorden de redelijke vrees bij [slachtoffer 1] opwekken dat hij het leven zou kunnen verliezen.
Hoewel niet is vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt, blijkt uit de aangifte dat [slachtoffer 1] ook echt vreesde dat de verdachte zijn uitspraken zou uitvoeren. De verdachte kampte namelijk met psychische problemen en was eerder agressief geweest naar familieleden.
[aangever] en [slachtoffer 3]
De verdachte sprak de ten laste gelegde woorden tegen politieagent [aangever] nadat hem, in het kader van overlastbestrijding, meermalen was bevolen om het winkelcentrum te verlaten. Daarbij maakte de verdachte ook nog eens een schietgebaar.
In het geval van [functie] [slachtoffer 3] deed de verdachte de ten laste gelegde uitspraken nadat de [functie] hem verzocht de bus te verlaten, omdat hij geen kaartje kon betalen. De verdachte trok met kracht aan het shirt van de [functie] en spuugde hem in zijn gezicht (16/145672-25, feit 1) . Vervolgens zei de verdachte tegen de [functie] dat hij hem zou vermoorden als hij hem ergens zou tegenkomen.
Tegen de achtergrond van deze gespannen dan wel agressieve situaties, konden de door de verdachte gebezigde woorden en gebaren de redelijke vrees bij [aangever] en [slachtoffer 3] opwekken dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
Mishandeling vader
De verdachte wordt ook beschuldigd van het mishandelen van zijn vader (16/151260-25, feit 2). De verdachte ontkent de ten laste gelegde handelingen te hebben gepleegd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat slechts bewezen kan worden dat de verdachte zijn vader stevig heeft vastgepakt, hem heeft opgetild en tegen de muur heeft geduwd. De advocaat van de verdachte voert aan dat geen sprake is van mishandeling, omdat niet blijkt dat de vader van de verdachte pijn of letsel heeft overgehouden aan het vastpakken door de verdachte. Subsidiair voert de advocaat aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tegen de muur duwen van zijn vader.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn vader met beide armen beetpakte, optilde en vervolgens tegen de muur duwde. De agent die ter plaatse komt na de mishandeling constateert dat de vader van de verdachte een schaafwondje met bloed op zijn rechterknie heeft en ziet dat de vader van de verdachte over zijn ribbenkast wrijft, waarna vader vertelt dat hij geopereerd is aan zijn ribben. Hieruit leidt de rechtbank af dat de vader van de verdachte letsel en pijn had als gevolg van het vastpakken, optillen en tegen de muur geduwd worden door de verdachte.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn vader. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het naar de grond werken van zijn vader (het laatste gedachtestreepje op de beschuldiging), omdat bewijs daarvan ontbreekt.