Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1612

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
16/151260-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.A.M. Straalen-Coumou
  • L.M.M. Heppe
  • G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 266 SrArt. 267 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en gevangenisstraf voor bedreiging en belediging

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, geboren in 2004, betreffende meerdere feiten gepleegd in mei 2025 in Utrecht. De verdachte werd beschuldigd van bedreiging, mishandeling, belediging en bedreiging van verschillende personen, waaronder zijn vader, een politieagent en een functionaris.

De rechtbank oordeelde dat de bedreigingen en beledigingen wettig en overtuigend bewezen zijn. De mishandeling van de vader werd deels bewezen, waarbij het naar de grond werken niet kon worden bewezen. De verdachte werd echter ontslagen van alle rechtsvervolging voor de mishandeling en bedreiging van zijn vader wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid op dat moment, vastgesteld door een psychiater.

Voor de bedreigingen en beledigingen gepleegd op 6 en 12 mei 2025 werd de verdachte wel strafbaar geacht, gezien zijn sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 3 weken op, met aftrek van het voorarrest. Een voorwaardelijk strafdeel werd niet opgelegd vanwege de lange duur van het voorarrest. De rechtbank hief tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging voor mishandeling en bedreiging vader wegens ontoerekeningsvatbaarheid en veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf voor bedreiging en belediging politieagent en functionaris.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/151260-25; 16/137447-25 (ttz gev.) en 16/145672-25 (ttz gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 30 maart 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. A.P.M. van Weegen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S. Makhloufi (hierna: de advocaat);
  • het slachtoffer: [slachtoffer 1] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16/151260-25:
feit 1
op 16 mei 2025 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling door te zeggen: "ik ga je vermoorden" en/of "ik maak je dood";
feit 2
op 16 mei 2025 in Utrecht zijn vader, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door hem stevig vast te pakken bij zijn ribben en hem vervolgens op te tillen, tegen de muur te duwen en naar de grond te trekken;
16/137447-25:
feit 1
op 6 mei 2025 in Utrecht hoofdagent [aangever] heeft beledigd door te zeggen:
“kankerlijer” en/of “ik heb schijt aan jou kankerlijer”;
feit 2
op 6 mei 2025 in Utrecht hoofdagent [aangever] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling door te zeggen: “ik heb een pistool”, “ik schiet je echt dood”, “als ik mijn pistool nu had dan had ik je doodgeschoten” en daarbij met zijn hand een pistoolbeweging te maken richting die [aangever] ;
16/145672-25:
feit 1
op 12 mei 2025 in Utrecht [slachtoffer 3] heeft beledigd door in zijn gezicht te spugen;
feit 2
op 12 mei 2025 in Utrecht [slachtoffer 3] heeft bedreigd met de dood en/of zware mishandeling door te zeggen: “als ik je ergens tegenkom dan vermoord ik je”.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten heeft gepleegd. De officier van justitie vraagt gedeeltelijke vrijspraak van de mishandeling (16/151260-25, feit 2). Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde bedreigingen (16/151260-25 feit 1, 16/137447-25 feit 2 en 16/145672-25 feit 2) en van de mishandeling van zijn vader (16/151260-25 feit 1). De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
16/151260-25 [1] :
feit 1:
De verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 16 mei 2025 in Utrecht tegen [slachtoffer 1] heb gezegd: “ik ga je vermoorden” en “ik maak je dood”.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 was ik op de [straat] in Utrecht. Ik zag [verdachte] staan (
de rechtbank begrijpt: de verdachte). Ik hoorde dat hij zei: “ [slachtoffer 1] ik ga je vermoorden." Dit herhaalde [verdachte] meerdere keren. [2]
