ECLI:NL:RBMNE:2026:17

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
16/035427-25 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met snorfiets leidend tot verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel

Op 8 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 14 maart 2024 in Utrecht een verkeersongeval heeft veroorzaakt met zijn snorfiets. De verdachte werd beschuldigd van het overtreden van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. Tijdens de zitting op 18 december 2025 werd vastgesteld dat de verdachte, terwijl hij met een passagier op het verplichte fietspad reed, een aantal verkeersovertredingen heeft begaan. Hij heeft het fietspad verlaten, een doorgetrokken streep overschreden en geen voorrang verleend aan een van rechts komende motorscooter. Dit leidde tot een botsing waarbij zowel de verdachte als zijn passagier, alsook de bestuurder van de motorscooter, ernstig letsel opliepen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig gedrag, wat resulteerde in een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Daarnaast werd een gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedaan, waarbij een schadevergoeding van € 1.500,- werd toegewezen voor immateriële schade. De rechtbank overwoog dat de verdachte, ondanks zijn eerdere strafbare feiten, had geleerd van het ongeval en sindsdien niet meer in aanraking was gekomen met de politie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/035427-25 (P)
Verkort vonnis van de meervoudige kamer van 8 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [2005] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] te [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 18 december 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de officier van justitie, mr. E.C.A. Bakker;
- de raadsman van de verdachte, mr. S.C. van der Leer;
- de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [benadeelde] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair:
op 14 maart 2024 in Utrecht als bestuurder van een snorfiets een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, of lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, door zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend:
- bij het afslaan naar links niet het verplichte fietspad te volgen, maar een doorgetrokken streep te doorkruisen, de rijbaan op te rijden, de binnenbocht te nemen en daardoor onvoldoende rechts te houden, en
- geen voorrang te verlenen aan van rechts komend verkeer;
subsidiair:op dezelfde dag en plaats en door dezelfde handelingen gevaar of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
meer subsidiair:op dezelfde dag en plaats geen voorrang heeft verleend aan van rechts komend verkeer.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat het verkeersongeval is veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag van de verdachte (de primaire beschuldiging).
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft geen verweer over het bewijs gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis, die aan dit vonnis zal worden gehecht.
3.3.2
De bewijsoverwegingen
Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet
De verdachte wordt er primair van beschuldigd dat hij artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW) heeft overtreden, doordat hij schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor anderen ernstig lichamelijk letsel hebben opgelopen. Om deze schuld bewezen te kunnen verklaren, is het nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de verkeershandelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht. [1]
De vastgestelde gang van zaken
Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Op donderdag 14 maart 2025 rond 0.40 uur reed de verdachte met zijn snorfiets op het verplichte vrijliggende fietspad op de ’t Goylaan in Utrecht. Benadeelde partij [slachtoffer 1] zat als passagier achterop.
Toen de verdachte het kruispunt met de Jutfaseweg naderde, is hij het verplichte fietspad afgegaan en over een dubbele doorgetrokken streep de autorijbaan van de ’t Goylaan opgereden. Vervolgens is hij linksaf geslagen door het kruispunt niet haaks, zoals voorgeschreven, maar schuin over te steken en de binnenbocht te nemen, waarbij hij tegen de rijrichting van het hem tegemoetkomende verkeer inging.
Door deze manoeuvres zag de verdachte te laat dat een motorscooter op de autorijbaan hetzelfde kruispunt naderde en kon hij deze motorscooter, die voor de links afslaande verdachte van rechts kwam, geen voorrang meer verlenen. Door de botsing die hiervan het gevolg was hebben de verdachte, zijn passagier [slachtoffer 1] en de bestuurder van de motorscooter [slachtoffer 2] ernstig letsel opgelopen.
De kwalificatie van het verkeersgedrag
Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte met het hierboven beschreven verkeersgedrag ernstig tekortgeschoten ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. De verdachte heeft immers bewust meerdere verkeersovertredingen begaan: hij heeft met zijn snorfiets het verplichte fietspad verlaten, een dubbele doorgetrokken streep overschreden en is tegen de rijrichting in schuin een kruispunt overgestoken. Als gevolg van deze bewust begane verkeersovertredingen heeft de verdachte ongewild nog een verkeersovertreding begaan, door een van rechts komende motorscooter geen voorrang te verlenen.
De rechtbank kwalificeert dit verkeersgedrag van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig.
Het letsel van de slachtoffers
[slachtoffer 1] heeft als gevolg van het door de verdachte veroorzaakte ongeval ernstig letsel opgelopen, waaronder een gecompliceerde beenbreuk waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was, met een door een arts geschatte herstelperiode van een half jaar. Vanwege de ernst van dit letsel, de noodzaak van medisch ingrijpen en de lange duur van het herstel, kwalificeert de rechtbank dit als zwaar lichamelijk letsel.
Ook [slachtoffer 2] heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen, onder andere intracraniaal letsel. Er is echter onvoldoende informatie in het dossier aanwezig over de precieze aard van dit letsel, de eventuele noodzaak van medisch ingrijpen en de duur van het herstel om dit juridisch te kunnen kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Wel is uit het dossier duidelijk geworden dat [slachtoffer 2] door het letsel voor langere tijd haar normale bezigheden niet heeft kunnen verrichten.
Conclusie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW, omdat hij zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en daardoor een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor twee personen (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht.
3.3.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
primair:
op 14 maart 2024 te Utrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een snorfiets, daarmede rijdende over de weg ’t Goylaan op de kruising met de Jutfaseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig,
- onvoldoende rechts te rijden en bij het afslaan naar links niet het verplichte fietspad te volgen, maar de rijbaan op te rijden en daarbij een doorgetrokken streep te doorkruisen, en
- vervolgens geen voorrang te verlenen aan van rechts komend verkeer, en
- bij het afslaan de binnenbocht te nemen en daardoor onvoldoende rechts te houden,
waardoor hij in botsing is gekomen met een ander voertuig, door welk verkeersongeval aan
[slachtoffer 2] intracranieel letsel werd toegebracht, waardoor tijdelijke verhindering in de uitoefening van haar normale bezigheden is ontstaan, en aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een beenfractuur, werd toegebracht.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
De rest van de tekst van de beschuldiging is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
4.2.
Strafbaarheid van het feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.De op te leggen straf

