Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1698

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4084
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na herbeoordeling werknemer door UWV

Adecco HR Solutions heeft op 29 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een herbeoordeling van een (ex-) werknemer bij het UWV in het kader van de Wet WIA. Na het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV, stelde Adecco het UWV in gebreke op 20 december 2023. Het UWV kende op 1 maart 2024 een dwangsom van € 1.442 toe. Adecco ging op 7 juli 2025 in beroep tegen het uitblijven van een besluit, waarna het UWV op 12 augustus 2025 alsnog een besluit nam. Adecco trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat het UWV de proceskosten van Adecco moet vergoeden, omdat het UWV uiteindelijk heeft gedaan wat Adecco wilde en geen bezwaar maakte tegen een forfaitaire vergoeding. De proceskosten worden vastgesteld op € 467, gebaseerd op een puntensysteem met een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak. Daarnaast moet het UWV het griffierecht van € 385 aan Adecco betalen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van de proceskosten en griffierecht aan Adecco HR Solutions.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan Adecco HR Solutions.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4084

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

Adecco HR Solutions B.V., te Zaltbommel, verzoekster

(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Het UWV heeft op 4 november 2025 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Op 29 juni 2023 heeft verzoekster een aanvraag voor een herbeoordeling van een (ex-) werknemer ingediend in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Verzoekster heeft het UWV op 20 december 2023 in gebreke gesteld. Het UWV heeft op 1 maart 2024 de volledige dwangsom van € 1.442,- toegekend aan verzoekster. Verzoekster is op 7 juli 2025 in beroep gegaan tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Op 12 augustus 2025 heeft het UWV alsnog een besluit genomen. Het UWV heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft op 28 oktober 2025 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. Het UWV heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft geen bezwaar tegen de vergoeding van de proceskosten, mits het gaat om een forfaitaire proceskostenvergoeding.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het UWV moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de wegingsfactor 0,5 toegepast.
6. Het UWV moet ook het griffierecht van € 385,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb Pro).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Het UWV moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.