feit 2:
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Voornamen: [slachtoffer 2]
Adres: [adres 2]
Plaats: [plaats] [3]
Op 16 mei 2025 werd bij mijn voordeur aangebeld. Ineens tilde mijn zoon mij met zijn beide armen (omklemmend) om mijn ribben omhoog. [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: de verdachte) stapte weg met mij in zijn armen. Hij duwde mij tegen de muur aan. [4]
Het proces-verbaal van het verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 ben ik naar woningnummer [adres 2] van de [straat] in [plaats] gegaan. Ik zag [slachtoffer 2] staan. Ik zag daar ook zijn zoon staan. [5] Ik zag opeens dat [slachtoffer 2] met beide armen werd beetgepakt en hem optilde. [6]
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 16 mei 2025 kwam ik ter plaatse op de [straat] te Utrecht. Ik zag dat [slachtoffer 2] met zijn hand op zijn ribbenkast wreef. Ik vroeg [slachtoffer 2] wat er gebeurd was. [slachtoffer 2] vertelde dat [verdachte] hem bij zijn ribben had vastgepakt. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat [verdachte] hem tegen de muur had geduwd waardoor zijn knie langs de muur schaafde. Ik zag dat [slachtoffer 2] zijn rechter broekspijp omhoog schoof. Ik zag dat [slachtoffer 2] een schaafwondje met bloed op zijn rechter knie had zitten. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat hij geopereerd was aan zijn ribben. [7]
16/137447-25 [8] :
feit 1:
De verdachte bekent dat hij dit feit heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door en namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [aangever] [9] .
feit 2:
De verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 6 mei 2025 in winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht tegen politieagent [aangever] heb gezegd: “ik heb een pistool”, “ik schiet je echt dood”, “als ik mijn pistool nu had dan had ik je doodgeschoten” en dat ik daarbij met mijn hand een pistoolbeweging maakte.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [aangever] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 6 mei 2025 was ik, verbalisant [aangever] , hoofdagent van de politie Midden-Nederland, in winkelcentrum Hoog Catharijne te Utrecht. Ik hield daar een persoon staande, genaamd [verdachte] . [10] Ik zal [verdachte] ‘verdachte’ noemen. Ik zag dat de verdachte naar mij keek. Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen:
- "Ik heb een pistool";
- "Ik schiet je echt dood";
- "Als ik mijn pistool nu had dan had ik je doodgeschoten!"
Ik zag dat de verdachte met zijn hand een pistoolbeweging maakte naar mij. [11]
16/145672-25 [12] :
feit 1:
De verdachte bekent dat hij dit feit heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Door en namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] [13] .
feit 2
De verklaring van de verdachte op de zitting van 30 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 12 mei 2025 in Utrecht tegen de [functie] [slachtoffer 3] heb gezegd: “als ik je ergens tegenkom dan vermoord ik je”.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 12 mei 2025 was ik in Utrecht aan het werk als [functie] . Ik zag dat een jongen naar voren kwam lopen
(de rechtbank begrijpt: de verdachte). Ik hoorde dat hij zei: “Als ik je ergens tegenkom vermoord ik je.”.
3.3.2.
Bewijsoverwegingen
Bedreigingen
De verdachte wordt ervan beschuldigd drie personen te hebben bedreigd: zijn zwager [slachtoffer 1] (16/151260-25, feit 1), politieagent [aangever] (16/137447-25, feit 2) en [functie] [slachtoffer 3] (16/145672-25, feit 2). In alle drie de gevallen heeft de verdachte bekend de woorden te hebben gezegd die op de beschuldiging staan en - in het geval van de politieagent - daarbij een pistoolbeweging te hebben gemaakt met zijn handen. De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte ondanks die bekentenissen moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreigingen. De uitspraken van de verdachte konden namelijk, gelet op de context waarin deze zijn gedaan, bij de aangevers geen redelijke vrees opwekken dat de verdachte de misdrijven waarmee hij dreigde ook zou plegen.