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een taakstraf van 80 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis;
- een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om met de volgende punten in strafmatigende zin rekening te houden.
De gevolgen van het verkeersongeval zijn ook voor de verdachte aanzienlijk geweest, want hij heeft door het verkeersongeval ook zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Daardoor heeft hij een achterstand opgelopen in zijn opleiding, zijn werk en zijn sociale leven. Belangrijk is verder dat de verdachte van het ongeval heeft geleerd en sindsdien niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen.
Ten slotte heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte liever een geldboete wil betalen met geld dat hij door betaald werk moet gaan verdienen, dan een taakstraf verrichten.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Inleidende opmerkingen
Bij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig verkeersgedrag. Als direct gevolg hiervan is hij in botsing gekomen met een motorscooter, waardoor de bestuurder daarvan ernstig letsel heeft opgelopen. Ook de passagier van de verdachte en de verdachte zelf hebben door de botsing ernstig letsel opgelopen.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan strafbaar verkeersgedrag, namelijk het rijden onder invloed in 2021 en het negeren van een stopteken in 2022. De rechtbank ziet dit als strafverzwarend. Daar staat tegenover dat de verdachte sinds het verkeersongeval niet meer voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij door het verkeersongeval heeft geleerd dat een in zijn ogen kleine verkeersovertreding grote gevolgen kan hebben. Hij is nu voorzichtiger in het verkeer geworden. Na het ongeval was hij wel bezorgd over de slachtoffers, maar hij heeft geen contact gezocht met de bestuurder van de motorscooter. De verdachte vond dat moeilijk, omdat hij haar niet kende en vanwege zijn schuldgevoel. Bij de politie heeft hij later gehoord dat het naar omstandigheden goed met haar ging. Met zijn passagier [slachtoffer 1] heeft hij nog wel contact, dat is een vriend van hem.
De verdachte is grotendeels hersteld van het lichamelijk letsel dat hij zelf door het ongeval heeft opgelopen. De verdachte werkt nu op ZZP-basis als sjouwer bij verhuizingen. Over het algemeen verplaatst hij zich op de fiets, maar soms leent hij een auto van een familielid voor zijn werk of mag hij van zijn opdrachtgever een auto huren.
De op te leggen straf
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor vergelijkbare feiten ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld (de LOVS-oriëntatiepunten). Het LOVS-oriëntatiepunt voor aanmerkelijke schuld aan een verkeersongeval, waardoor bij een ander zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, is een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt als uitgangspunt.
De rechtbank ziet echter in de betrekkelijk jonge leeftijd van de verdachte, zijn constructieve proceshouding en de ernstige gevolgen die het verkeersongeval ook voor hem heeft gehad redenen om in strafmatigende zin af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten. Hierbij speelt ook mee dat uit het dossier blijkt dat de bestuurder van de motorscooter waar de verdachte mee in botsing kwam, ten tijde van het ongeval sneller reed dan ter plaatse was toegestaan.
De rechtbank zal zich aansluiten bij de eis van de officier van justitie en aan de verdachte een taakstraf van 80 uren opleggen, met daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar.