De rechtbank oordeelt dat alle drie de bedreigingen wettig en overtuigend zijn bewezen. De verdachte heeft steeds gedreigd met een misdrijf gericht tegen het leven van de betreffende aangever. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hierna beschreven omstandigheden waaronder de uitspraken van de verdachte hebben plaatsgevonden en bezien in de context waarin deze zijn gedaan, bij de aangevers de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
[slachtoffer 1]
schoot op 16 mei 2025 de vader van de verdachte te hulp, die door de verdachte werd mishandeld (zie 16/151260-25, feit 2). Toen [slachtoffer 1] de verdachte naar de grond trok en hem in bedwang hield, zei de verdachte dat hij [slachtoffer 1] zou vermoorden.
Tegen de achtergrond van deze agressieve situatie, konden de door de verdachte gebezigde woorden de redelijke vrees bij [slachtoffer 1] opwekken dat hij het leven zou kunnen verliezen.
Hoewel niet is vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt, blijkt uit de aangifte dat [slachtoffer 1] ook echt vreesde dat de verdachte zijn uitspraken zou uitvoeren. De verdachte kampte namelijk met psychische problemen en was eerder agressief geweest naar familieleden.
[aangever] en [slachtoffer 3]
De verdachte sprak de ten laste gelegde woorden tegen politieagent [aangever] nadat hem, in het kader van overlastbestrijding, meermalen was bevolen om het winkelcentrum te verlaten. Daarbij maakte de verdachte ook nog eens een schietgebaar.
In het geval van [functie] [slachtoffer 3] deed de verdachte de ten laste gelegde uitspraken nadat de [functie] hem verzocht de bus te verlaten, omdat hij geen kaartje kon betalen. De verdachte trok met kracht aan het shirt van de [functie] en spuugde hem in zijn gezicht (16/145672-25, feit 1) . Vervolgens zei de verdachte tegen de [functie] dat hij hem zou vermoorden als hij hem ergens zou tegenkomen.
Tegen de achtergrond van deze gespannen dan wel agressieve situaties, konden de door de verdachte gebezigde woorden en gebaren de redelijke vrees bij [aangever] en [slachtoffer 3] opwekken dat zij het leven zouden kunnen verliezen.
Mishandeling vader
De verdachte wordt ook beschuldigd van het mishandelen van zijn vader (16/151260-25, feit 2). De verdachte ontkent de ten laste gelegde handelingen te hebben gepleegd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat slechts bewezen kan worden dat de verdachte zijn vader stevig heeft vastgepakt, hem heeft opgetild en tegen de muur heeft geduwd. De advocaat van de verdachte voert aan dat geen sprake is van mishandeling, omdat niet blijkt dat de vader van de verdachte pijn of letsel heeft overgehouden aan het vastpakken door de verdachte. Subsidiair voert de advocaat aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tegen de muur duwen van zijn vader.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zijn vader met beide armen beetpakte, optilde en vervolgens tegen de muur duwde. De agent die ter plaatse komt na de mishandeling constateert dat de vader van de verdachte een schaafwondje met bloed op zijn rechterknie heeft en ziet dat de vader van de verdachte over zijn ribbenkast wrijft, waarna vader vertelt dat hij geopereerd is aan zijn ribben. Hieruit leidt de rechtbank af dat de vader van de verdachte letsel en pijn had als gevolg van het vastpakken, optillen en tegen de muur geduwd worden door de verdachte.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn vader. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het naar de grond werken van zijn vader (het laatste gedachtestreepje op de beschuldiging), omdat bewijs daarvan ontbreekt.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16/151260-25
feit 1
op 16 mei 2025 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je vermoorden";
feit 2
op 16 mei 2025 te Utrecht zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door
- die [verdachte] stevig vast te pakken bij zijn ribben en
- vervolgens die [verdachte] op te tillen en tegen de muur te duwen;
16/137447-25
feit 1
op 6 mei 2025 te Utrecht opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Kankerlijer!" en "Ik heb schijt aan jou kankerlijer!";
feit 2
op 6 mei 2025 te Utrecht [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen:
- "Ik heb een pistool";
- "Ik schiet je echt dood";
- "Als ik mijn pistool nu had dan had ik je doodgeschoten!",
en daarbij met zijn hand een pistool beweging te maken richting die [aangever] , terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [aangever] in diens hoedanigheid van hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland;
16/145672-25
feit 1
op 12 mei 2025 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer 3] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in het gezicht van die [slachtoffer 3] te spugen;
feit 2
op 12 mei 2025 te Utrecht [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Als ik je ergens tegenkom vermoord ik je".
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16/151260-25:
feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 2: mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;
16/137447-25:
feit 1: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
16/145672-25:
feit 1: eenvoudige belediging;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar.
Over de strafbaarheid van de verdachte overweegt de rechtbank het volgende.
4.2.1.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij ten tijde van het plegen van alle bewezen verklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was.
4.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar en dus strafbaar is voor alle bewezen verklaarde feiten.
4.2.3.
Oordeel van de rechtbank
Over de verdachte is een Pro Justitia-rapport, gedateerd 28 augustus 2025, opgemaakt door C.M. Gouverneur, psychiater. Het rapport houdt onder meer het volgende in.
De psychiater concludeert dat bij de verdachte sprake is (geweest) van een manisch-psychotische ontregeling en een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een cognitief vermogen op zwakbegaafd niveau. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de bewezen verklaarde feiten. De manisch-psychotische ontregeling beïnvloedde de verdachte op meerdere niveaus. Zijn stemmingsregulatie was ernstig verstoord, wat leidde tot extreme prikkelbaarheid en een drastisch verlaagde frustratietolerantie. Zijn impulscontrole was significant aangetast, waardoor hij niet meer in staat was zijn gedrag adequaat te remmen. Het oordeelsvermogen was verstoord, wat resulteerde in een verminderd vermogen om gepaste reacties te kiezen in sociale situaties. Naarmate de episode vorderde, ontwikkelden zich ook waanbelevingen en denkstoornissen die zijn handelen gingen beïnvloeden.
Voor de feiten van 6 en 12 mei 2025 adviseert de psychiater deze sterk verminderd aan de verdachte toe te rekenen. Hoewel de manische ontregeling een significante factor vormde in zijn verhoogde prikkelbaarheid en verminderde impulscontrole, was dit niet allesoverheersend. De verdachte toonde ook antisociale denkpatronen die los stonden van de psychose, zoals blijkt uit zijn blijvende rechtvaardiging van doodsbedreigingen.
Voor de feiten op 16 mei 2025 wordt geadviseerd deze geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. Op dat moment was de toestand van de verdachte verder verslechterd en was sprake van een volledige manisch-psychotische ontregeling waarbij waanbelevingen, emotionele ontregeling en ernstig verstoord denkvermogen zijn gedrag domineerden en zijn handelingsvrijheid en oordeelsvermogen in zeer sterke mate beperkten.
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundige op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en neemt deze over. De rechtbank ziet in de standpunten van verdediging en de officier van justitie geen reden om af te wijken en anders te oordelen. De psychiater heeft op heldere wijze uitgelegd hoe het gedrag van de verdachte gedurende een bepaalde periode escaleerde en vanaf welk moment de stoornis de overhand nam. Dat al vóór 6 en 12 mei 2025 sprake was van incidenten die in verband zijn te brengen met de psychische toestand van de verdachte, zoals benoemd door de advocaat van de verdachte, past in die beschrijving en is dus geen reden te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de psychiater. Dat de verdachte zich nog kan herinneren wat er op 16 mei 2025 gebeurde, zoals aangevoerd door de officier van justitie, is zonder nadere onderbouwing evenmin reden te twijfelen.
De rechtbank oordeelt dan ook dat de bewezen verklaarde feiten van 16 mei 2025 (16/151260-25) niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is hiervoor niet strafbaar en zal voor deze feiten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De verdachte is wel strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten van 6 mei 2025 (16/137447-25) en 12 mei 2025 (16/145672-25).