6.Vorderingen door benadeelde partijen

6.1
De vorderingen
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft ter zitting een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin hij van verdachte een bedrag van € 9.350,- vordert, als vergoeding voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de feiten waarvan de verdachte is beschuldigd.
Het gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:
- € 350,- als vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit:
€ 150,- als vergoeding voor een beschadigde jas;
€ 200,- als vergoeding voor een beschadigde schoen;
- € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade.
Vordering van benadeelde partij [benadeelde]
Benadeelde partij [benadeelde] , de moeder van [slachtoffer 1] , heeft ter zitting een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van verdachte een bedrag van € 17.500,- vordert, als vergoeding voor de affectieschade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de feiten waarvan de verdachte is beschuldigd.
Beide benadeelde partijen vorderen hierbij een verhoging van deze bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen ten aanzien van de gevraagde vergoeding van € 350,- voor materiële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat de benadeelde partij weliswaar geen aankoopbonnen of foto’s van de jas en de schoen bij de vordering heeft gevoegd, maar dat de schade aan deze jas en schoen op basis van het dossier kan worden geschat op het gevorderde bedrag.
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor immateriële schade. De vordering is op dit punt onvoldoende onderbouwd, en het bieden van gelegenheid tot een nadere onderbouwing zou een te grote belasting voor de behandeling van de onderhavige strafzaak betekenen.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde]
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot vergoeding van affectieschade. Deze vordering is onvoldoende onderbouwd, en het bieden van gelegenheid tot een nadere onderbouwing zou een te grote belasting voor de behandeling van de onderhavige strafzaak betekenen.
6.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering of de vorderingen in hun geheel af te wijzen, omdat ze onvoldoende zijn onderbouwd.
6.4
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor materiële schade niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De vordering is op dit punt onvoldoende onderbouwd en aanhouding van de behandeling van de strafzaak voor nadere onderbouwing zou een te grote belasting voor de strafzaak betekenen. De rechtbank overweegt hierbij, dat zich in het dossier en de onderbouwing van de vordering onvoldoende gegevens over de betreffende jas en schoen bevinden, om een gegronde schatting van de geleden schade te kunnen maken.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toewijzen ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor immateriële schade. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een benadeelde partij aanspraak maken op een vergoeding voor immateriële schade, als deze partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door het onrechtmatig handelen van de verdachte. In dit geval heeft de benadeelde partij als direct gevolg van de bewezenverklaarde overtreding van artikel 6 WVW door verdachte, zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
De rechtbank zal de immateriële schade die daar het gevolg van is vaststellen op € 1.500,-. De rechtbank heeft hierbij gelet op de bedragen die binnen de rechtspraak in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat dit onvoldoende is onderbouwd, en aanhouding van de behandeling van de strafzaak voor nadere onderbouwing een te grote belasting voor de strafzaak zou betekenen. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Het toegekende bedrag is te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2024 tot de dag van volledige betaling.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde]
De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde] niet ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat deze vordering onvoldoende is onderbouwd, en aanhouding van de behandeling van de strafzaak voor nadere onderbouwing een te grote belasting voor de strafzaak zou betekenen. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

7.Toegepaste wetsartikelen

De beslissing berust op de artikelen:
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht,
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit in de primaire beschuldiging heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.3.3 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de primaire beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid van het feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid van verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
-
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;
-
ontzegt de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden;
-
bepaalt dat de ontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast;
benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 1.500,-, als vergoeding voor immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan deze benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2024 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de proceskosten die de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken; deze kosten zijn tot op heden begroot op nihil;
  • legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
€ 1.500,-aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2024 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 25 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij
[slachtoffer 1] dan wel aan de Staat heeft vergoed;
benadeelde partij [benadeelde]
  • verklaart benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • compenseert de proceskosten van deze benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt;
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. L.C. Michon en
mr. F.F. Geerdink, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 januari 2026.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 maart 2024 te Utrecht als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een snorfiets, daarmede rijdende over de weg, 't Goylaan en Socrateslaan, op de kruising met Jutfaseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- onvoldoende rechts te rijden en bij het afslaan naar links niet het verplichte fietspad heeft gevolgd, maar de rijbaan is opgereden en daarbij een doorgetrokken streep heeft doorkruist,
- vervolgens geen voorrang heeft verleend aan van rechts komend verkeer
- en bij het afslaan de binnenbocht heeft genomen en daardoor onvoldoende rechts heeft gehouden,
waardoor hij in botsing is gekomen met een ander voertuig, door welk verkeersongeval
- [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten intracranieel letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de
uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan
- [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een beenfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan
(art 6 Wegenverkeerswet 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 maart 2024 te Utrecht als bestuurder van een voertuig (snorscooter), daarmee rijdende op de weg, 't Goylaan en Socrateslaan, op de kruising met Jutfaseweg,
- onvoldoende rechts heeft gereden en bij het afslaan naar links niet het verplichte fietspad heeft gevolgd, maar de rijbaan is opgereden en daarbij een doorgetrokken streep heeft doorkruist,
- vervolgens geen voorrang heeft verleend aan van rechts komend verkeer
- en bij het afslaan de binnenbocht heeft genomen en daardoor onvoldoende rechts heeft gehouden,
waardoor hij in botsing is gekomen met een ander voertuig, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
(art 5 Wegenverkeerswet 1994)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 maart 2024 te Utrecht als bestuurder van een snorfiets rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, 't Goylaan en Socrateslaan, op de kruising of splitsing van die weg met de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), Jutfaseweg, een voor hem van rechts komende bestuurder van een driewielig motorrijtuig geen voorrang heeft verleend, immers die bestuurder niet in staat heeft gesteld ongehinderd haar weg te vervolgen, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht
(art 15 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990).

Voetnoten

1.Zie ECLI:NL:HR:2024:1398, r.o. 2.6.1.