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 169 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden - kort gezegd -:
 een meldplicht;
 meewerken aan begeleid wonen;
 meewerken aan dagbesteding;
 meewerken aan middelencontrole.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte veel te lang in voorarrest heeft doorgebracht, waardoor geen ruimte meer over is voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel. Bovendien is de zorgmachtiging, die eerder door deze rechtbank is afgegeven voor de verdachte, inmiddels met een jaar verlengd en is het niet wenselijk dat er een dubbel kader geldt. De zorgmachtiging is toereikend om het gevaar op herhaling in te perken.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook wegen zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten, namelijk het bedreigen en beledigen van een politieagent en een [functie] . Beide slachtoffers vervullen een publieke taak. De verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor deze slachtoffers, die gewoon hun werk deden. Bovendien heeft de verdachte het gezag van de politieagent geschaad door de bevelen van de politieagent niet op te volgen en hem vervolgens in het bijzijn van anderen te beledigen en te bedreigen. De verdachte heeft met zijn handelen ook gevoelens van onveiligheid bij derden veroorzaakt. In de bus zaten ook andere passagiers die ongewild getuige zijn geweest van de agressiviteit van de verdachte.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie (‘strafblad’) van de verdachte van 3 maart 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder door een rechter is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank rekening kennis genomen van een reclasseringsadvies van 27 maart 2026, dat over de verdachte is uitgebracht door Inforsa Utrecht. Uit dit advies volgt dat de reclassering het risico op recidive verhoogd inschat. De reclassering ziet risico’s op het gebied van psychosociaal functioneren en middelengebruik.
Het middelengebruik lijkt een psychotische ontregeling te triggeren. De afwezigheid van een stabiele woonplek en het ontbreken van een zinvolle dagbesteding vergroten het risico op recidive. Er dient een intensieve klinische behandeling gericht op de persoonlijkheidsproblematiek in combinatie met het middelengebruik plaats te vinden.
De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden kort gezegd: een meldplicht, opname in een zorginstelling, verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan het verkrijgen van een dagbesteding en meewerken aan beheersing van middelengebruik. De reclassering adviseert negatief over alle strafmodaliteiten. Een gevangenisstraf zal volgens de reclassering leiden tot een stagnatie of zelfs een forse terugval in het psychiatrisch toestandsbeeld van de verdachte. Oplegging van een taakstraf brengt het risico met zich op recidive door destabilisatie en oplegging van een geldboete is niet wenselijk omdat de verdachte momenteel niet over een inkomen beschikt.
Verder houdt de rechtbank rekening met de inhoud van het hierboven onder paragraaf 4.2.3 al aangehaalde rapport van 28 augustus 2025 van psychiater C.M. Gouverneur. De rechtbank verwijst hier naar de inhoud van deze paragraaf. In aanvulling daarop houdt de rechtbank rekening met het volgende uit dit rapport.
Volgens de psychiater hangt het recidiverisico direct samen met de manisch-psychotische stoornis die ten grondslag lag aan de gepleegde delicten. Zonder adequate interventie wordt het risico op soortgelijke geweldsdelicten door de psychiater ingeschat als matig-hoog, aangezien de kans op hernieuwde psychotische ontregeling groot is bij directe invrijheidstelling. Met de juiste behandeling, medicatie en monitoring kan dit risico worden teruggebracht tot laag-matig. Voortgezette behandeling van de manisch psychotische symptomen staat volgens de psychiater centraal in het reduceren van het recidiverisico. Hierbij moet de medicatietrouw gevolgd worden aangezien non-compliance een belangrijke risicofactor vormt voor terugval. Het gebruik van cannabis kan symptomen versterken of aanjagen en dient vermeden te worden, behandeling gericht hierop is noodzakelijk.
Verdere diagnostische verheldering door systematische monitoring van het symptoombeloop is volgens de psychiater noodzakelijk, net als onderzoek naar eventuele cognitieve beperkingen na stabilisatie. De psychiater adviseert een klinische opname gevolgd door ambulante behandeling bij een forensische zorgaanbieder in Utrecht, met een multidisciplinaire aanpak en regelmatige evaluatie. Dit kan voor wat betreft het juridisch kader volgens de psychiater vorm worden gegeven door het opleggen van een zorgmachtiging via de schakelbepaling van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. Met een forensische zorgaanbieder als zorgverantwoordelijke biedt dit volgens de psychiater kader voldoende mogelijkheid om de behandeling vorm te geven: gericht symptoomstabilisatie maar ook op het verminderen van het recidiverisico en risicomanagement.
De rechtbank heeft op 29 september 2025 al een zorgmachtiging voor de verdachte afgegeven voor de duur van 6 maanden. De verdachte verblijft in het kader van die zorgmachtiging sinds 1 oktober 2025 bij [instelling] , waar hij klinisch wordt behandeld.
Uit het hiervoor besproken reclasseringsrapport blijkt dat deze zorgmachtiging op 23 maart 2026 met een jaar is verlengd.
Oplegging van de straf
Voor het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een aantal weken rechtvaardigen. Hierbij weegt mee dat de feiten zijn gepleegd tegen personen met een publieke taak. De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur van de straf verder rekening met de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken opleggen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank realiseert zich dat dit een aanzienlijke kortere straf is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De lange duur van het voorarrest is een gevolg van het onderzoek naar de mogelijkheid van de afgifte van een zorgmachtiging; een procedure die de nodige tijd in beslag neemt. Daarbij was het niet mogelijk om – in afwachting daarop – het recidiverisico aan de hand van schorsingsvoorwaarden dusdanig in te perken dat de verdachte op verantwoorde wijze in vrijheid kon worden gesteld.
De rechtbank wijkt ook in aanzienlijke mate af van de eis van de officier van justitie, omdat die niet strookt met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Hoewel het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, vanuit speciale preventie wenselijk zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat daarvoor in deze zaak geen ruimte meer bestaat vanwege de lange duur van het voorarrest.
Voorlopige hechtenis
Gezien het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- Artikelen 57, 63, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten zoals ten laste gelegd onder de parketnummers 16/151260-25, 16/137447-25 en 16/145672-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
  • verklaart de verdachte
  • verklaart de verdachte strafbaar voor feiten 1 en 2 op de beschuldiging onder parketnummers 16/137447-25 en voor feiten 1 en 2 op de beschuldiging onder 16/145672-25;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvan
3 weken;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. mr. C.A.M. Straalen-Coumou, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
16/151260-25
feit 1
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je vermoorden" en/of "ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 2
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Utrecht zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door
- die [verdachte] stevig vast te pakken bij zijn ribben en/of
- ( vervolgens) die [verdachte] op te tillen en/of tegen de muur te duwen en/of
- die [verdachte] naar de grond te trekken;
16/137447-25
feit 1
hij op of omstreeks 6 mei 2025 te Utrecht opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangever] , hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: "Kankerlijer!" en/of "Ik heb schijt aan jou kankerlijer!", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
feit 2
hij op of omstreeks 6 mei 2025 te Utrecht [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Ik heb een pistool";
- " Ik schiet je echt dood";
- " Als ik mijn pistool nu had dan had ik je doodgeschoten!",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,
en/of daarbij met zijn hand een pistool beweging te maken richting die [aangever] , terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [aangever] in diens hoedanigheid van hoofdagent bij de Eenheid Midden-Nederland;
16/145672-25
feit 1
hij op of omstreeks 12 mei 2025 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer 3] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam, althans in de riching van die Lee te spugen;
feit 2
hij op of omstreeks 12 mei 2025 te Utrecht [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die Lee dreigend de woorden toe te voegen "Als ik je ergens tegenkom vermoord ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025160488, doorgenummerd pagina 1 tot en met 53. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 5.
3.Pagina 5.
4.Pagina 12.
5.Pagina 8.
6.Pagina 8.
7.Pagina 15.
8.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025147547, doorgenummerd pagina 1 tot en met 36. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
9.Pagina 9-10.
10.Pagina 8.
11.Pagina 11.
12.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025156099, doorgenummerd pagina 1 tot en met 30. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
13.Pagina 4-5.